Google



terug naar de beginpagina meer over dit stuk
Bēowulf
Vertaling Jan Jonk
Waarschuwing; er zijn enkele tekens welke niet door iedere browser en platform ondersteund worden. Voor correcte weergave is daarom de pdf-versie nodig.
Hoort! De vorsten van ons volk, de Vecht-Denen,
waren vroeger maar wàt machtig -
welk een roemruchte daden verrichtten zij!
Scyld Scēfing ontnam scharen vijanden,
5.veel volksstammen vaak hun medebanken,
deed de Heruli huiveren, - hoewel hij toch eerst
arm was aangetroffen. Anders werd daardoor zijn bestaan,
goed ging het hem, hij groeide in glorie,
tot onderworpen was welke buur dan ook,
10.schatting verschuldigd was elke stam rondom
over het walvispad: wat een koning!
Later werd een zoon geboren, gezonden door God
tot steun van de staat, een sterke knaap
in de veste; hij vernam de vreselijke nooddruft,
15.waarin - zonder vorst - zij voorheen lang
hadden verkeerd; hiervoor gaf de Levenschepper,
overheer des hemels, hem eer op aarde;
beroemd was Bēowulf, verbreid zijn roep,
de zoon van Scyld in Scedeland.
20.Nog onder zijn vaders hoede, hoort een jongeman,
door zijn moed en door ruime gaven, te bewerken,
dat zijn kameraden, als krijg komt,
graag om hem staan als hij oud is,
dat zij hun vorst dan helpen; glorieuze daden
25.doen ieder goed in elke stam.
Ver op weg ging Scyld, na een veelbewogen leven,
op het lotsbeschikte uur naar de beschutting van de Heer.
Naar de oever van de vaarweg vervoerden zij hem,
zijn eigen gezellen, zoals hij zelf had verzocht,
30.toen hij macht nog had over woorden, de meester der Scyldings,
de geliefde leider, die lang regeerde.
Daar stond aan de steiger de steven, rond,
beijsd, tot uitvaren klaar, de aak van de held.
Ze legden dan hun geliefde koning,
35.de schenker van sieraden, in de schoot van het schip,
de vermaarde bij de mast. Menig ornament,
waardevols van ver weg, werd daar ingeladen.
Nooit vernam ik iets van een vaartuig, fraaier voorzien
van oorlogstuig, zwaarden en strijdgerei,
40.maliënkolders. Een massa ornamenten
bevond zich op zijn borst, om bij hem te zijn
waar vloed vrij spel had, op zijn verre tocht.
Geschenken gaven zij hem geenszins minder,
kostbare kleinoden, dan hem - kind nog -
45.aan het begin gegeven werden
toen hij, alleen, over de oceaan uitgestuurd werd.
Men bevestigde bovendien een banier van goud
hoog boven zijn hoofd; de golven hieven hem op;
ze gaven hem aan de grijze zee; rouw greep hun hart,
50.verdriet hun denken. Ondoenlijk is het
naar waarheid te weten, wie deze last ontving,
voor helden in het veld, voor vroede vaderen.
Hij beheerde de burcht, Bēowulf der Scyldings,
geliefde leider, een lange tijd,
55.bij veel volken befaamd - vader was henen,
de leidsman uit het land - , toen leven hem werd geboren:
de edele HalfDeen; hij heerste zolang als hij leefde,
de oude vechter, als een vriend over de Scyldings.
Vier kinderen kreeg hij in totaal,
60.verwekte de wetgever der groep in de wereld:
Heorogār en Hrōgār en Hālga, de goede,
ik vernam dat [ ............On]ela's vrouw was,
geliefde echtgenote van de Oorlogs-Scilfing.
Succes in de strijd werd geschonken toen aan Hrōgār,
65.faam in gevecht, zodat vrienden en verwanten
hem graag gehoorzaamden, en zijn aanhang uitgroeide
tot een grote groep . In zijn geest kwam het op,
een grootse hal te gaan bouwen,
een medehal te laten maken,
70.machtiger dan ooit vernomen door mensenzonen,
en dat hij daarin alles verdelen zou
wat God hem gaf, aan grijskop en jonkman,
maar niet de meent en mensenlevens.
En overal hoorde ik, hoe opdrachten uitgingen
75.naar menige stam op deze middenaarde
om de vergaderplaats te verfraaien. Vlot verliep het werk,
met zoveel mensen was ze zeer snel klaar,
die grootse hal; Heorot noemde hij haar,
wiens woord wijd en zijd werd gevreesd.
80.Hij deed wat hij gezegd had, en deelde op het feest
sieraden en ringen. Hoog rees de zaal
- de uilenborden wijd uiteen -, wachtend op aanvalsstormen,
vijandig vuur; zover was het nog geenszins,
dat die ernstige onenigheid ging oplaaien
85.tussen vader en schoonzoon na een schandelijke daad.
Maar met moeite kon de machtige geest,
die in duisternis doolt, verdragen de pijn -
om elke dag blijdschap te beluisteren,
luid in de hal; de harp klonk er,
90.helder gezang van de skald. Spreken kon hij
over het eerste leven der mensen lang geleden,
hoe de Almachtige de aarde maakte,
deze schitterend schone vlakte, omstroomd door water:
zon en maan zette Hij er bij, de Zegepraler,
95.lampen ter verlichting van landbewoners,
het oppervlak der aarde overdekte Hij
met boomtakken en blaren, blies leven ook
in iedere soort die ademend rondgaat.
Zo vermaakten zich de nobele manschappen,
100.in vrede en voorspoed, tot een vijand uit de hel
gruweldaden begon te begaan;
dat was de grimme geest, die Grendel heette,
berucht ronddoler in randgebieden,
ven en woestenij; dit vreselijk wezen
105.vertoefde een tijd temidden van monsters,
sinds de Schepper hém schuldig had bevonden.
De eeuwige God nam wraak op de verwanten van Kaïn,
omdat hij Abel had omgebracht.
Die vete gaf hem geen vreugde, want ver van de mensheid
110.werd hij door de Meester voor die misdaad verbannen.
Alle boze broedsels werden geboren daaruit,
giganten en griezels en gnomen, vol kwaad,
vervaarlijke gewrochten, zonder vrees voor God,
tijden lang. Hun loon ervoor ontliepen ze niet.
115.Het werd avond; hij ging op weg, wilde eens zien,
hoe in het ruime huis de RingDenen,
na het bierfeest, een vaste woonplaats gevonden hadden.
Na het verrukkelijke feestmaal vond hij daar toen
de helden slapend. Smart zei hun niets,
120.leed van helden. Het louche schepsel,
grimmig en gretig, was gauw weer klaar:
in wilde woestheid nam het, waar ze lagen,
wel dertig dapperen. Toen: ervandoor,
125.zijn revier gevonden, en opvreten die buit.
Toen bleef, in de ochtend, bij het aanbreken der dag,
Grendels gruwel de mannen geenszins verborgen.
Na de juichstemming steeg jammer nu op,
hevig gehuil in de morgen. De heer, zo beroemd,
130.de voortreffelijke vorst, zat verslagen,
verlamd door leed om geliefde volgelingen,
toen men het spoor zag van de schurk,
die verguisde gast. Te gruwelijk was die pijn,
ondraaglijk, eindeloos. Ook was het niet de laatste keer,
135.want de avond erna werden nieuwe moorden
door hem gepleegd, zonder een greintje spijt,
aanslagen en overvallen. Dat was zijn enige oogmerk.
Toen was het gemakkelijk te merken wie er
van de deur vandaan dacht te gaan slapen,
140.in een bed in een zijkamer, nu het hem zo duidelijk was,
voor zijn ogen zo zichtbaar aangetoond,
de haat van de halbezoeker. Hij hield zich sindsdien
wat verder verwijderd op, die de vijand was ontkomen.
Zo regeerde hij wederrechtelijk,
145.als eenling tegen allen, tot ongebruikt stond
dit allerbeste bouwwerk. Dat bleef zo een lange tijd;
hij verduurde de toorn twaalf winters,
alle ellende. dit ernstige hartzeer,
de vriend der Scyldings. Vandaar dat het de strijders,
150.de kinderen der krijgshelden, duidelijk werd,
in treurliederen, dat, een tijdlang,
Hrōx gār hevig door Grendel bevochten was,
met misdaad en moord, menig jaar door,
in eeuwige onenigheid; geen enkele der Denen
155.wenste hem in vriendschap te aanvaarden; voor geen der velen
de doodslag recht te zetten met smartengeld,
geen der oudsten hoefde op geen enkele wijze
uit die moordklauwen mildheid te verwachten;
maar dit monster maakte zich onmogelijk,
160.deze duistere doodsschaduw, bij de ouden en jongen:
hield zich op in hinderlagen; heerste in eeuwig donker
over mistige moeren. Geen mens weet te zeggen,
waar dat soort heltrollen op hun tochten rondschuimt.
Zo verviel hij vaak, de vijand der mensheid,
165.de enge enkeling, tot ernstige misdrijven.
harde acties; hij huisde in Heorot,
die rijkvoorziene zaal, in zwarte nachten.
God stond niet toe, dat hij de stoel der gaven naderde,
de mooie troon; hij taande er ook niet naar.
170.Vreselijk was die ellende voor de vriend der Scyldings,
zijn hart brak; heel wat mannen hielpen hem vaak met raad,
de machtige; men overwoog wat te doen:
wat doeltreffend zou zijn voor de dapperen
tegen die onverwachte aanvallen.
175.Heilige offers in heidense tempels
beloofden ze soms; de zielverslinder bad men
om hulp bij deze hevige volksplaag.
Dat was wat zij gewend waren,
de hoop van heidenen; aan hel dacht men nu
180.in zijn gemoed; de Meester kende men niet,
had nooit gehoord van de Heer God, de Hoogste Rechter,
zelfs kon men de Almachtige niet aanbidden,
de Gever van glorie. Gruwelen zijn weggelegd voor hem,
die in nijpende nood laat neigen zijn ziel
185.naar de greep van het vuur. Geen troost is hem gegund,
geen wending te verwachten. Wel gaat het hem,
die na zijn verscheiden de Schepper kan zoeken,
en vragen om vrede uit de armen van de Vader.
Zorgen had zo de zoon van Halfdene
190.om die ellende, altijd. Die ramp afwenden
kon zelfs geen knappe held. De pijn was te kwetsend.
het langdurig leed, dat de lieden bereikt had,
grimmige gruwel, het grootste nachtelijk kwaad.
Thuis werd verhaald aan Hygelācs dienaar.
195.die dappere Gēat over de daden van Grendel.
Allen overtrof hij in dit aardse leven
in die tijd, door sterkte en kracht,
groots en nobel. Voor een goede golfdoorkliever
liet hij de kiel leggen, - verlangend, zo zei hij.
200.de koning te bezoeken over het zwanenpad,
de befaamde heer, want hij had mannen nodig.
Weinig bezwaar maakten wijze heren
tegen deze tocht,want ze mochten hem heel graag.
Ze spoorden de sterke aan; bestudeerden zijn kansen.
205.Hij koos een keurtroep aan krijgers.
de dappersten, die hij ontdekken kon,
uit het Gēatenvolk. Met veertien anderen vond hij
het zeewaardig hout, wees hun de weg
naar de voorste golflijn, de ervaren zeeman.
210.Korte tijd verstreek. Onder een klip lag de aak,
gleed in de golven. Graag gingen zij,
de strijders, de steven op. Stroming stond er,
zee tegen zand. In de scheepsbuik
werden prachtige pronkstukken geplaatst,
215.schitterend oorlogstuig; men schoof het de zee in,
dit goed gebouwd schip; geestdriftig stak men van wal.
Op weg over het water, de wind in het zeil,
voer het vlot, als een vogel, van voren met schuim,
tot op het juiste uur van de andere dag
220.de ronde boeg zover gereisd had,
dat ze land zagen liggen, de zeelieden,
steile bergen, blinkende klippen,
hoge kapen. De kiel had de zee doorkruist,
de reis was voorbij. Direct gingen toen
225.de Wedermannen de vaste wal op,
legden de landvast uit. Luid klonken maliën,
wapenrokken. God werd gedankt,
dat zij hun zeereis zo zorgeloos hadden volbracht.
Toen zag vanaf de steilte de Scyldingspost,
230.die wacht hield ter bewaking van de kust,
blinkend witte schilden van boord gebracht worden,
strijdgerei in gereedheid; razend benieuwd was hij
om te weten wie die mannen waren.
Hij reed op zijn ros naar de rand van de zee,
235.Hrōx gārs dienaar, - heftig in zijn hand
schudde een vervaarlijke speer - en vroeg formeel:
"Wie bent u wel, wapendragers,
beveiligd met maliënvesten, die over de vlakte der zee
hun zo hoge schip gestuurd hebben,
240.hierheen over de golven? Heel lang ben ik uitkijk
geweest, hield ik wacht langs het water,
dat geen overvaller een aanval kon uitvoeren,
geen vijandige vloot mijn vaderland schaden.
Openlijk als u ondernam nooit een oorlogvoerder
245.naar hier te komen; natuurlijk hebt u niet
de toestemming van mijn stam; de strijders hebben u
het wachtwoord wel niet gegeven. Geen waardiger man zag ik
ooit op aarde, dan die ene onder u,
die man in maliën; volgens mij geen kamerheer
250.in wapentuig, tenzij zijn trekken hem tegenspreken,
zijn schitterende verschijning. Ik sta er nu op,
uw afkomst te vernemen, voor u vanhier verder
het gebied der Scyldings gaat bespioneren.
Luister nu, zeelieden, uit landen ver weg,
255.hoe ik, in alle eenvoud er over denk:
zeer goed zou het zijn als u gauw besluit
uit te duiden, waar u vandaan komt."
Hem antwoordde de oudste strijder,
de groepsleider ontgrendelde de grens van zijn woorden,
260."Vrienden zijn wij van Hygelāc, als volksgroep
rekent men ons tot het ras der Gēats.
Mijn vader was befaamd onder de volken.
een nobele nestor, Ecgðēow genaamd.
Veel winters was hij met ons, voor hij wegging,
265.de oude, uit zijn woning. Elke wijze,
wie dan ook op aarde, weet nog goed wie hij was.
Wij menen het wel met onze komst naar uw meester,
Healfdenes zoon, de heer van het volk;
geeft u ons daarbij goede raad.
270.Een belangrijke boodschap brengen wij voor de beroemde
vorst der Denen. Niets ervan verdient, volgens mij,
verborgen te blijven. U weet best, of het
waar is, wat wij hoorden beweren,
dat onder de Scyldings een soort vijand,
275.een duister verderfzaaier, in donkere nachten
tomeloos geweld ten toon spreidt,
en dodelijk letsel toebrengt. Daarin kan Hrōx gar
in grootsheid van geest raad geven,
hoe die duivel afdoende te overdonderen,
280.- als er ooit komen moet verandering,
verlossing van het leed, in de ellende -,
en hoe die zee van zorgen tot staan kan worden gebracht;
òf men zal altijd ongeluk aanvaarden
moeten, miserie, terwijl dat machtige
285.huis daar het land beheerst op de hoogte."
De wacht antwoordde, onbevreesd dienaar,
sprak vanaf zijn zadel: "Zekerheid moet er
bij een verstandig strijder bestaan over daden,
over woorden, bij elk weldenkend man.
290.Ik hoor, dat deze groep de heer der Scyldings
vriendelijk gezind is. Vervolg dus verder
met wapens en rusting uw weg; wijzen zal ik ze u.
Ook zal ik mijn ondergeschikten opdracht geven
uw vlot tegen elke vijand,
295.uw pas geteerde aak op de oever,
in ere te houden, opdat opnieuw
het hout met sierlijke hals naar huis dragen zal,
door de zeestromingen, de dierbare strijder,
met die wakkere Weders, wie het gegeven is
300.ongedeerd de aanvalsgolf te overleven."
Vervolgens ging men op weg, - het vlot bleef achter,
het wijdspantig schip lag stevig aan het touw,
uit lag het anker. Ingelegd met goud
blonken afbeeldingen van beren boven
305.wangplaten, gehard in vuur, hoeders over leven
van hete strijdhoofden. Zij haastten zich, de mannen,
marcheerden samen op, tot zij de schitterende zaal,
grandioos met al zijn goud, het meest grootse bouwwerk
voor bewoners der aarde, waarnemen konden,
310.het stralendste onder de sterren, waar de sterke woonde;
veel landen bescheen het licht ervan.
De strijder wees hun toen de schitterende woonstede
der moedigen, zodat ze er makkelijk
konden komen. Een der krijgers
315.liet zijn strijdros keren, en sprak toen:
"Ik moet vertrekken. Moge de Almachtige Vader
uw onderneming doen eindigen zonder ongelukken,
in Zijn genade. Naar zee ga ik nu,
om wacht te houden tegen een wilde horde."
320.Het prachtige pad, met een plaveisel,
hield allen bijeen. Oorlogsmaliën blonken,
handgeklonken, hard, toen bij de hal zij
aankwamen in hun angstaanjagend harnas;
in hun rusting rinkelden ringen van ijzer.
325.Ze zetten, moe van de zee, de zeer grote schilden
met keiharde knoppen tegen de kant van het huis.
Men koos zijn plaats langs de kant. Maliënkolders weerklonken,
strijdgerei der mannen. Speren stonden er,
oorlogstuig van zeelieden, alles bij elkaar,
330.grijsgepunt essenhout; die afdeling
was waardig bewapend.
Verwaand vroeg een held
de uitdagers naar hun afkomst:
"Vanwaar vervoerde u de fraaie schilden,
muisgrijze maliën, en maskerhelmen,
335.die bende speren? Ik ben boodschapper
van Hrōgār, zijn helper, Geen dapperder lui
zag ik ooit in zulke aantallen van overzee.
Volgens mij kwam u niet voor verwoesting,
maar trots en hooghartig hierheen."
340.De door daden beroemde gaf daarop ten antwoord,
trots sprak toen tot hem de Wederman,
helm nog op het hoofd: "Tot Hygelācs tafelgenoten
behoren wij: Bēowulf is mijn naam.
Spreken wens ik de zoon van Healfdene,
345.beroemd regeerder, over de reden van mijn komst,
als uw goede meester ten minste wil toestaan,
ons gelegenheid wil geven hem te begroeten."
Wulfgar sprak toen - hij was een Wendel,
zijn inborst bekend bij velen,
350.zijn vechtlust en ervaring -. "Uw vraag zal ik
de vriend der Denen, de vorst der Scildings,
overbrengen, de uitdeler der ringen,
beroemd regeerder, omtrent uw reis,
en het antwoord onverwijld u bekend maken,
355.dat hij in zijn mildheid mij denkt te geven.
Snel ging hij staan waar Hrōgār zat
oud en eerbiedwaardig in zijn eigen groep volgers;
de dappere liep door, tot hij dicht bij hem stond,
bij zijn heer. Hij wist, hoe het hoorde aan het hof.
360.Wulfgār sprak tot zijn welbeminde leider:
"Er zijn hier heren, van heel ver gekomen
over de grote zee, uit het Gēatenvolk;
Bēowulf noemen de broeders in krijg
hun leider. Beleefd vragen zij,
365.dat u hun wilt toestaan met u van gedachten
te wisselen; wees welwillend
in uw antwoord, edele Hrōgār.
Aan hun oorlogsrusting te zien, acht ik hen allen
respect waardig. Wat is die leider
370. voortreffelijk, die de vechters hierheen gevoerd heeft."
Hrōgār sprak, beschermer der Scyldings:
"Ik heb hem gekend, toen hij kind was;
Ecgþēo heette zijn oude vader;
ten huwelijk gaf hem Hrēel der Gēats
375.zijn enige dochter; diens zoon, de dappere,
is hier gekomen, kwam opzoeken een echte vriend.
Verder zeiden de zeelieden,
die giften voor de Gēats naar hen hebben
gedragen als dank, dat hij wel van dertig man
380.de kracht heeft, de door krijg beroemde,
in zijn hand. De Heilige God heeft hem zeker
als ondersteuning naar ons toegestuurd,
naar de West-Denen - zo verwacht ik -,
tegen Grendels wandaden. Voor zijn dapperheid
385.zal ik die uitstekende man schatten aanbieden.
Zeg hen hier binnen te komen, - haast u nu snel -,
om te ontmoeten de aanverwanten allen samen.
Zeg hun ook met zoveel woorden, dat zij welkom zijn
bij het volk der Denen". De wijdvermaarde held
390.kwam toen naar de deur en kondigde aan:
"Mijn zegerijke heer laat u zeggen,
de oudste der Oost-Denen, dat hij uw afkomst kent,
en dat hij u welkom heet, wakkeren van geest,
hierheen gekomen over de klotsende zee.
395.Met maskerhelmen op moogt u allen nu
in het harnas gehuld, Hrōgār gaan begroeten;
laat schilden en speren van hout
hier afwachten het einde van het onderhoud".
De machtige stond op; mèt hem menig krijger,
400.de grootse groep volgers; enkelen gingen niet mee,
op bevel van de sterke, om het strijdgerei te beschermen.
Zij haastten zich samen Hēorot binnen,
hij wees hen de weg; de wakkere strijder ging voor,
tot hij stond binnenshuis, de sterke met zijn helm.
405.Bēowulf sprak, op hem blonk het maliėnvest,
strijdkleed, samengesteld door kundige smidshanden:
"Gegroet, Hrōgār! Ik ben Higelācs
verwant en volgeling; veel fameuze daden
heb ik als opgroeiend man ondernomen.
410.Zeer duidelijk werd mij thuis die zaak tegen Grendel;
zeelieden zeiden, dat deze zaal hier,
de voor aanvallers allerbeste hal,
nutteloos en leeg is, als het licht der avond
de heldere hemel verholen heeft,
415.De raad van de mensen rondom mij,
wijze kerels, die het heel wel wisten,
was, dat ik u, heer Hrōgār, op moest zoeken,
want zij kenden mijn kracht en macht.
Zij keken zelf toe, toen ik terugkwam uit de krijg,
420.bedekt met vijandenbloed - vijf bond ik er vast,
ik vernietigde een nest reuzen, en sloeg daar 's nachts
monsters in de golven neer; ik maakte ellende mee,
ik wreekte het leed der Weders - ze wensten die pijn -,
vernietigde vijanden. En met de vervaarlijke
425.zal ik nu alleen aanbinden de strijd,
dat gedrocht Grendel. Daartoe wens ik u
regeerder over Glorie-Denen, slechts één gunst
nu te vragen, vorst der Scyldings,
dat u, beschermer der strijders, mij niet ontzegt,
430.nobele vriend van het volk, nu ik van zover ben gekomen,
dat het mij toegestaan is met deze troep dapperen,
met deze groep volgers, Hēorot van vuil te ontdoen.
Ook is het mij ter ore gekomen, dat dat onhebbelijk monster
in zijn woestheid geen wapens wenst te gebruiken.
435.Ik zal er dan ook van afzien (dat Higelāc,
mijn vorst, mij dat niet kwalijk neme),
om ik een schild met gele rand ten strijde te dragen,
een zwaard of beschermschijf: met blote hand zal ik
vechten met de vijand met als inzet: leven,
440.strijder tegen strijder. Bij Gods beslissing
dient hij zich daar neer te leggen die de dood neemt.
Volgens mij wil hij, als het in zijn macht ligt,
opvreten onbevreesd het volk der Gēats
hier in de strijdhal, bloem der Hrēmannen,
445.zoals hij zo dikwijls deed. Mijn hoofd bedekken
hoeft u geenszins, want hij zal mij hebben,
badend in bloed, als de dood mij wegneemt;
hij versleept het bloederig lijk, verslinden wil hij het,
onbevreesd eet hij, die altijd alleen gaat,
450.maakt vuil vluchtplaatsen op de hei. Voor de voeding
van mijn lichaam hoeft u niet langer te zorgen.
Stuur Hygelāc, als de strijd mij neemt,
dit beste der harnassen, dat mijn borst beschermt,
dit voortreffelijkste hauberk; het is een erfstuk van Hrædla,
455.het werk van Wēland. Waar het wil, gaat het lot, altijd.
Hrōgār sprak, hoeder der Scyldings:
"Vroegere voorvallen, mijn vriend Bēowulf,
hebben u haast verplicht ons hier te komen helpen.
Uw vader veroorzaakte die vete, zeer beroemd.
460.Heaþolāf werd door hem met de hand gedood
bij de Wilfings. Toen kon het Wederras
hem niet meer bij zich hebben, bang voor oorlog.
Vandaar voer hij naar het volk der Zuid-Denen,
nobele Scyldings, zwalkend over zeegolven;
465. toen juist besteeg ik de troon van het Denenvolk,
en, als knaap, was ik koning over de krijgersburcht,
het grote rijk. Heregār was gestorven toen,
mijn oudste broer overleden,
Healfdenes zoon; hij was beter dan ik!
470. De vete legde ik later met waardevols bij;
de Wylfings stuurde ik over de waterrug
aloude sieraden; hij zwoer mij met eden.
Ik spreek met smart in het hart, als ik zeg,
tegen wie dan ook, wat Grendel me aan kwaads
475. heeft uitgedacht in Heorot, uit haat,
met zijn snelle aanval. Mijn halbezetting,
oorlogsgroep, is uitgedund; in Grendels angstbewind
sleepte het lot hen weg. Hem doen ophouden,
die dolle doder, met zijn daden, kan God makkelijk.
480. Heel vaak, de kroezen in de hand,
beweerden de vechtersbazen, bier-dronken,
dat zij in de drankzaal de strijd met Grendel
wilden afwachten met vervaarlijke zwaarden.
Dan was deze drinkhal bij het dageraadslicht,
485.de zaal der strijders, besmeurd met bloed;
stervensvocht vloeide over heel de zitvloer,
vol bloed de hal; vrienden had ik des te minder,
dierbare soldaten, die de dood had weggevoerd.
Neem plaats nu aan het banket, ontbind uw gedachten,
490.gloriedaden, zoals uw geest u ingeeft."
Er werd, voor de Weders, allen bijeen,
een bank geruimd in de bierzaal;
daar gingen ze zitten, de dapperen,
welbewust van hun waarde. Een dienaar wist zijn plicht:
495.hij bracht in zijn hand een prachtige drinkbeker,
schonk een heldere, zoete drank. Soms zong de skald,
helder in Heorot. De helden waren vrolijk,
de geenszins kleine groep Denen en Weders.
Unferðđ sprak, Ecglāfs zoon,
500.aan de voeten van de vorst der Scyldings,
zei wat hem hoog zat - het waagstuk van Bēowulf,
de dappere zeevaarder, was hem een doorn in het oog -,
want hij wenste niet, dat wie dan ook
op de aardschijf ooit meer achting
505.zou behalen onder de hemel dan hij zelf -:
"Ben jij die Bēowulf, die met Breca streed,
op de open zee, zwom om het hardst,
waar uit eerzucht beiden de onbekende zee in gingen,
en het leven waagden in het diepe water,
510.uit dolle opschepperij? Afhouden kon jullie
vriend noch vijand van die vreselijke tocht,
zodra jullie twee op zee aan het zwemmen waren;
daar sloegen jullie op de stroom,
overzwommen de oceaan; armen flitsten,
515.jullie gleden over de golven; de grauwheid kolkte;
een wintervloed. Op het water zwoegden jullie
zeven nachten. Hij overtrof jou in het zwemmen,
had de meeste kracht. Bij de Heaþo-Ræmen
spoelde de zee hem 's morgens aan;
520.vandaar ging de vriend van zijn volk,
naar Brondingland, eigen geboortegrond,
de fraaie vrijstad, waar hij zijn volk wist,
stad en sieraden. Bēanstāns zoon
maakte wat hij tegen jou beweerd had geheel waar.
525. Daarom verwacht ik voor jou een vreselijker afloop,
ook al overleefde je overal aanvalsstormen,
een grimmiger gevecht, als je Grendel
een nacht lang van nabij durft meemaken."
Bēowulf sprak, Ecgēows zoon;
530."Wat! Heel veel heb jij, mijn vriend Unferð,
dronken met bier, daar over Breca gezegd,
gesproken van zijn tocht. Ten stelligste beweer ik,
dat ik groter kracht had in de golven,
zwaarder problemen op zee, dan enig ander.
535.Wij twee zeiden, en beweerden ten stelligste
als jongens, - jeugdig waren wij nog,
alle twee -, dat wij beiden buiten op de oceaan,
ons leven zouden wagen, en zo deden we ook.
In de hand hadden we een zwaard, hard en naakt,
540.toen we zwommen op zee; als afwering tegen walvissen,
meenden we; geen meter kon hij van mij
afzwemmen, over de oceaangolven,
sneller zijn op het water, noch wilde ik weg van hem.
Samen waren wij op zee toen,
545.vijf nachten lang, tot een vloed ons uiteendreef,
water woelde, het weer was zeer koud;
nacht daalde neer, en de noordenwind
blies bijtend in het gezicht; ruw waren de baren.
De zeevissen raakten flink uit hun humeur;
550.hulp gaf daar mijn harde, handgeklonken
maliënkolder mij tegen (machtige) vijanden,
het goed geweven oorlogskleed, met goud bewerkt,
bedekte mijn borst. Een boosaardige aanvaller
greep mij grimmig vast, trok mij te gronde;
555.maar het werd mij gegeven het monster
met de spits te raken, met het strijdzwaard.
Volledig verwoestte strijdgewoel
het machtige zeedier, door mijn hand.
Zo zaten er vaak slecht willende schurken
560.mij dicht op de huid. Die diende ik dan
met mijn heerlijke zwaard, zoals dat hoorde.
Vrede kenden ze volstrekt niet over een feestmaal,
de booswichten, waar ze mij zouden opvreten,
bij de zeebodem aanzitten aan een banket.
565.Maar in de morgen, gewond door mijn wapens,
lagen ze boven water aan de golflijn,
door mijn zwaarden gedood, zodat ze daarna
voor de zeevaarder de doorgang niet meer versperden
in het oprijzend water. Uit het oosten kwam licht,
570.helder baken Gods; de baren rustten,
zodat ik zien kon de zeekapen,
winderige rotswallen. Welgezind is het lot hem
die niet ten dode gedoemd is, als hij dapper is.
Toch viel het me ten deel, met het zwaard te treffen
575.negen watermonsters. Nooit heb ik iets vernomen
van harder vechten bij nacht onder het hemelgewelf,
of van een ellendiger man in de waterstromen.
Desondanks ontsnapte ik aan de greep van aanvallers,
moe van mijn reis. Toen bracht me de zee,
580. de voortstromende vloed, naar het Finnenland,
de kokende kolken. Van een dergelijk conflict
heb ik over jou nooit iets horen verhalen,
van zon zwaardenslag. Breca heeft in de strijd
nog nooit, hij niet, noch jij,
585.zo dapper een daad verricht
met schitterende zwaarden - ik poch niet op die strijd -,
waar jij moordenaar werd van je naaste verwanten,
je broers. Al ben jij buitengewoon slim: je zult
in de hel daarvoor verdoemenis moeten verduren.
590.Ik zeg je beslist, zoon van Ecglāf,
dat Grendel nooit zoveel gruwelijke dingen had gedaan,
akelig monster, tegen jouw meester,
ellende over Heorot, als jouw hart,
jouw geest, zo strijdvaardig was, als je zelf beweerde;
595.maar hij heeft gemerkt, dat hij van jouw mensen
geen vervaarlijk gevecht te vrezen heeft
geen zwaardenslag met de Zege-Scyldings.
Hij neemt wat hem nodig dunkt, niemand spaart hij
van het Denenvolk, maar leeft in lustvreugde,
600.verzwelgt wat hij doodt, verwacht van Wapen-Denen
geen strijd. Maar ik zal hem, zeer spoedig nu,
de macht en moed der Gēats laten merken,
oorlogskracht. Wie kan, zal daarna komen,
moedig, naar de mededrank, als het morgenlicht
605.'s anderendaags schijnt over de mensenzonen,
de zon met schitterend kleed uit het zuiden!"
Vol vreugde was toen de verdeler van rijkdom,
de grijsaard, roemrucht vechter; op hulp rekende
de vorst der Glorie-Denen; de voogd van het volk merkte
610.bij Bēowulf een vastberadenheid.
Gelach klonk er van strijders, vrolijk lawaai,
vriendelijk waren de woorden. Wealhþēow stond op,
de vrouw van Hrōgār, attent op de omgangsvormen,
de goudgetooide begroette de groep mannen in de hal,
615.en de voortreffelijke vrouw gaf de volle beker
eerst aan de landvoogd der Oost-Denen,
wenste hem vrolijkheid bij het bierfestijn,
en geliefd zijn bij zijn lieden. Hij nam wat hij lustte
van voedsel en drankvocht, de victoriekoning.
620.De Helmingsvrouwe haastte zich rond toen langs
allen, oud en jong, gaf aan ieder
mooi bewerkte drinkmokken, totdat het moment kwam,
dat zij, de ringendraagster, voortreffelijk van hart,
naar Bēowulf de bierpul toebracht.
625.Zij begroette de prins der Gēats, dankte God
met wijze woorden, dat haar wens was vervuld,
dat zij in enig strijder haar vertrouwen kon stellen,
tot troost bij misdaden. De onstuimige strijder
ontving die volle beker van Wealhþeo.
630. en met een toespraak, tot strijd gereed,
sprak Bēowulf, zoon van Ecgēow:
"Van plan was ik, toen ik het water op voer,
in de zeeboot mij neerzette met mijn schare mannen,
volledig de wens van uw volk
635.uit te voeren, ofwel vast in de vijandelijke greep
te sterven in de slag. Ik zal in deze medehal
roemruchte daden verrichten,
ofwel er afwachten het einde, mijn sterfdag".
Die woorden kwamen goed over bij die vrouw,
640.de grootspraak der Gēat; de goudgetooide ging
naast haar heer neerzitten, de nobele koningin.
Als tevoren werd opnieuw in de hal
die toespraak besproken, in opgewekte stemming,
zegevierders zwegen niet, tot de zoon van Healfdene
645.ineens op wilde zoeken zijn avondrust;
hij wist dat die vreselijke vastbesloten was
een aanval te openen op die hoge zaal,
vanaf sinds zij het zonlicht hadden kunnen zien
tot duistere nacht kwam neerdalen over allen,
650.schaduwvormen kwamen aangeslopen,
zwart onder het zwerk. De groep stond als geheel op.
De ene groette de ander, Hrōgār
wenste Bēowulf macht over de wijnhal,
succes, en sprak de woorden:
655."Sinds ik hand en schild opheffen kon,
heb ik nooit tevoren de Denenhal toevertrouwd
aan iemand anders dan uitgezonderd u.
Houd in uw hand, behoed nu, het beste der huizen.
Denk aan vermaardheid, toon uw machtige kracht,
660.waak tegen vijanden: "Wat u wenst zal niet ontbreken,
als u dat erewerk overleven zult:"
Hrōgār ging toen met zijn groep strijders
de hal uit, de behoeder der Scyldings;
de gevechtsleider wilde Wealhþēo opzoeken,
665.zijn gade, als bedgenoot. Tegen Grendel
had de Glorieuze koning, zo kwam men te weten,
een zaalwacht neergezet; speciaal het leven der Denen
bewaakte hij; hij wachtte op de reus.
Met Gods genade stelde de Gēatenprins
670.zijn vertrouwen totaal op moed en sterkte.
Hij ontkoppelde toen de ijzeren kolder,
de helm van het hoofd; aan zijn helper gaf hij
zijn versierde slagwapen, een keurzwaard,
en gaf opdracht zijn oorlogsrusting in het oog te houden.
675.Toen volgde de trotse woorden van de dappere,
Bēowulf der Gēats, voor hij naar bed ging:
"Niet minder is mijn strijdkracht meen ik,
mijn gevechtservaring, dan Grendel vindt van de zijne;
daarom zal ik hen niet doden met het zwaard,
680.het leven ontnemen, ook al zou ik kunnen;
hij kent de edele kunst niet, mijn kant op te slaan,
mijn schild in stukken te hakken, hoewel zijn strijdervaring
berucht is; beiden zullen wij, echter, ontberen
het zwaard, 's nachts, zo hij zoeken durft
685. een slag zonder wapen, en de Wijze God zal dan,
de Heilige Heer, aan die hand
luister verlenen wie het Hem passend lijkt'.
Hij vleide zich neer toen, de vechter; het kussen ontving
het gelaat van de held, en om hem heen
690.legden veel zeelieden zich op hun legers.
Geen hunner geloofde ooit, daar uit te geraken,
weer op weg te gaan naar zijn geliefde geboortegrond,
volk of vrijburcht, waar hij opgevoed was;
want hun was gemeld, dat de moordende dood
695.had weggevaagd in die wijnhal veel te veel
van de Denenstam. Maar steun en troost
gaf God hen daar, het Wedervolk
succes in de strijd, zodat zij hun vijand
allen overwonnen door de kracht van één man,
700.zijn eigen macht. Wat gezegd wordt is waar,
dat de machtige God de mensheid eeuwig bestiert.
In donkere nacht kwam hij aangestapt
de schaduwganger. De schutters sliepen,
die dat gevelhuis behoeden moesten,
705.allen op één na. Overduidelijk wist men,
dat God niet gedoogde, dat die duivel
hen wegslepen zou de schaduw in.
Maar wakker was hij, woest en woedend,
verbolgen verbeidde hij de beslissing van het gevecht.
710. Uit het moeras kwam onder mistbanken door
Grendel gestapt; Gods gram droeg hij.
De doder dacht van het mensdom er een
te verschalken in de schitterende zaal.
Hij waadde onder de wolken, tot waar hij de wijnhal,
715.het gouden mannenhuis, heel precies wist te staan,
ingelegd met ornamenten. Niet de eerste keer was het,
dat hij het huis van Hrōgār bezocht;
een harder gelag had hij, in heel zijn leven
eerder noch later, ooit gevonden, noch halofficieren.
720. Boos en al ging hij naar het gebouw, de vechter. Open vloog de deur, met in vuur verstevigde,
geharde banden, toen hij hem met zijn handen raakte;
de kwaadwillende zwaaide open, ziedend van woede,
de mond van het gebouw. Meteen daarna
725.betrad de vijand de glimmende vloer,
boos kwam hij binnen; uit zijn ogen blonk
luguber licht als een vlam.
Hij zag in de zaal menig strijder in slaap,
de groep getrouwen vergaderd in rust,
730. de hoop jonge helden. In zijn hart lachte hij:
voor de dageraad aanbrak, dacht hij wel,
dat akelig monster, bij elkeen van hen
leven te scheiden van lichaam, zodat hem gelukt zou zijn
wat hij wilde: een weelderig maal. Het lot wenste niet
735. dat hij er nog meer van de mensheid zou meenemen
na deze nacht. Higelācs nazaat
uiterst sterk, overzag, hoe die aartsschurk
zich zou gedragen met snelle aanvallen.
Dat duivelse monster dacht niet aan dralen,
740.maar meteen nam hij als eerste een man
in zijn slaap, verscheurde hem onstuitbaar,
beet in spierbundels, dronk bloed uit de aderen,
verzwolg hem met reuzenhappen; spoedig had hij
de levenloze totaal verslonden,
745.zelfs voeten en vuisten. Meer naar voren stapte hij,
greep met zijn hand de held op het bed,
de vastberadene. De vijand strekte zijn vingers
uit naar hem; onmiddellijk ontving hij hem
met vijandige inzet; op zijn elleboog hief hij zich.
750.Meteen merkte hij, het misdaadbrein,
dat hij op de aardschijf geen ander
man had ontmoet met machtiger greep,
in geen wereldstreek; schrik sloeg
hem om het hart. Hij ging echter niet.
755.Zijn hart wilde weg, naar een wijkplaats,
zoeken de duivelskring; zijn gedrag was anders
dan hem ooit overkomen was in zijn aards bestaan.
Toen dacht Higelācs zoon, de dappere,
aan zijn rede die avond, rees rechtop
760.en vatte hem vast; vingers knapten;
de gigant ging naar buiten, met grote stappen ook de strijder.
De fameuze dacht zo verder te vluchten,
als dat al kon, en te ontsnappen
naar de veiligheid van het ven; de kracht in zijn vingers wist hij
765.in de greep van de grimmige. De gang naar Heorot
was een trieste tocht voor die doortrapte schurk.
De grootse zaal weergalmde; angst greep allen aan,
de dappere Denen, iedere held.
burchtbewoner. Boos waren beiden,
770.woedend de wachters over het huis. De hal weerklonk.
Toen was het waarlijk een wonder, dat die wijnhal
het uithield tegen heftige strijders, dat het niet op de aarde viel,
het fraaie bouwwerk; maar vast was het
van binnen en buiten met banden van ijzer
775. verankerd door vaardige smidshand. Op de vloer stond
menige medebank naar mij verteld is,
met goud ingelegd, waar de grimmigen streden.
Tevoren hadden de wijzen der Scyldings niet bevroed,
dat een man ooit op enigerlei wijze
780.het gebouw met prachtig balkwerk kon breken,
het volledig verwoesten; tenzij vuur het
verzwelgen zou in vlammen. Vaak klonk
opnieuw geluid: akelige angst
overviel de Noord-Denen, elk van hen,
785.die van de wand het geweeklaag hoorde,
het gruwelijk geluid van Gods vijand,
klanken zonder uitkomst, het gekerm over de wond
die van de mensen in macht het sterkst was
790. op die dag van dit leven.
De behoeder der helden wilde geenszins
in leven laten de moordende lastpost,
noch deze zijn leven van nut laten achten
voor iemand van het volk. Zeer vaak trok daar
795.een strijder van Bēowulf het zwaard, een erfstuk,
ter verdediging van zijn dierbare heer,
luisterrijk leider, zo hem dat al lukken zou.
Niet wisten zij, - de ongenaakbare
vechtersbazen zonder vrees,
800.die links, rechts raak wensten te slaan,
zielen te zoeken -, dat zon gedrocht
geen ijzer op de aardschijf, hoe uitgelezen ook,
geen dodelijk zwaard te duchten had;
want afgezworen hadden zij zegewapens,
805.elk scherp van de snede. Zijn scheiden van leven
op die dag van zijn bestaan
zou erbarmelijk zijn, en dat buitenaards wezen
zou ver reizen naar de macht van de vijanden.
Toen ondervond hij, die tevoren vaak
810.de zielenrust bij de mensheid verstoord had,
gruwelijkheden begaan - zijn gram was tegen God -,
dat zijn lichaam hem geen hulp kon geven,
maar dat die moedige nazaat van Hygelāc
hem bij de handen had. De een stond de ander
815.naar het leven. Lichaamspijn schoot door
het afschuwelijk schepsel; aan zijn schouder ontstond
een gapende wond, pezen wrikten zich los,
botkapsels barstten; aan Bēowulf werd
glorie gegeven in gevecht; Grendel moest daarvandaan
820.vluchten, dodelijk gewond, naar de veiligheid in het ven,
terug naar zijn troosteloos hol. Al te goed wist hij,
dat zijn leven nu liep op het eind,
de dagen geteld. Voor alle Denen
was de wens vervuld na dat gevecht vol bloed.
825.Gereinigd had hij, de reiziger van ver,
sterk van hart, verstandig, de zaal van Hrōðgār,
haar beschermd tegen schending. Vreugde schonk hem de roem,
het werk in de nacht. Het woord was nu waar,
dat de Prins der Gēats had gepocht tegen de Oost-Denen,
830.verzacht had hij de smart totaal,
het verdriet, dat zij daarvoor dragen
en gelaten lijden moesten;
levensgroot leed. Duidelijk lag daar een teken,
nadat de held de hand had neergelegd,
835.arm en schouder - alles was bij elkaar
van Grendels klauw - onder het grote dak.
's Morgens was daar menige held,
naar ik hoorde, bij de hal der giften.
Volksleiders kwamen van ver en nabij,
840.van wijd weg om het wonder te zien,
de sporen van de schurk. Zijn scheiden van leven
was zeer welgevallig voor wie ook der mannen,
die aan de afdruk van de eerloze zagen,
hoe hij, op zijn aftocht, uitgeblust
845.en overmand door misère, in het meer der monsters
bloedsporen naliet, bijna dood, vluchtend.
Water welde wild van bloed,
gruwelijk gutsten golven doorheen,
kokend met stolsels kolkte het meer;
850.de gedoemde dook weg, tot hij, desolaat,
in de veiligheid van het ven, het leven opgaf,
zijn heidense ziel; hel ontving hem daar.
Toen kwamen weer kameraden van vroeger
en menig jonge man op hun merries gereden
855. terug van hun tocht naar het meer, tevreden en blij,
de strijders op hun schimmels. Men sprak de roem
van Bēowulf. Steeds werd er beweerd,
dat tussen de zeeën, zuid noch noord,
over de aarde, er niet één ander
860.onder het hemeluitspansel een uitzonderlijker
schilddrager was, waardiger tot een rijk.
- Zij hadden geen enkele aanmerking op hun vorst,
de grootmoedige Hrōgār, een goed koning was hij. -
Soms gingen de geroemden in de strijd tot galop over,
865.lieten hun vale vossen vliegen om het hardst,
waar hun de wegen welbewerkt voorkwamen,
bekend om hun kwaliteit. Een koningsdienaar,
een gloriebeladen man, goed in spreken,
die ontzettend veel oude sagen
870.zich wist te heugen, verwoordde opnieuw
de werkelijkheid; weer ving hij aan
Bēowulfs tocht treffend te bezingen
en met succes te spelen met woorden,
behendig te verhalen; horen liet hij hun alles,
875.wat hem gezegd was over Sigemunds
moedige daden, onmetelijk veel,
het gevecht met Wælsing, de verre reizen,
die de mensenzonen zeker niet kenden,
de vete en het verraad, Fitela dan daargelaten,
880.maar ja, altijd sprak hij iets in die richting,
de oom over zijn schoonzoon, immers altijd waren zij
elkaars toeverlaat in iedere strijd;
gedood hadden zij drakenrassen
met hun zwaard. Na zijn sterven
885.werd Sigemund zeer geprezen,
nadat de onversaagde omgebracht had
de worm, wachter over goud; hij waagde het
alleen, zoon van een edelman, onder de grijze steen,
die onvervaarde daad, en Fitela was niet bij hem;
890.>toch werd hem geschonken, dat het zwaard in tweeën spleet
die wonderlijke worm, het in de wand zich vastbeet,
het geduchte ijzer. De draak stierf de dood.
De heroïsche held had het nu voor elkaar,
dat hij de rijkdom aan ringen gebruiken kon
895.naar eigen believen; hij laadde zijn zeeboot,
droeg schitterende sieraden het scheepsruim in,
de zoon van Wæls. De worm smolt in zijn hitte.
Veruit de meeste faam bij het volk had hij
van alle helden, behoeder der strijders,
900.vanwege zijn wakkere daden - wel was het hem bekomen,
toen Heremōds aanval een halt was toegeroepen,
zijn macht en moed. Te midden der Ēotens
viel hij door verraad in vijandelijke handen
en werd daarop gedood. De druk van zorgen
905.was hem te lang; hij werd voor zijn volk,
voor alle helden, een hevig hartzeer;
betreurd werd zo telkenmale
het lot van de moedige door menig wijs man,
die in hem had gehoopt op herstel uit dat kwaad,
910. die zoon des prinsen had succesvol moeten zijn,
zou ontvangen zijn vaders rang, over het volk regeren,
over schat en vesting, vorst zijn over het heldenrijk,
geboortegrond der Scyldings. Bēowulf werd daar
overal en voor ieder acceptabeler,
915.hij, de verwant van Higelāc. Hem greep de zonde.
Om strijd lieten zij soms over zandwegen
hun rossen rijden. Ras kwam en ging
het morgenlicht. Menig moedig man kwam
om in die hoge zaal te bezichtigen
920.die merkwaardige zaak; ja, zelfs de wachter der schat,
de koning zelf, kwam uit de kamer van zijn gade,
voort schreed de befaamde, door een schare volgers omringd,
vermaard om grootsheid; en naast hem ging zijn gemalin
over het pad naar de hal, door hofdames begeleid.
925.Hrōgār hief aan, - naar de hal ging hij,
ging staan op de verhoging, zag het steile dak,
glanzend met goud, en Grendels hand - :
"Danken wij direct voor dit schouwspel
de Heer onze God. Gruwelijkheden van Grendel
930.zonder tal maakte ik mee; moge Hij eeuwig
wonder op wonder verrichten, de Wachter des hemels.
Nog onlangs leek mij verlichting der rampen
nooit en te nimmer nabij te zijn,
toen met aderenvocht bevuild stond
935. het beste verblijf, met bloed besmeurd,
een enorme ellende voor alle raadsleden,
die niet denken konden, dat zij ooit nog
de volksschans beschermen konden tegen
duivels, demonen vol haat. Die daad, waartoe wij
940.eerder met zn allen onmachtig waren,
heeft nu met 's Heren hulp hij daar verricht,
die strijder. Waarlijk, zeggen kan de vrouw,
wie het ook was, die ter wereld bracht
zo'n zoon, mits nog niet gestorven,
945.dat haar de aloude God gunstig gezind was
bij het baren. Bēowulf, ik zal jou nu,
beste kerel, koesteren als mijn zoon
in mijn hart. Houd deze band
altijd in ere. Geen enkel werelds genoegen,
950.mits binnen mijn macht, moge jou ontbreken.
Beloning voor lutteler zaken verleende ik vaak,
eregiften gaf ik aan een armzaliger man,
zwakker in de strijd. Zelf hebt u
door daden bereikt, dat uw roem zal leven
955.eeuwig voor altijd. Dat de Almachtige het u
vergelde met goedheid, zoals Hij tot heden heeft gedaan! "
Bēowulf sprak, zoon van Ecgēow:
"Welwillend hebben wij dit werk van eer
verricht, dit gevecht, riskeerden wij onbevreesd
960.de greep van de griezelige. Gaarne wenste ik,
dat u hem zelf gezien had,
die vijand geveld in gevechtskleed:
snel dacht ik hem op zijn stervensbed
te binden met banden onbreekbaar,
965.dat hij in doodsstrijd daar liggen zou
- tenzij hij nog ontkwam - onder mijn greep.
Hem weerhouden van weggaan - dat wilde God niet-,
noch kon ik hem genoeg neer houden,
die doodsvijand; daarvandaan te gaan was zijn
970.krachtige wens. Maar zijn klauw liet hij achter
- liever leefde hij -: daar lag nog
de schouder en arm; soelaas kocht hij er
op geen enkele wijze mee, dit ellendige wezen;
hij leefde niet lang meer, neergelegd in de strijd,
975. dat walgelijk wezen; want een wond had hem
vrijwel geveld, in vaste greep,
in ketens geklonken; daar kan afwachten
die man, schuldig aan moord, het machtig gericht,
hoe de Heer der Glorie hem zal veroordelen."
980.Stiller werd de strijder, zoon van Ecglāf,
in zijn ijdele woorden over oorlogsdaden,
toen de menigte prinsen door de moed van die held
de hand zagen, tegen het hoge dak,
de vingers van de vijand; vooraan elk ervan
985.stak een stevige nagel, staal gelijk,
een hoornen klauw van de krijger,
ongehoord, afschuwelijk. Ieder zei,
dat hem geen zwaard van strijders, hoe goed ook,
treffen wou, kon toetakelen die hand,
990.bedekt met bloed van dat duivelse monster.
Gauw moest toen Heort met handen van binnen
verfraaid worden; veel vrouwen waren er
en mannen, om te ordenen de ontvangsthal,
de wijnzaal. De wanden schitterenden van het goud
995.der tapijten, een prachtig gezicht
voor elk der vele mannen, die het oog daarheen wendde.
Behoorlijk gehavend was binnen heel het gebouw,
hoewel ijzeren banden het bijeen hielden,
de hengsels kapot. Heel bleef enkel
1000.het dak, toen dat duivelse monster
vluchten ging, vrezend voor zijn leven,
met misdaad beladen. Moeilijk is het
er weg van te vluchten - wie wil mag het doen -,
immers, altijd komt men uit bij de plaats
1005.die klaar ligt voor landbewoners,
zonen van mannen, zielendragers,
waar het lichaam ligt in het leger des doods,
vast in slaap na het feest.
Geschikt was het moment,
dat Healfdenes zoon naar de hal toe ging;
1010.zelf delen in de feestdis, dat was 's konings wens.
Geen natie gedroeg zich nobeler, naar ik hoorde,
in groter getale jegens hun gever van rijkdom.
De zegepralers zetten zich op de bank,
onder de indruk van de overvloed.
1015.Menige medebeker nam men vrolijk tot zich
in die hoge zaal, zoon en oom, de dapperen,
Hrōgār en Hrōulf. Heorot was binnen
met vrienden gevuld. De VolksScyldings
pleegden vooralsnog geen verraderlijke daden.
1020. Hrōgār gaf Bēowulf een gouden banier,
een fraaie gevechtsstandaard, een vest van maliën,
als eerbetoon voor zijn overwinning.
Menigeen zag hoe het mooie, vermaarde zwaard
naar de strijder gebracht werd. Bēowulf ontving
1025.de beker in de hal; hij hoefde zich niet
te schamen voor het oog van strijders geschenken te krijgen;
vriendelijker heb ik vier kostbaarheden,
van goud vervaardigd, aan geen andere mannen
daar aan horen bieden op de bierbanken.
1030. Rond de helm, om het hoofd te beschermen,
zat een uitsteeksel, omwonden met draden,
zodat zwaarden hem in de storm van het gevecht
slechts weinig zouden schaden, als de schildstrijder
op weg moest gaan, naar de gramstorige.
1035. Een achttal paarden met prachtig gouden halster
liet hun behoeder de hal toen binnenleiden,
de omheiningen in. Op een ervan lag
een zadel, rijk versierd, smaakvol bekleed;
van daar af vocht de verheven koning,
1040.als de zoon van Healfdene het zwaardenspel
wilde verrichten - zijn wijdbekende kracht
faalde nooit vooraan, bij het vallen der lijken.
Aan Bēowulf werd toen over beide ervan
de macht verleend door de leider der Ingwins,
1045.rossen en rusting. Zijn raad was: goed gebruiken.
Zo mannelijk beloonde de vermaarde prins,
schatbehoeder der strijders, stormen van gevecht,
met rijpaarden, rijkdom, dat een rechtschapen man
nooit iets ervan te na kan spreken.
1050.De eerste der strijders gaf ieder van hen,
die met Bēowulf de baren hadden bereisd,
op de medebank machtige geschenken,
aloude erfstukken, en voor die ene liet hij
goud geven, die Grendel tevoren
1055. moorddadig had gedood - dat was bij meer zijn plan,
maar dat lot werd hun belet door de Alwetende,
en de moed van die man. De mensheid was
geheel in Gods hand, en Hij heeft haar daar nog.
Inzicht is dus overal het gunstigst,
1060.beraad met de rede. Veel rest hem nog,
aan lief en leed, die lang moet leven
op deze wereld in zulke dagen van strijd.
Zang en spel werden samen aangevangen
voor Hrōgār, Healfdenes generaal,
1065.het vreugdehout gehanteerd, ten gehore gebracht menig lied,
toen zijn skald zingen ging ter verstrooiing der zaal,
zijn liederen liet klinken langs de medebank
over Finns mannen, toen het vreselijk lot hen trof,
strijders der HalfDenen, dat Hnæf der Scyldings
1070. op het Friese veld van eer vallen zou.
Bepaald niet hoefde Hildeburh te prijzen
de trouw der Ēotens; onschuldig aan het feit,
dat zij ontdaan werd van dierbaren in de slag,
broeder en zoon; de speer verwondde hen,
1075. vallen was hun lot; die vrouw was vol smart.
Niet voor niets werd het noodlot des doods
betreurd door Hocs dochter, toen de ochtend kwam
en zij in de open lucht aanschouwen kon
verwanten vermoord, waar zij zich vroeger
1080. zeer had vermaakt. Slechts op enkelen na
vaagde de strijd hen weg, al Finns volgers,
zodat hij geenszins tegen Hengest
krijg voeren kon, op de kampplaats,
noch de overlevenden uit de oorlog redden kon
1085 voor de volger van de prins; een pact werd hun geboden,
dat zij een andere zaal zouden ontruimen,
een hal en verheven zetel, zodat zij halve macht
uitoefenen konden naast de Ēotenzonen,
en dat de Denen dagelijks door Folcwada's zoon
1090.geëerd zouden worden bij het uitdelen der giften,
en dat Hengests groep gegeven zou worden
rijkdommen en ringen belegd met goud,
evenveel als hij het volk der Friezen
opvrolijken moest in de feestzaal.
1095. Aan beide zijden sloten zij toen
een vast vredespact. Finn verklaarde Hengest
onder ede onbetwist zijn inzet te tonen,
dat hij naar inzicht der wijzen de overlevenden
eervol zou behandelen, dat de overeenkomst
1100.in woord of werk nooit zou worden gebroken,
noch zij ooit, kwaadwillend, klagen zouden,
al hadden zij hèm gevolgd die hun vorst had gedood,
zelf zonder leider - zij moesten zo wel;
als wie der Friezen dan ook het waagde in gesprek
1105. te memoreren die moordende haat:
het scherp van de snede zou het recht zetten.
Hout hoopte men op, gehaald werd er
kostbaar goud uit de schat. Klaar voor de brandstapel
lag reeds de beste strijder der LegerScyldings.
1110. Makkelijk te zien bij het vuur was het maliënvest,
met bloed bedekt, het zwijnsbeeld, geheel van goud,
de ever, ijzerhard, ettelijke strijders,
door wonden geveld; wat vielen er in die kamp:
Hildeburh liet toen op Hnæfs stapel
1115.haar eigen zoon overhandigen aan het vuur,
liet het lichaam branden, en langs hem neerleggen
zijn oom, in de vlammen. Die vrouwe rouwde,
uitte jammerklachten. De kampheld werd op gebeurd.
Ten hemel hief zich het zeer hoge doodsvuur,
1120.knetterde aan de voorkant, koppen smolten,
wondgaten barstten, bloed sprong er uit,
vreselijke beten van de vijand. Vuur verzwolg allen,
gulzigste geest, die de strijd te gronde gericht had
van beide volken; voorbij was hun levenskracht.
1125.Weg gingen de krijgers naar hun woonplaatsen,
Friesland zochten zij op - van vrienden beroofd -,
hun huizen en hoge burcht. Hengest bleef nog
wonen bij Fin die winter vol ijs,
totaal terneergeslagen; aan thuis dacht hij,
1130.al wist hij wel dat hij het water niet op kon
met de ronde steven - vol storm kolkte de zee,
vocht met de wind, winter sloot golven
in een ijzige band, tot een ander jaar kwam
in de woonplaatsen, wat het nu nog doet,
1135.altijd afwachtend de opeenvolging,
het wonderschone weer. De winter was vergangen,
heerlijk lag het veld er bij. De ontheemde, de gast,
wilde uit het huis, weg, wraak voor de pijn
zocht hij eerder dan een oceaanreis,
1140.vroeg zich af, of hij de aanval niet uitvoeren kon,
zijn plan met het zwaard op de zonen der Ēotens?
Zo liet hij dan ook de leider der groep begaan,
toen Hunlafs zoon hem het glimmende houwzwaard,
de keur der bladen, op de knieën legde;
1145.de Ēotens kenden de kanten ervan.
En zo ook ontving de onversaagde Fin
de gruwelijke slag met het zwaard bij zichzelf thuis,
toen Gūđlāf en Ōslāf over de grimmige aanval
spraken, met smart, na de zeereis:
1150.hun verweten ze alle pijn; in het hart kon zich niet
de rusteloze geest inhouden. Rood werd de hal toen,
vijanden vielen, en ook Fin werd geslagen,
de vorst bij zijn volgers, en de vrouw genomen.
De strijders der Scyldings sleepten aan boord
1155.de complete inboedel van de koning van het land,
al wat zij in Fins huis vinden konden
aan broches en edelstenen. Zij brachten per schip
de nobele dame naar de Denen terug,
leidden haar naar het volk.
Het lied was voltooid,
1160.de zang van de speelman. Op steeg weer vreugde,
fel klonk feestgedruis, uit vaten wonderschoon
schonken dragers wijn. Wealhtheo kwam naar voren,
ging met gouden hanger om naar waar Helga's zoon en broer,
de voortreffelijke twee zich bevonden; vrede heerste nog tussen hen,
1165.de een was de ander trouw. Ook zat Unferð, de spreker,
aan de voeten van de vorst der Scyldings; ieder van hen vond en geloofde van hem,
dat hij machtige moed had, hoewel hij geen medelijden had
in het zwaardenspel met verwanten. De Scyldingsvrouwe sprak toen:
'Ontvang deze drinkbeker, verdeler van rijkdom,
1170.mijn geliefde leider. Gelukkig was u,
vrijgevige heer der strijders, en sprak tot de Gēats
met milde woorden, zoals een man behoort:
Denk aan de giften, wees genereus tegen de Gēats,
u hebt ze nu, van nabij en veraf.
1175.U wilde de strijder als zoon hebben,
heb ik gehoord. Heorot is gereinigd,
de ringzaal schitterend. Verstrek zolang u kunt
legio beloning, en laat het volk en het rijk
aan uw verwanten, wanneer u henen moet,
1180.op weg naar het onontkoombare. Ik ken Hrōgār,
mijn waardige, weet, dat wanneer u,
vriend der Scildings, vóór hem verlaten zult de wereld,
hij jegens de jeugdigen joviaal zal zijn;
ik geloof dat hij met goedheid vergelden zal
1185.onze zonen, zo hij alles nog weet,
hoeveel hulp wij twee hem hebben gegeven
in vroegere jaren, tot vreugde en eer.'
Zij wendde zich naar de bank, waar haar jongens zaten,
Hrērīc en Hrōmund, en de heldenzonen,
1190.de jeugd tezamen; de sterke zat daar
bij de beide broers, Bēowulf der Gēats.
Men bracht hem de beker, bood deze aan
met vriendelijke woorden, waardig gaf men
ornamenten van goud, armbanden twee,
1195.een kuras en ringen, de roemruchtste halsberg,
waarover ik op aarde ooit heb gehoord.
Onder het uitspansel werd geen enkel sieraad der strijders
beter behoed naar ik hoorde, sinds Hāma wegvoerde
naar de hellichte stad de halsring der Brōsingen,
1200.stenen en kostbare zetting - hij ontsnapte aan
de listen van Eormenrīc; liever koos hij eeuwig heil. -
Higelāc der Gēats had die ring in bezit,
Swertings zoonskind, op zijn strooptocht, zijn laatste,
toen hij de schat beschermde onder het vaandel,
1205.de buit bijeenhield. Het blinde lot nam hem weg,
toen hij uit overmoed om ellende vroeg,
een vete met de Friezen. Weggevoerd had hij de sieraden,
vuurgele topazen over de volle zee,
de machtige heer; hij viel onder het schild.
1210.Toen viel het lichaam van de vorst de Franken in handen,
en daarbij ook de halsberg, en het borstkuras;
onwaardiger oorlogsvoerders ontroofden de lijken
na het bloedig gevecht, het volk der Gēats
bezette het veld der gevallenen. - Vol applaus was de hal.
1215. Wealhtheo nam het woord, wendde zich tot die groep:
Dierbare Bēowulf, gebruik dit ringpantser
naar genoegen, jongeman, en geniet van dit borstharnas,
grote schatten, en het ga je goed,
maak naam met je macht, en wees mild in raad
1220. jegens deze jongens! Jou zal ik loon ervoor niet onthouden.
Bewerkt heb je dat wijd en zijd mannen
eeuwig en altijd je eren zullen,
zover als waar de zee stroomt om de rotsen,
de woonplaats der winden. Wees voorspoedig, vriend,
1225. zo lang als je leeft. Geluk wens ik je
met je schatten. Steun mijn zoon
door je daden, draag zorg voor zijn geluk.
leder man is hier de ander trouw,
loyaal jegens zijn heer, hartelijk van geest,
1230. eensgezind zijn de strijders, zeer alert is het volk,
na een dronk doen de mannen dat wat ik vraag."
Zij ging naar haar plaats. Groots was het maal daar,
wijn werd er gedronken. Men wist niets meer van het lot,
de grimmige afloop, zoals die ettelijke strijders
1235.overvallen had, toen het avond geworden was
en toen Hrōgār zich teruggetrokken had,
de sterke gaan slapen. Strijders ontelbaar
bevolkten de zaal, zoals ze vaak gedaan hadden.
De banken schoof men uiteen; beddengoed werd
1240.op de zaalvloer uitgespreid. Eén strekte zich neer
der drinkers, ten dode bereid, gedoemd om te sterven.
Schitterende schilden zetten ze bij hun hoofd,
rondassen van hout. De geringde kolder,
de helm hoog in de strijd, de houten, machtige speer
1245.bevond zich op de bank boven de strijder,
zichtbaar voor ieder. Ze zorgden altijd,
dat zij ten oorlog uitgerust waren,
thuis of op tocht, het was hen om het even,
hoe de problemen hun heer ook overvielen,
1250. telkenmale; voortreffelijk was dat volk.
Men legde zich neer. Die nachtrust werd één man rampzalig,
zoals het vroeger zeer vaak voorgekomen was
sinds die gouden zaal door Grendel bezet werd,
hij onrecht aanrichtte, tot het einde kwam,
1255.dood na misdaden. Duidelijk werd het,
overal door ieder vernomen, dat er al die tijd
nòg een geleefd had, het verlies in gedachten,
op wraak belust, na die vreselijke strijd:
een monster van een manwijf, de moeder van Grendel,
1260.die gedoemd was geweest haar dagen te slijten
in ijskoud, akelig water, sinds de eigen broer,
zijn vaders zoon, met het scherp van het zwaard
door Kaïn was geveld. Hij vluchtte weg, verbannen,
gemerkt door moord, uit 's mensen gezelschap,
1265. bewoonde het woeste land. Watergeesten menig in tal
ontsproten daaruit; één ervan was Grendel,
gehate vijand, die in Heorot een man
wakker aantrof, wachtend op strijd;
die gruwelijke greep hem daar vast;
1270.maar, hij dacht toen weer aan de geduchte kracht,
die God hem in grote mate gegeven had,
hoopte vast op hulp van de Heer der Heren,
bijstand en steun. Hij sloeg daarmee die vijand,
kreeg die hellegeest klein. Gekrenkt ging die weg toen,
1275.zocht zijn stervensplaats zonder vreugde,
die vijand der mensheid. En zìjn moeder nu,
somber gestemd, ging ziedend op weg,
wilde zich wreken op wie haar zoon had gedood.
Ze bereikte Heorot, waar de RingDenen
1280.sliepen in de zaal. Spoedig kwam daarop voor de
strijders die toestand terug, toen eenmaal Grendels moeder
binnen gedrongen was. Zij gedroeg zich
even gruwelijk als de grimme macht,
de kracht van een vrouw, onder krijgers in de strijd,
1285.wanneer het schitterend zwaard, met stevige rand,
hamergesmeed, helglimmend van het bloed,
slaat in de richting van het zwijnsbeeld boven de helm.
Toen werd in de hal de harde kling getrokken,
het zwaard boven de zetels, schilden in groot tal
1290. had men vast in de hand; aan een helm dacht men niet,
toen gruwel hen greep, noch aan het grote maliënhemd.
Zij wilde heel snel en haastig naar buiten,
zij wenste geen dood, toen zij ontdekt was;
aanstonds had ze één der edele mannen
1295.vast in haar vuisten, en vertrok naar het ven.
Hij was Hrōgārs meest aan het hart liggend strijder,
van alle volgers op heel de aarde,
een machtig schildstrijder, die zij in zijn slaap doodde,
de roemruchte held. Bēowulf rustte daar niet,
1300.want men had hem elders ondergebracht,
nadat die vermaarde Gēat menige schat was gegeven.
Heorot uitte haar ergernis. Die hand, onder het bloed,
ieder bekend, nam zij mee. Opnieuw was er smart,
wederom, in de woonplaatsen. Waardeloos was die ruil,
1305.waarbij aan beide zijden geboet ging worden
met het leven van vrienden. De vorst in zijn wijsheid,
de oude aanvaller, was innerlijk verward,
toen hij hoorde dat de hoofdleenman,
zijn meest dierbare, dood was, levenloos.
1310.Snel ontbood men Bēowulf naar zijn verblijf te komen,
de zegerijke strijder. Bij zonsopkomst
ging hij, met zijn groep, die grote vechter,
naar waar die wijze man te wachten zat,
of de Almachtige hem ooit nog brengen zou
1315.een verandering ten goede na dit onheilsbericht.
Hij ging die hal door, die hoogonderscheiden man
- het plankier weerklonk - . met zijn kameraden.
om de heer der Ingwins hartelijk toe te spreken
met de vraag of de verstandige, volgens zijn wens,
1320.een aangename nacht had ondervonden.
De hoeder der Scyldings, Hrōgār, sprak toen:
'Vraag niet naar vreugde; vol zorg is weer
het Denenvolk. Dood is Æschere,
oudere broer van Yrmenlaf,
1325.mijn vertrouweling, mijn toeverlaat,
kameraad aan mijn zij, toen in krijg wij
voor ons leven vochten, toen voetvolk samen klapte,
helmberen op elkaar sloegen. Zo zou een held moeten zijn,
een onovertrefbaar edelman, als Æschere.
1330.Hij werd in Heorot met de hand gedood
door die rondwarende geest. Waar zij toen heen ging
is mij onbekend, die akelige, trots op haar buit,
haar vraatzucht bevredigd. Wraak nam zij voor het gevecht,
waarin u gisternacht Grendel gedood hebt
1335.door uw hardhandige heftigheid,
omdat hij al te lang uitgedund had,
vernietigd, mijn volk. Hij viel in de strijd,
zijn leven verkwanseld, en nu kwam daar
weer zo'n machtig woesteling, wilde wraak voor haar verwant,
1340.en ze is ver gegaan in haar vergelding,
wat overduidelijk is aan elke leenman
die huilt in zijn hart, met hevig verdriet,
om hem die rijkdom deelde. Daar ligt die hand nu,
die eertijds voldeed aan al uw wensen.
1345.Verhalen hoorde ik van raadsheren in de hal,
van onderdanen, mijn eigen volk,
dat een dergelijk duo, volgens duidelijke waarneming,
regelmatig rondspookte in dat ruige land,
wezens van elders. Zij wisten beslist,
1350. uiterst zeker, te melden, dat één van die twee
er als een vrouw uit zag; de ander ging rond
vermomd als een man, dat monster in ballingschap,
en geen ander mens was ook groter dan hij;
eertijds noemden de aardbewoners hem
1355. Grendel. Geen van hen wist of die gast ook een vader had,
en of dat hem ooit enig kind was geboren,
ongure geesten. Geen mens kent hun land,
vol wolvenholen, winderig kustland,
griezelige paden door het ven, een grote bergstroom
1360.duikt er neer onder een duistere steenmassa,
een vloed onder de aarde. Ver van hier is het niet,
in mijlen gerekend, waar dat meer zich bevindt;
rondom hangen berijpte takken
op het water valt schaduw van vastgeworteld hout.
1365. Iedere nacht kan men daar iets angstaanjagends zien,
vuur boven de vloed. Zo veel weet geen
der mensenzonen, dat hij meent die diepte te kennen.
Hoewel de heidebewoner door honden geprest is,
het hert met sterke horens, en zijn heil zoekt in het bos
1370. - van ver reeds op de vlucht -, zal het veeleer het leven laten,
omkomen op de oever, dan erin gaan,
en zo zijn hoofd redden. Onzalig is die plek:
donker, deinend water stijgt daarvandaan op
naar de wolken, als de wind tot een heftige storm
1375.aan gaat wakkeren, en uit een onheilspellende lucht
de hemel gaat huilen. Geheel in uw hand
ligt nu de oplossing. Het land kent u wel niet,
de vreselijke plek, waar u vinden kunt
dat zondig serpent; zoek die als u durft:
1380.Zoals ik deed, zal ik u voor die strijd
schadeloos stellen met schitterend goud,
aloude erfstukken, - als u terug komt!"
Bēowulf antwoordde: ,, Ecgēows zoon:
Ween niet, wijze man; wenselijker is het,
1385.zijn vrienden te wreken, dan veel te treuren.
Ieder van ons zal aan het einde komen
van het leven op aarde; laat hij die dat kan
glorie vergaren vóór zijn dood; groter geluk
heeft een strijder niet na zijn verscheiden.
1390.Sta op, beschermer des volks, laat ons snel gaan
kijken waar zij ging, Grendels verwant.
Ik zei u al: ontsnappen kan die niet,
onder de aarde, of in een schuilplaats,
in een bos op de bergen, op de bodem der zee!
1395.Heb deze dag nog geduld slechts
voor alle ellende, zoals ik van u verwacht."
De oude sprong op, bracht eerbewijs aan God
de machtige Heer, voor wat die man had gezegd.
Een hengst werd voor Hrōgār toen gehalsterd,
1400. een paard met gevlochten manen. De prins in zijn wijsheid
vertrok met statie. Op stap ging daar
het voetvolk der schilddragers. Ver en dichtbij,
langs paden door het woud, waren sporen te zien,
de gang langs de grond, waar zij gegaan was,
1405. dwars door het duister moeras dragend de beste
der leenmannen, levenloos,
die het huis had beheerd met Hrōgār samen.
De keurtroep der edelen kwam vervolgens
langs nauwe steegjes, steile rotshellingen,
1410. enge eenmanspaadjes, een onbekende weg,
land dat loodrecht oprees, legio monsterholen.
Met een groepje mannen, die goed de weg kenden,
ging hij vooruit om de vlakte te zien,
tot hij onverwachts aankwam op de plek,
1415. waar het bos op de berg boven de grijze steen hangt,
een onzalig oord; onder stond water,
vol bloed en vuil. Voor alle Denen,
kameraden der Scyldings, kwam het hard aan,
voor elke leenman ellendig te horen,
1420.tegenslag voor ieder, toen zij op een klip
aantroffen Æscheres hoofd.
Het water kolkte van bloed - zij keken toe -,
heet levensvocht. De hoorn riep nog enthousiast
op tot de strijd. Al het voetvolk ging zitten.
1425.Veel soorten slangwormen zag men in het water,
bizarre zeedraken zwommen er rond,
op de kanten kon men monsters zien liggen, als die,
welke vaak 's morgens vroeg een vreselijke tocht
ondernemen op de zeilweg,
1430.wilde zeeslangen. Snel doken zij weg,
bitter en verbolgen, bij het horen van de
klank der klaroen. Krom stond de boog,
een der Gēats beėindigde leven,
gewoel in het water, want een harde pijl
1435.trof toen vitale delen; trager werd hij,
die de dood had genomen, daar in het water.
Snel werd in het water door werpspiezen uit de everjacht
- met akelige uitsteeksels - achterna gezeten
een wonderlijk waterreiziger,
1440.en na strijd de wal op gesleept; de strijders zagen
die gruwelijke gast.
Toen ging Bēowulf
zich kleden ten krijg; hij kende geen doodsangst.
Het handgewoven hemd van maliën,
wijd, fraai bewerkt, ging het water doorzoeken,
1445.de kolder, die het kleed der organen kon behoeden,
zodat geen grimmige een greep kon doen naar zijn hart,
hij, vast in vinnige handen, geen vrees voor de dood had;
en zijn hoofd werd beschut door de schitterende helm,
die het onderste van het meer omwoelen,
1450. de kolken opzoeken, kostbaar versierd,
eromheen fraaie banden. Heel lang geleden
werd het wapen gesmeed, wonderlijk versierd,
bezet met zwijnsbeelden, zo, dat sindsdien
geen staal of slagzwaard hem schaden kon.
1455.Dat was niet de minste van de machtige hulpmiddelen,
die Hrōgārs woordvoerder hem had geleend in zijn nood;
dat zwaard met heel lang heft heette Hrunting;
allerbelangrijkst onder oude schatten;
de snede was van ijzer, onheil bracht de tekening erop,
1460.gesterkt door strijdvocht; stevig lag het ieder
in de handen bij het gevecht, die het vast had,
die op weg zich waagde, waar vijanden streden,
een gevaarlijke onderneming; niet voor het eerst was het,
dat het een roemruchte daad verrichten moest.
1465. Hij wist werkelijk niet meer, die verwant van Ecglāf,
de uiterst krachtige, wat hij eertijds gezegd had,
dronken van wijn, toen hij dat wapen uitleende
aan een sterker zwaardvechter; zelf durfde hij
zijn leven niet te wagen onder het gewoel der golven,
1470.zich dapper gedragen; daar liet hij roem liggen,
vermaardheid voor macht. Maar zo was het die ander
geenszins, toen die zich gegord had ten strijde.
Bēowulf sprak, zoon van Ecgþēow
"U moet nog eens denken, grote zoon van Healfdene,
1475.verstandige leider, nu ik sta voor mijn tocht,
vriend der vazallen, aan wat wij voorheen bespraken,
dat, als ik in uw dienst afscheid moest nemen
van het leven, u later mijn plaats
als vader vervullen zou, als ik ver weg was gegaan.
1480.Wees voor hen die mij volgen een voogd in de jeugd,
kameraden aan mijn zij, als krijg mij neemt;
zend ook de geschenken, zoals u die mij gaf,
dierbare Hrōgār, aan Higelāc.
Dan zal hij wel zien, de zoon van Hrēel,
1485.begrijpen uit dat goud, met grote ogen die pracht aanschouwend,
dat de ringenuitdeler, die ik gevonden had,
goed en vrijgevig was, ik hem graag mocht zolang ik leefde.
En laat Unferð dat aloude erfstuk hebben,
het gedamasceerde zwaard voor de zeer beroemde,
1490.de heerlijke, harde kling; met Hrunting zal ik
roem bereiken, of rest mij de dood! "
Na die woorden wilde de prins
der WederGēats niet wachten op antwoord,
hij haastte zich snel; huizenhoog water
1495.ontving de vechter. Voor hij die bodem
waarnemen kon, was heel wat van de dag voorbij.
Meteen merkte het monster, dat het watergebied
honderd jaar beheerd had in zijn hebzucht,
grimmig en gnuivend, dat de grenzen van zijn gebied
1500.van bovenaf door een onbevoegde doorbroken werden.
Zij greep naar de vechter, vast had zij hem
in akelige omklemming; ongedeerd bleef echter
dat wondloze lichaam; zijn lijfkolder was zo goed,
dat zij die krijgsdracht niet doordringen kon,
1505.het ringgekoppelde vest met vingers vol haat.
Bij de bodem gekomen, bracht die zeewolvin
de prins der ringen naar de plaats waar zij woonde,
en daardoor was het hem ondoenlijk - hoe dapper hij ook was -
zijn wapens te trekken, want te veel vreemde wezens
1510.hinderden hem, heel wat zeedieren
schuurden langs zijn strijdkolder met hun slagtanden,
zaten de machtige na. Toen bemerkte de held,
dat hij in een soort van strijdhal was,
waar op generlei wijze water hem schaden kon,
1515.en dat een gewelf het water ervan weerhield
hem onverhoeds aan te grijpen. Oplichten zag hij vuur,
fel schijnende schittering van licht.
Daarop zag de dappere, dat dieptegedrocht,
monstervrouw in het meer. - Een machtige zwaai gaf hij
1520.zijn houwzwaard, zijn hand hield zich niet in,
zodat het gedamasceerde zwaard dreunde op haar hoofd,
gulzige gevechtsgalm. Die gast ontdekte toen,
dat het niet wilde bijten, dat blinkende zwaard,
het leven geen kwaad deed, maar die kling faalde,
155.nu de prins haar nodig had; nogal wat slagen
had zij doorstaan, vaak de helm gespleten,
de wapenrok van een gedoemde. Dit waardevol stuk
beantwoordde hier voor het eerst niet aan zijn roem.
Geenszins ontmoedigd vermande hij zich,
1530. zich zijn glorie herinnerend, Hygelācs neef.
Woedend wierp de strijder het weg, dat prachtige,
uitzonderlijke zwaard, zodat het op de aarde lag,
stevig en met stalen rand; op sterkte vertrouwde hij,
de macht in zijn handen. Een man moet zo handelen,
1535.wanneer hij in oorlog verwerven wil
langdurende lof; zijn leven deert hem niet.
Grendels moeder greep hij toen bij de schouder
- de prins der StrijdGēats schrok niet meer terug voor een aanval.
Hierop trok de in strijd geharde haar naar de grond,
1540.zijn doodsvijand, daar hij des duivels was.
Zij liet op haar beurt hém weer boeten,
en greep snel naar hem met grimmige klauwen.
De sterkste der strijders struikelde, vermoeid,
de voetvechter, en viel daarna neer.
1545.Zij zette zich op die zaalbezoeker, zwaaide met haar mes,
dat brede, met bruine rand. Haar boreling wilde zij wreken,
haar enig kind. Die kolder, goedgeklonken,
lag om zijn schouders; het beschermde zijn leven,
voor speer en voor zwaard versperde het de ingang.
1550.Daar zou gestorven zijn de zoon van Ecgþēow,
onder de aarde, de eerste strijder der Gēats,
maar hulp had hij van de harde maliën,
de krijgskolder - daar verkoos de Heilige God
de overwinning te schenken; de Alwijze Rechter,
1555.de Hemelheer heeft het moeiteloos
en juist beslist, want hij stond weer op.
Onder oorlogstuig zag hij een oud reuzenzwaard,
een triomfantelijk treffer, de trots van strijders,
met krachtige kling; een keurwapen was het -
1560.maar het was meer dan een ander man, wie ook,
naar een gevecht vervoeren kon,
goed en grandioos, een gigantenwerk.
Vast nam de Scyldingsvechter het gevest met de ring,
Hels en vertoornd trok hij het zwaard,
1565. sloeg verbolgen toe en vertwijfeld,
zodat het hard in haar hals beet,
de wervelringen brak; het wapen drong dwars
door het gedoemde lijf; dood viel zij neer op de vloer,
bloed droop van de kling, voldaan was hij met het werk.
1570.De glans gloeide op, licht gloorde daarbinnen,
zoals uit de lucht luisterrijk schijnsel
komt van de hemelkaars. Hij keek de hal rond;
wendde zich toen naar de wand, het wapen geheven,
vast bij het gevest, de vazal van Hygelāc,
1575.razend en resoluut, - die zwaardrand was niet nutteloos
voor de strijder, maar snel wilde hij
Grendel vergelden wat hij begaan had
tegen de WestDenen: de wilde aanvallen,
veel en veel vaker dan voorkwam die keer,
1580.toen hij Hrōgārs haardgenoten
sloeg in hun sluimer, in hun slaap opvrat
vijftien mannen van het volk der Denen,
en evenzoveel voerde hij er weg,
een gruwelijke buit. Doen boeten had hij hem er voor,
1585.die onstuimig strijder, zodat hij hem, stil nu
en levenloos, liggen zag, die Grendel,
waar hij rustte, zoals hij geraakt was
in die strijd in de zaal. Het sprong wild op, dat lijk,
toen het een vreselijke klap ontving, dood al,
1590.een houw van het zwaard, en zijn hoofd afgesneden werd.
Weldra zagen de wijze mannen,
die met Hrōgār goed op het water letten,
dat die kolkende massa volkomen verward raakte,
het meer vermengd met bloed. Mannen, oud en
1595.met grijs haar, begonnen die goede te bespreken:
zagen niet dat die nobele nog ooit zou komen,
om zegerijk op zoek te gaan
naar de vermaarde heer; menigeen leek het,
dat die waterwolvin hem verwoest had.
1600.Het negende uur naderde. De nes werd verlaten
door de wakkere Scyldings; hij wendde zich huiswaarts,
de milde vriend der mannen. Moedeloos gingen
de gasten zitten, en zagen uit over het meer.
Zij wensten hun wapenheer - maar verwachtten dat niet -
1605.zelf weer te zien. - Dat zwaard begon toen
als ijspegels uiteen te vallen,
die bijl na dat strijdbloed. Bijzonder was het,
dat het volledig smolt, als leek het ijs,
wanneer de Vader de vorstbanden ontsluit,
1610.waterketenen ontwindt, de wijze Heer,
die tijd en plaats bepalen kan.
Waardevolle voorwerpen nam de Wederprins
uit dat woonoord niet mee, hoewel hij er meerdere zag liggen,
dan enkel het hoofd en ook het gevest,
1615. schitterend bezet; gesmolten was de kling,
het toverzwaard verbrand; dat bloed was te heet,
die gnoom te giftig geweest, die de geest gaf daarin.
Daarop dook hij uit de diepten omhoog,
die de val van vijanden in het gevecht overleefd had.
1620.Volkomen gekuisd was het kolkende water,
het grote gebied, waar die geest van elders
zijn leven en tijdelijk bestaan verlaten had.
De leider der zeelieden kwam naar het land toe
zwemmen toen, sterk van geest, zeer verheugd om de
1625.zeebuit, bijzondere last die hij bij zich had.
Men dankte God, ging hem tegemoet,
de gevreesde vazallen, vol vreugde over hun heer,
dat zij hem gezond weer zien konden.
Daarop ontdeed men de dappere snel
1630.van borstpantser en helm. Met bloed bedekt,
werd het meerwater onder de wolken rustig.
Men vertrok daarvandaan via voetpaden,
verheugd in het hart, ging heen over de wegen,
bekende straten; kordate lieden
1635.droegen het hoofd weg van de hoogten bij zee,
met inspanning, echter, voor ieder van hen,
zeer moedigen; met moeite konden
vier man het vervoeren op een gevechtsstang,
Grendels hoofd brengen naar de goudzaal.
1640.Spoedig kwamen zij bij de zaal toen,
veertien in getal in volle wapenrusting,
de moedige Gēats; in hun midden hun heer,
onvervaard betredend de vlakte vóór de hal.
De eerste onder de mannen, geëerd met glorie,
1645.een koene kerel, kwam toen naar binnen
om Hrōgār te groeten, hij, heldhaftige krijger.
Aan de haren werd het hoofd van Grendel
de deel op gedragen, waar men aan het drinken was,
vreselijk voor die vechters en die vrouw erbij,
1650. een wonderlijk schouwspel; de schare keek toe.
Bēowulf zei toen, zoon van Ecgēow:
"Hoort, Healfdenes zoon, heer der Scyldings,
wij hebben de zeebuit, die U zien kunt hier,
vol vreugde hierheen vervoerd als teken van glorie.
1655.Ternauwernood ontsnapte ik aan de dood,
de strijd onder water, met wat een moeite
kreeg ik dat werk voor elkaar; de krijg zou toen
onmiddellijk beëindigd zijn, als ik niet door God was beschermd.
Met Hrunting kon ik helemaal niets
1660.bereiken in de strijd, hoewel het sterk was, dat wapen,
maar de Meester der mensen gaf mij de gunst
aan de halwand te zien hangen een prachtig
oud zwaard, enorm - wie alleen stond
heeft Hij heel vaak geholpen - ; hiermee pareerde ik.
1665.Ik sloeg in die strijd de beschermers van het huis,
toen ik de kans kreeg. Dat kringenzwaard,
de strijdbijl, verbrandde, zodra het bloed opsprong,
het vreselijk hete gevechtszweet. Ik voerde daarop
dat gevest van die vijanden weg; ik wreekte misdaden,
1670. doodslag der Denen; wat ik deed, was juist.
Ik verzeker u dan ook, dat u zorgeloos
uw hoofd neerleggen kunt in Heorot met uw groep,
en binnen uw volk de volgelingen, oud en jong,
elkeen van hen, dat u geen angst hoeft te hebben,
1675.Heer der Scyldings, uit de hoek waaruit
u dat voorheen deed, vrezend het leven der mannen."
Het gouden gevest werd de grijsaard,
die oude oorlogsleider, aangeboden toen,
het aloude werk van reuzen; eigendom werd het
1680.van de Denenheer na de dood der duivels,
dat werk van wonderlijke smeden; weg was hij nu,
de vijand van God, het vervaarlijke schepsel,
schuldig aan moord, en zijn moeder evenzeer;
het kwam in bezit van de koning der wereld,
1685. de voortreffelijkste tussen de zeeën,
die in Scedeland schatten uitdeelde.
Hrōgār zei toen - hij zag het gevest,
het aloude erfstuk, waarin de oorsprong gegrifd was
van de oervete, toen de vloed gedood had,
1690.de stromende zee, de soort der reuzen,
heftig gingen zij tekeer; onbekend was dat volk
met de eeuwige Heer. Hun uiteindelijke loon
gaf God hun er voor in de golven van het water.
Op de pareerstang, uit puur goud bestaand,
1695.stond duidelijk uitgedrukt in runentekens,
voor wie vroeger dat zwaard vervaardigd was,
dit allerbeste der ijzers, ingelegd met slingerfiguur,
riet vlechtpatroon op het gevest. Toen vervolgde de wijze,
de zoon van Healfdene - zij zwegen allen -:
1700. "Zeerzeker kan hij, die zaken als recht en orde
over het volk brengt, die van ver terug alles nog weet,
de oude landheer, uitspreken, dat deze edelman
als de beste geboren was. Bēowulf, mijn vriend,
bij elke natie verneemt men uw roem,
1705.langs wegen wijd weg. Bewaar dit al met standvastigheid,
met macht en met wijsheid des gemoeds. Mijn vriendschap zal ik u
tonen, zoals wij tweeën voor kort bespraken. Tot troost zult u zijn
uw lange leven voor de leden van uw stam,
tot hulp aan de helden.
Heremod was zo niet
1710. voor Ecgwela's afstammelingen, de EerScyldings;
hij ontwikkelde zich niet naar hun wensen,
maar tot moord en doodslag op het Denenvolk;
vertoornd trof hij zijn tafelgenoten,
de helpers in oorlog tot hij enkel overbleef,
1715.de vermaarde vorst, uit 's mensen gezelschap,
hoewel de machtige God hem verheven had
tot het genot van kracht en sterkte, hem gesteld had
als eerste over allen. Er groeiden, echter, in zijn hart
bloeddorstige bedoelingen; de Denen gaf hij
1720.geen ringen voor hun roem; berooid kwam voor hem de tijd,
dat hij het lange volksleed, de beloning der strijd,
doorleven ging. Trek uw lering daaruit,
ontdek de deugden. Deze dichtzang zong ik u
wijs geworden door jaren.
Wonderbaarlijk is het toch,
1725.hoe de machtige God het mensenras
eigendom, adel en inzicht schenkt
in grootsheid van geest; Hij regeert over alles.
Bij een man uit een vermaard geslacht maakt God wel eens,
dat gedachten dwalen naar dat wat hij graag had.
1730.Hij geeft hem op zijn geboortegrond aardse goederen,
het beheer te hebben over een heldenburcht,
maakt delen der aarde dusdanig aan hem onderworpen,
een zo'n groot rijk, dat hij zelf niet kan denken,
in zijn onwijsheid, aan het einde ervan.
1735.Onbegrensd is zijn grote weelde, geenszins hindert hem
ouderdom of ziekte, geen bezorgdheid
overschaduwt zijn geest. Geen vete toont zich, ergens,
door haat met een houwzwaard, maar heel de wereld
handelt naar zijn wens; hij weet niet wat ongeluk is,
1740.tot al te veel arrogantie in zijn innerlijk
groeit en groter wordt; de geestbeschermer sluimert dan,
de verzorger der ziel - te zwaar is die slaap -,
overmand door moeilijkheden, de moordenaar is zeer nabij,
de boogschutter vol boosaardigheid.
1745.Hierop wordt het hart onder de helm geraakt
met een scherpe pijl - beschermen kan hij zich niet -
door vreemde bevelen van de vervloekte geest;
te min, meent hij nu, was zijn macht al die tijd,
boosaardig graait hij maar, geeft geen prachtige ringen meer
1750.met de gewenste eerbewijzen, en verwaarloost en vergeet
zijn toekomstige bestemming, het eerbetoon zonder maat,
dat God, de Glorie Heer, hem gegeven had.
Uiteindelijk is het zijn lot,
dat dit sterfelijk lichaam langzaam vervalt,
1755.gedoemd tot de dood; dan komt een ander,
die zonder bezwaren prachtige zaken schenkt,
aloude schatten der edelen; aangenaam is het hem.
Berg u voor die boosheid, Bēowulf mijn vriend,
beste der kerels, en kies het fijnste,
1760.tijdloos geluk; taan niet naar hoogmoed,
krijger van naam! Een korte wijle nu
kent men uw kracht; dra komt, echter,
dat ziekte of zwaard u uw kracht zal ontnemen,
ofwel vuur dat u omvat, ofwel de vlucht van een speer,
1765. ofwel een geweldige golf, ofwel de greep van het staal,
ofwel akelige ouderdom; ofwel het ogenlicht
wordt minder en troebel. Onmiddellijk dan,
vorst van het volk, overvalt u de dood.
Honderd halve jaren heerste ik zo onder de wolken
1770.over de RingDenen, en rondom deze aarde
waren er talrijke stammen waartegen ik hen beschermde
met krijg, speer en zwaard, zodat ik meende
geen vijanden te hebben onder het hemeluitspansel.
Ach, toch, anders werd dat in mijn eigen land,
1775.verdriet na vreugde, sinds die vijand van oudsher,
Grendel, bij mij ging binnendringen.
Altijd heb ik ernstig hartzeer gehad
om zijn bezoek. Zij God daarvoor gedankt,
de eeuwige Heer, dat ik dit overleven mocht,
1780. dat ik heden op dit hoofd met hard geworden bloedstolsels
mijn ogen kan doen rusten, na die oude strijd.
Vermaak u bij de maaltijd, vermaarde in de strijd,
ga naar uw zetel. Zeer veel schoons zal ik,
voordat de ochtend daar is, delen met u.
1785.Gelukkig was de Gēat, ging dan ook meteen
zijn zitplaats zoeken, zoals de wijze hem bad.
Opnieuw werd er toen als tevoren
voor de roemruchte helden, in de hal verzameld,
gedekt zoals dat hoorde. Donker en zwart werd
1790. de nachthemel boven de nobelen. Nu stond men op;
de grijsharige wilde graag naar bed,
de bejaarde Scylding. De Gēat wilde rusten,
de dappere schilddrager dolgraag slapen;
Hierop kwam de halmeester, die hem, iemand van ver,
1795.vermoeid door de tocht, voorging in het huis,
hij die in de behoefte van een heer geheel moest voorzien,
uit beleefdheid, zoals bij zeelieden dat
in die dagen nodig gedacht werd.
De grootmoedige rustte toen. Met goud bedekt
1800.en ruim rees de hal op. Totdat de raaf met zwart kleed
vrolijk gestemd de vreugde des hemels meldde,
sliep de gast. Snel kwam toen het licht,
schijnsel na schaduw. Men schoot haastig op,
op weg wilden de strijders, weer naar hun volk
1805.was de wens der nobelen. Hij wenste scheep te gaan,
de onverschrokken bezoeker, voor een zeereis ver weg.
Ecglāfs zoon, de onversaagde, gaf opdracht toen
Hrunting te brengen, bood hem het zwaard aan,
het heerlijke houwijzer; hij dankte hem voor die gift,
1810. zei, dat hij die gevechtsvriend voortreffelijk vond,
krachtig in krijg, kwam woorden te kort
voor het staal van het zwaard; die strijder was moedig.
Men wilde weg toen, met bewapening aan
stond het krijgsvolk klaar. Hij kwam naar de troon,
1815.de edelman, door Denen geëerd, waar de ander zat;
Hrōgār werd gegroet door die held, dapper in strijd.
Bēowulf zei toen, zoon van Egēow:
"Nu wensen wij, van wijd weg gekomen,
zeevaarders, te zeggen, dat wij zeer graag
1820. naar Higelāc willen. Hier ging het ons goed,
alle wensen vervuld; voortreffelijk was u voor ons.
Als ik op aarde ook maar enigszins
uw genegenheid groter kan maken,
heer der helden, dan ik tot op heden deed,
1825.wegens oorlogsdaden, ben ik onmiddellijk bereid.
Als mij ter ore komt over de uitgestrektheid der zee,
dat omwonenden u beangstigend bedreigen
- wat zij eerder wel eens u aandeden, de vijanden - ,
dan zal ik duizenden dapperen brengen,
1830.helden als hulp. Van Hygelāc weet ik,
de heer der Gēats, dat, hoewel hij jong is,
hij, beschermer der stam, mij steunen zal
in woorden en werken, dat ik vol waardering,
om u bij te staan, brengen zal een speer,
1835.machtig steunmiddel, waar mannen u ontbreken.
En als Hrērīc naar het hof der Gēats wenst te gaan,
de zoon van de vorst, zal hij daar veel
vrienden kunnen vinden; verre landen bezoeken
is heel wat beter voor hem die zijn waarde kent."
1840.Hrōgār gaf daarop hem ten antwoord:
"Wat u verwoordde heeft de Wijze God
in uw geest gestuurd; verstandiger hoorde ik
geen enkele man, zo jong nog, zich ooit uitdrukken.
U bent sterk van kracht en verstandig van geest,
1845.wijs in wat u zegt! Ik verwacht niet anders
dan dat - als het gebeurt, dat de aanvalsspeer,
het grimmig gevecht, Hrēels zoon wegneemt,
als ziekte of zwaard verzwakken zal uw prins,
de regeerder des volks, en u nog in leven bent -
1850.dat dan de ZeeGēaten geen beter man
kunnen kiezen als hun koning,
beschutter der strijders, zo u besturen wilt
het rijk der bloedverwanten. Bēowulf, mijn vriend,
hoe meer tijd er verstrijkt, steeds dierbaarder wordt mij uw hart.
1855.Door uw toedoen, zal er tussen de volken,
de stam der Gēats en die der SpeerDenen,
geen oorlog zijn, en onderling vrede,
geen vijandige acties, waaronder men eerder leed;
eenheid zal er ontstaan door uitwisseling van schatten,
1860.terwijl ik heers over dit heel groot rijk,
- met giften zal men elkaar groeten over het ganzenbad;
over de baren zal men symbolen brengen van liefde,
geschenken in een gewelfd schip. Ik weet dat het volk zich
jegens vriend, jegens vijand, ferm opstelt,
1865. in alles onberispelijk volgens oud gebruik."
In het huis gaf hem daarop Healfdenes zoon,
de behoeder der nobelen, nog eens twaalf kostbaarheden.
Opdracht gaf hij hem ongedeerd naar zijn eigen volk
op weg te gaan met de giften, en gauw terug te komen.
1870.Daarop kuste de koning de man van edele afkomst,
viel hem om de hals, de heer der Scyldings
bij de voortreffelijkste der vazallen. Tranen stortte
de grijsaard. De hoogbejaarde, zeer wijze,
dacht aan twee mogelijkheden, maar meer nog aan de laatste,
1875.dat de moedigen op de ontmoetingsplaats
elkaar niet meer zouden zien; zo dierbaar was hem die man,
dat hij zijn emotie niet meester was;
maar hij had in zijn hart een heimelijk verlangen,
een beklemming, die hij niet kwijt kon,
1880.zijn bloed brandde. Bēowulf verliet hem,
ging over het grasveld, over de giften zich verheugend,
de strijder, stralend van goud. Op haar stuurman wachtte
de zeereiziger, rijdend op haar anker.
Herhaaldelijk werd Hrōgārs gave onderweg
1885.met lof overladen; onvergelijkbaar was die koning,
in alles onberispelijk, totdat ouderdom hem
het genot van kracht ontnam, - vaak een nadeel voor velen.
Zij kwamen bij de kust, de keurtroep der dapperen,
de jonge mannen; maliën droeg men,
1890.geklonken kolders. De terugkomst der nobelen
werd door de kustwacht waargenomen zoals eerder.
Geenszins groette hij de gasten smalend
vanaf de rotspunt, maar reed hen tegemoet,
beweerde dat zij het Wedervolk welkom zouden zijn,
1835.strijders in wapenrusting, op weg naar hun schip.
Daar stond op het strand de steven rond,
de wijdbuikige boot kwam boordevol pracht,
rossen en rusting; boven de rijkdommen
van Hrōgār verhief zich hoog toen de mast.
1900.Hij gaf de bootwacht een met goud versierd
zwaard ten geschenke, zodat deze daarna
om dit erfstuk, kleinood, meer geëerd werd
op de bierbank. De boot ging vooruit,
doorwoelde diep water, ging weg van het Denenland.
1905.Daar bij de mast was een dundoek der zee,
een zeil vast met een schoot. Het zeehout kraakte.
De oceaanwind boog de waterganger niet
van zijn koers af; het kruiste door de golven,
het vlot met schuim van voren bevoer de baren,
1910.de rondgebouwde romp bereed de stromen,
zodat voor hen lag het land der Gēats,
bekende klippen; de kiel drong omhoog,
gestuwd door de luchtstroom, stond stil op het droog.
De havenbeheerder, die al heel lang
1915.ver over het vaarpad vol spanning uit had gezien
naar de dierbaren, stond dadelijk klaar aan de waterlijn.
Onwrikbaar vast kwam het vaartuig te liggen
in het beuken der branding, de boot op het zand,
het heerlijke hout, door hem verankerd.
1920.Het goud en ornamenten der edelen, hun rijkdom,
liet hij toen aan land brengen; lang was het niet
van daar te gaan naar de uitdeler van schatten,
Higelāc, Hrēels zoon, naar het huis waar hij woonde,
hijzelf met zijn gezellen, bij de zeewal.
1925.Buitengewoon was het bouwwerk, de gebieder zeer dapper,
de hoge in de hal, Hygd uiterst jong,
wijs en waarlijk goed, hoewel zij weinig winters
binnen de burchtmuren doorgebracht had,
Hæreðs dochter; hebberig was zij niet,
1930.noch gierig met giften jegens het Gēatenvolk,
mooie geschenken. Mōdryð beging (y moet met verlengstreepje -)
- goede vrouwe van het volk - vreselijke misdaden;
daar was geen dappere, die het durfde te wagen,
geen heer aan het hof, behalve de prins,
1935.om haar openlijk met de ogen aan te zien,
of hij wist, wat hem wachtte: handgeweven,
dodelijke banden; dadelijk daarna werd hij,
na zijn aanhouding, veroordeeld tot het zwaard,
zodat de gedamasceerde kling klaarheid moest brengen,
1940.bekend maken dat dodelijk kwaad. Koninklijk is het niet
voor een dame om te doen, hoe onwaardeerbaar ook,
dat een vredeweefster opvragen zal
het leven van een lieve man na wat een belediging heet.
Dat werd waarlijk een halt toe geroepen door Hemmings verwant;
1945.door bierdrinkers werd daarnaast nog verteld,
dat zij pas minder smart over de stam bracht,
verdorvenheid, nadat zij de jonge kamper
gegeven was, de met goud getooide
aan de edelgeborene, nadat zij naar Offas huis
1950.op reis was gegaan, over het geelgroene water,
volgend haar vaders raad, waar voortaan zij de rol
die het lot haar in het leven gaf, de troon,
voortreffelijk vervulde, befaamd nu door goedheid,
hoge liefde behield voor de heer der prinsen,
1955.order heel het mensenras - naar mij verteld is -,
onder het aardvolk de allerbeste
tussen de wateren; want om giften en gevechten
werd Offa overal geëerd in het rond,
de moedige met de speer, de man, die in wijsheid
1960.zijn eigen land leidde. - Ēomēr was zijn zoon,
een hulp voor de helden, Hemmings verwant,
Gārmunds kleinzoon, krachtig in strijd.
Toen maakte de moedige zich op met zijn manschappen
de weg over het zand bij de zee te betreden,
1965. de wijde wadplaten. De wereldkaars scheen,
de namiddagzon. Zij marcheerden voort,
dapper trok men op, tot daar waar - naar men wist -
Ongenþēows doder, de dappere heldenleider,
de jonge oorlogsvorst, uitdeler was
1910.van ringen in de burcht. Van de reis van Bēowulf
werd Hygelāc haastig op de hoogte gebracht,
dat daar op het voorterrein de bevelhebber der strijders,
de krijgskameraad, aangekomen was,
- niet gedood dus, maar ongedeerd uit de strijd.
1975. Rap liet de machtige ruimte maken
voor de voetvechters op de vloer daarbinnen.
Die de slag overleefd had zette zich naast hem,
verwant naast verwant, toen hij met welgekozen woorden
de vorst vriendelijk in een formele toespraak
1980.begroet had. Rond ging Hæreðs dochter,
bracht medebekers langs de banken der hal,
zij mocht die mannen graag, gaf mousserende drank
die helden in handen. Higelāc begon
zijn gezelschap in die zaal, zo hoog,
1985.vriendelijk te vragen - vreselijk benieuwd was hij -,
hoe het hun, Zee-Gēats, vergaan was op hun tocht:
"Dierbare Bēowulf, wat gebeurde er op jullie reis,
toen u zo plotseling het plan opgevat had,
de strijd te zoeken over het zilte water, ver weg,
1990.kamp in Heorot? Voor Hrōgār hebt u toch
aan die ellende, overal bekend, iets kunnen doen,
voor die befaamde vorst? Een vloed van verdriet
drukte heel zwaar op mijn hart. Ik had het niet zo
op die reis van een geliefde. Lang heb ik u verzocht,
1995.met die moordende gast niets te maken te willen hebben,
de ZuidDenen het zelf te laten
uitvechten met Grendel. God zeg ik dank,
dat ik u gezond weerzien mag."
Bēowulf antwoordde, Ecgīos zoon:
2000. "Heer Higelāc, heel duidelijk bekend
is die befaamde ontmoeting, aan menigeen,
welk een strijd daar ontstond op dat stuk land
- tussen Grendel en mij -, waar hij machtig veel
zorgen gebracht had aan de ZegeScyldings,
2005.ellende voor immer; dat alles wreekte ik,
zodat van Grendels verwanten er geen op aarde
over die ochtendslag hoog op hoeft te geven,
een, die het langst leeft van het laaghartig ras,
in kwaad geketend. - Ik kwam daarna toen
2010.in die ringhal om Hrōgār te begroeten;
Onmiddellijk, toen Healfdenes vermaarde zoon
mijn bedoeling duidelijk geworden was,
bood hij me naast zijn eigen zoon een zetel aan.
De groep was vol vrolijkheid. Groter drinkvreugde
2015. heb ik in heel mijn leven onder het hemelgewelf
bij halbezoekers nooit gezien. Soms ging de beroemde,
de vrouwe, die de volken vrede brengt, rond in de zaal,
monterde de jonge mannen op; menigmaal gaf zij
een held een halssnoer, voor zij heen ging naar haar zetel.
2020.Elkeen der ouderen werd af en toe
door Hrōgārs dochter een drinkbeker gebracht;
Frēawaru is haar naam - zo vernam ik,
toen zij knopversierde kostbaarheden gaf aan
helden in de hal -. Huwen gaat zij,
2025.jong en met goud getooid, met Frōdas galante zoon.
De vriend der Seyldings, de beschermer van het rijk,
vond het goed zo, ging er van uit,
dat, met die vrouw, hij veten en gevechten
beëindigen kon. De aanvalsspeer
2030.neigt maar kort naar beneden, na de val van een prins,
ook al is de bruid buitengewoon mooi.
Voor de heer der Heaþobearden kan het ongehoord zijn,
als hij met zijn gade binnengaat in de hal,
en voor iedere edelman onder dat volk,
2035.dat de hoge heren der Denen zich heerlijk vermaken;
op hen prijken prachtige zwaarden der ouden,
robuuste, ringversierde rijkdom der Heaþobearden,
zolang zij zich met die wapens weren konden,
totdat zijzelf in de slag de gezellen,
2040.maar ook hun eigen leven naar het einde leidden.
Die het zwaard dan ziet, zal spreken bij een dronk,
een oude aanvaller met de speer, die alles nog weet,
de moord op de mannen - zijn gemoed is verbitterd;
dan gaat hij, verdrietig, gedreven door zijn hart,
2045.een aankomend krijger kritisch ondervragen,
bij hem akelige oorlog opwekken, zeggend:
'Bent u in staat, mijn vriend, het zwaard te herkennen
dat uw vader het gevecht in droeg
onder die oorlogshelm voor het allerlaatst,
2050.het hem dierbare staal, toen Denen hem velden,
toen wakkere Scyldings, na Wiðergylds dood,
na de val van helden heersen gingen over het slagveld?
Bezocht wordt nu deze zaal door een zoon van een
van die doders, hij draagt de rijkdom,
2055.die u rechtmatig zou moeten hebben,
hij pronkt met die pracht en gaat prat op de moord".
Telkenmale maant hij hem zo, en maakt hem er op attent,
- hij uit zijn verbittering -, tot uiteindelijk
de begeleider der vrouw, het leven schuldig
2060.wegens zijn vaders vergrijp, vol bloed slapen zal,
door een zwaardslag. Ontsnappen zal dan
die ander ongedeerd, daar hij het land goed kent.
Verbroken is dan, wederzijds, wat nobelen
onder ede gezworen hadden. In Ingeld zullen dan
2065.moordgevoelens opkomen, en voor zijn vrouw
zal de liefde verkoelen, na leed in zijn hart.
Daarom heb ik het niet op Heaðobearden,
oprechte alliantie aangaan met Denen,
vaste vriendschap.
Verder zal ik spreken
2070.gaan over Grendel, dat u goed zult weten,
uitdeler van ornamenten, wat de afloop was later
van het handgemeen der helden. Nadat de hemelparel
over de gronden gegleden was, ging die kwade geest,
dat akelig avondmonster, ons bezoeken,
2075.waar wij, gezond en wel, die zaal bewaakten.
Fataal werd toen het treffen voor Hondscioh,
gewelddadige dood voor de gedoemde
als eerste stierf hij, aanvaller in zijn rusting;
Grendels mond doodde de vermaarde leenman,
2080.het lichaam der geliefde werd volledig verzwolgen.
Belust op meer kwaad, wilde hij met lege handen
de gouden zaal toch zeker niet uit,
de moordenaar, muil vol met bloed;
maar, trots op zijn macht, ging hij mij proberen,
2085.greep met gretige hand. Groot en vreemd,
hing er een handschoen aan, heel stevig geweven;
gemaakt was die geheel met meesterhand
uit duivelskunst en drakenhuiden.
De woeste booswicht had de wens toen
2090.om mij, onschuldige, als één der velen,
daarin te doen; dat zou niet gebeuren,
toen ik opstond, uitzinnig van woede.
Het verhaal is te lang, hoe ik die volksvijand
met gelijke munt elk der misdaden betaald heb;
2095.ik heb, mijn vorst, uw volk door mijn daden
eer bewezen. Weg vluchtte hij,
genoot kort nog de geneugten des levens;
zijn sterkere hand was in Hiorte, echter,
bleef daar rusten, en ontredderd ging hij heen,
2100.zonk ontmoedigd naar de meerbodem.
Rijkelijk gaf bij mij plaatgoud, als vergoeding
voor deze strijd vol bloed, de Scyldingsvorst,
met menig sieraad, toen de morgen kwam,
en wij voor het banket op de banken waren gezeten.
2105.Verhalen klonken en vrolijkheid. Uit een ver verleden
zong de oude Scylding, de man met zeer veel ervaring;
een koene krijger bracht tot klank soms
de harp, vreugdehout, verhaalde van
trieste, authentieke zaken. Ook vertelde de koning
2110.wel iets wonderlijks, zonder onwaarheden;
ook ving hij wel aan dan, de door ouderdom geteisterde,
de bejaarde oorlogsvorst, over zijn jeugd te spreken,
over zijn kracht in de krijg; zijn hart kromp in een,
toen hij aan al dat vele dacht, oud in jaren.
2115.In dat huis hebben wij ons zo, heel de dag lang,
goedgehumeurd vermaakt, tot voor de mannen
weer een avond aanbrak. Aanstonds was toen
Grendels moeder voor vergelding klaar,
treurig trok zij voort; oorlogstoorn der Weders
2120. bracht haar zoon om. Voor haar boreling
wreekte dat ongure geval zich, zij velde een held
voor het oog van allen; voor Æschere kwam daar
een eind aan het leven, de oude, wijze raadsman.
Maar zij vermochten ook niet, toen de morgen kwam,
2125.het Denenvolk, de dode man
te verbranden in vuur, de gevierde held
op de brandstapel leggen; dat lichaam droeg zij
in haar vijandige armen onder de bergstroom.
Voor Hrōgār was dat het hevigste verdriet
2130.van al dat de volksvorst sinds lang overvallen was.
Die leider smeekte mij toen, bij uw leven,
- verward was hij - om in het gewoel der zee
heroïsche daden te verrichten, met roem te riskeren
mijn leven; hij beloofde mij een beloning er voor.
2135. Ik kwam in de kolk, zoals bekend overal,
die grimmige, gruwelijke grondwacht tegen.
Een tijdlang twistten wij tweeën daar;
bloed kolkte in het meer. Met een machtig zwaard
heb ik in die hal het hoofd afgehouwen
2140.van Grendels moeder. Maar met moeite
ontkwam ik daar, nog niet ten dode gedoemd;
maar de heer der helden, Healfdenes verwant,
leverde mij legio rijkdom daarna.
Zo leefde de volksvorst, volgens de gebruiken;
2145.ik bleef echt niet onbeloond toen,
vergoeding voor grootheid, maar hij gaf mij rijkdom,
de zoon van Healfdene, zoveel ik wilde;
welke ik u, dappere vorst, allervriendelijkst
aanbieden wil. Van u afhankelijk
2150.is voortaan al mijn vreugde. Familieleden
heb ik weinig, Hygelāc, behalve dan u.
Binnen liet hij toen brengen de beerversierde banier,
de helm, hoog in de strijd, het harnas van grijs staal,
het schitterend strijdzwaard, en sprak daarna:
2155. "Deze krijgskleding komt van Hrōgār,
de wijze prins; hij verwachtte van mij uitdrukkelijk,
dat ik de afkomst ervan aan u zou meedelen;
hij verhaalde hoe Hiorogār, heer der Scyldings,
de koning, het zeer lang, in bezit had gehad;
2160. hoewel hem door zijn zoon, Heoroweard, de dappere,
trouw werd betoond, zou die het toch niet krijgen,
dit borstpantser. Gebruik alles naar believen."
Ik hoorde, dat pal na die pracht er vier paarden
kwamen, snel en volkomen gelijk,
2165.appelgrauw; aan hem gaf hij het bezit
van rossen en rijkdom. Zo hoort het ook:
een verwant dient geen netwerk te weven van boosheid,
met duistere bedoeling, de dood te beramen
op zijn kameraad. De in kamp dappere,
2170.Hygelāc, werd heel goed behandeld door zijn neef,
en de een wilde voor de ander al wat hem goed was.
Ik hoorde, dat hij aan Hygd die halsring gaf,
het wonderschoon kunstwerk, dat Wealhþēo hem schonk,
de dochter der vorst, en daarbij drie paarden,
2175.gracieus en met glanzend zadel. Na het geven der ring
kwam haar halslijn heel wat beter uit.
Zo toonde Ecgðēows zoon zijn eigenschappen,
de man bekend door krijg, door krachtdaden,
roem bracht hem zijn gedrag; in dronkenschap doodde hij
2180.geen van zijn vrienden; opvliegend was hij niet,
maar hij was begiftigd met de grootste kracht
van de mensen, deze machtige strijder,
die God hem gegeven had. Verguisd werd hij lang,
want het Gēatenvolk vond hem maar slecht,
2185.en weinig waardering wilde de Scyldingsvorst
hem op de drinkbank doen toekomen.
Zij meenden beslist, dat hij maar slap was,
een inert edelman. Verandering kwam er
voor al wat die eerbare man aangedaan was.
2190. De in gevechten befaamde, de vorst der strijders,
liet het erfstuk van Hrēel, ingelegd met goud,
toen binnen brengen; op het gebied van zwaarden
was er geen groter pracht bij de Gēats te vinden toen;
hij bood dat zwaard Bēowulf aan, gaf hem
2195.een huis, hoge rang, en huidenmaten land
zeven duizend. Zo bezaten zij nu beiden
land bij dat volk, langdurend recht
en eigen bezit van grond, maar die ene vooral,
een groot rijk, die in rang hoger stond.
2200.Daarna, in later dagen, liep het aldus
(door de stormen der strijd), dat, - na het sterven van Hygelāc
en toen Heardrēd neergehouwen was
door strijdzwaarden onder het schildendek,
toen strijdlustige Scylfings, onstuimige krijgers
2205.hem, Hererīcs neef, hadden overvallen
bij zijn overwinningsvolk met vijandigheid -,
het grote rijk overging daarna
in Bēowulfs hand; hij beheerde het goed
vijftig winters lang - wijs en bejaard was hij,
2210.oud vorst van eigen volk -, tot er één aanving,
een draak, zijn macht te tonen in donkere nachten;
op een hoog stuk heide hield hij wacht over een schat,
een steile steenhoop; een steegje lag daar onder,
alle mensen onbekend; een of andere man
2215.sloop naar die rijkdom, slaagde erin
daar door te dringen, nam een drinkbeker,
een grote, met goud versierd; geenszins bleef het hem onopgemerkt,
dat hem in zijn slaap door een sluwe dief
een loer was gedraaid. De omliggende volken,
2220.de mensen daar, ontdekten, dat hij des duivels was.
Die hem zo zwaar had geschaad, had niet zo maar,
uit eigener beweging die wormenschat opgezocht,
maar die dienaar van de een of andere man
ontvluchtte, flink in nood, vijandige slagen,
2225.hij had geen huis, en ging dat hol in,
die strijder, door schuld bezwaard. Spoedig gebeurde het,
dat angst en ontzetting de indringer overviel;
maar de ellendige .
..................................gemaakt
2230.......................toen hij in gevaar kwam.
De kostbare beker .........
Bijzonder veel van die
aloude schatten waren er in dat onderaards verblijf,
een enorme erfenis van een edel ras,
die daar eertijds door een onbekende,
2235.weloverwogen, weggeborgen was,
kostbare kleinoden. Kort tevoren waren
allen omgekomen, en die ene nog slechts
uit die menigte mensen vermoedde voor hem hetzelfde lot,
- de nog voortlevende vechter die zijn vrienden beweende -,
2240. dat hij nog maar nauwelijks genieten zou
van die oude rijkdom. Net gereed lag in de vlakte
die heuvel met dat hol, heel moeilijk toegankelijk,
pas opgeworpen bij de waterlijn;
de ringenbeheerder droeg de rijkdom der edelen,
2245. al wat waard was weggeborgen te worden, naar binnen,
verguld als het was met goud, en sprak:
"Houd goed vast nu, aarde, wat helden niet konden,
het eigendom der edelen; eertijds kregen zij
dit immers van u; iedereen van mijn volk,
2250.die nu dood is - dappere strijders -,
is gestorven in strijd, in een ontstellend bloedbad;
voorbij is hun feestvreugde. Geen vriend heb ik meer
om mijn zwaard te dragen, mijn drinkbeker vol pracht
te reinigen; verreisd zijn de helden.
2255.Het schitterend beslag zal men stelen, het goud,
van de harde helm; heel vast slapen zij,
die het oorlogsmasker op moesten poetsen;
de kolder, die in krijg klappen verduurd had
van het zwaard toen schilden braken,
2260.ging heen met zijn heer. Als de held sterft,
vermag een maliënrok zijn meester niet
lang te overleven. Geen geluid geeft de harp,
stil zwijgt de snaar, geen snelle havik
zweeft door de zaal, van geen gezwind paard
2265. klinkt hoefgetrappel in de hof. Heen gezonden
heeft een vreselijke dood velen der levenden! "
Triest en bedroefd betreurde hij zo het leed,
eenling na allen, en in ongeluk zwierf hij
dag en nacht rond, tot het doodstij
2270.zijn hart beroerde. Deze heerlijke schat
trof die oude ochtendschuimer onbewaakt aan,
de gladde, ongure draak, op zijn gang langs de heuvels,
op zijn vlucht door de nacht, vuur om hem heen,
en alles aanstekend; aardbewoners
2275. zijn doodsbenauwd voor hem. De doorgewinterde schurk,
bewaker van juwelen, zal weerkeren
naar het goud onder de grond; maar het geeft hem niets.
Een huis vol heidens goud, heel moeilijk toegankelijk,
hield die vijand des volks veel winters - drie honderd -
2280. onder de aarde bezet, totdat één man hem
verbolgen maakte; deze bracht zijn meester
de goudvergulde bokaal; vergeving vroeg hij
zijn heer voor zijn daad. Ontdekt was de schat,
rijkdom aan ringen verminderd, het rekest verleend
2285.aan de ellendige; voor de eerste keer
keek de koning naar het oude kunstwerk van mensen.
Daar ontwaakte de worm, woedend werd hij weer;
hij stormde langs de stenen, de stoutmoedige,
vond de voetsporen van de vijand,
2290. die heimelijk heen was gegaan langs het hoofd van de draak.
Zo zal hij niet sterven, die zich gesteund weet
door de genade van God; geenszins zal hem deren
ellende en leed. Langs de grond ging
die schattenbeheerder zorgvuldig zoeken naar de man
2295.die ook zijn slag had geslagen, toen hij sliep, de draak;
woest en woedend wierp hij zich vaak
helemaal rond die heuvel; er hield zich niemand op
in die woestenij, - vurig wenste hij strijd,
oorlogsarbeid; opnieuw ging hij naar die heuvel,
2300.speurde naar de schat; spoedig merkte hij,
dat er iemand geknoeid had met die kostbaarheden,
grandioos goud. Met grote moeite stelde
de schatbewaker zijn actie uit, tot de avond viel;
toen was de heuvelbeheerder hevig vertoornd,
2305.met vuur wilde die vijand wraak nemen toen
voor de dure drinkbeker. De dag was voorbij,
de wens van de worm; hij wilde niet langer blijven
op de heuvelhelling; heen ging hij in vuur,
voorzien van vlammen. Vreselijk was dat begin
2310.voor de lieden in dat land, en met leed zou het
aanstonds beëindigd worden voor hun uitdeler van schatten.
Die vreselijke ving aan toen vuur te spuwen,
de gebouwen der mensen te verbranden, - de vlammengloed
bracht angst over allen; geen enkel ding wenste hij
2315.in leven te laten, die luchtreiziger.
Wijd en zijd zag men die worm op zijn oorlogspad,
die vervaarlijke vijand, ver en dichtbij;
hoe hij heel dat Gēatenvolk haatte en schade deed,
de oorlogsschurk; naar de schat rende hij terug,
2320.naar zijn duister domein, vóór de dageraad.
Die in dat land huisden had hij gehuld in brand,
in vlammen en vuur; op zijn vesting vertrouwde hij,
zijn kracht en de wal; die verwachting kwam niet uit.
Meteen werd die verschrikking toen verteld aan Bēowulf,
2325. - alles zoals het echt was gebeurd -, hoe zijn eigen huis,
het voortreffelijkste bouwwerk, hoe de troon der Gēats
aan het smelten was in vuur. Smart gaf dat de moedige,
pijn in het hart, hevig zielenleed;
de wijze dacht te weten, dat hij een oude wet van God,
2330.de eeuwige Heer, ernstig geschonden had.
Geheel tegen zijn gewoonte kwam zijn hart toen
vol duistere gedachten, was het danig in de war.
Met vlammen had die vuurdraak de volksvesting,
dat land bij het water, die wal van aarde,
2335.volledig verwoest; de Wederkoning wilde hem
daarvoor wreken, de vorst der krijg.
Een strijdschild liet hij maken, de beschermer der krijgers,
de heer der edelen, geheel van ijzer,
wonderlijk versierd, zeer wel wetend,
2340.dat een van hout hem geen hulp kon geven,
linde tegen lekkend vuur. Het voorlopig bestaan
zou voor de befaamde vorst voltooid worden,
zijn leven op de wereld, en voor de worm ook,
hoewel hij haar heel lang beheerd had, de schat.
2345.Ongepast vond toen de prins der ringen het
met een groep mannen, een machtig heir,
die vlieger aan te gaan vallen; hij vreesde geen strijd,
en dat die draak dapper was deed hem ook niets,
zijn kracht in de krijg; het gekletter der wapenen,
2350.oorlog, had hij, immers, al eerder doorleefd,
- zich wagend in moeilijkheden -, toen als overwinnaar
hij de hal van Hrōgār geheel had schoongemaakt,
en dat stel in de strijd gestorven was door zijn hand,
de moeder en Grendel.
De ontmoeting der wapenen
2355.die het hevigst was, was die, waar men Hygelāc doodde,
toen de vriend van zijn volk, de vorst der Gēats,
in stormen van strijd stierf door een zwaardslag,
het wapen door de huid ging van Hrēels zoon,
in het gebied der Friezen. Bēowulf zwom over de zee,
2360.wist op eigen kracht te ontkomen.
In zijn eentje had hij in de armen
wel dertig harnassen, toen hij de hoge zee opging.
De Hetwaren hoefden echt niet hoog op te geven
over het gevecht te voet, zij, die voor zich uit, tegen hem,
2365.lindehout droegen; na die dappere te hebben ontmoet
was het weinigen gegeven weer naar huis te gaan.
Toen zwom Ecgðēows zoon over die zee vol stroming,
de eenzame, arme man, naar zijn eigen volk terug;
waar Hygd hem een hoge positie gaf,
2370.ringen en rijkdom; zij rekende er niet op,
dat de zoon zijn vaderland tegen een vreemd leger
behouden kon, nu Hygelāc dood was.
Nochtans kreeg men de nobele leider
geenszins zover, dat hij vorst werd over de eenzamen,
2375.dat hij heersen ging over Heardrēd,
of koninklijke waardigheid verkiezen wilde;
maar hij stond steeds achter hem, steunde hem met raad,
met vriendelijkheid, bij het volk, tot hij ouder werd,
hij de WestGēaten regeerde.
Zij gingen daarop,
2380.Ōhteres zonen, over zee naar hem toe;
nu verbannen, waren zij tegen de beste
der zeekoningen, die in Zweden rijkdom deelde,
tegen de vorst der Scylfings, de befaamde heer,
in opstand gekomen; het einde werd dat van zijn leven,
2385.een dodelijke wond was zijn deel als dank voor gastvrijheid,
Hygelācs zoon stierf daar onder zwaardslagen;
en Ongenðīows telg ging terug toen
naar zijn huis, na Heardrēds dood,
gaf het regeren der Gēats aan Bēowulf,
2390.schonk hem de troon; een voortreffelijk koning.
Voor de val van die vorst kon hij na veel jaren
iets terug doen; hij toonde zich een vriend
voor de arme Ēadgils; een oorlogsmacht
zond hij hem over zee, de zoon van Ōhthere,
2395. wakkere mannen en wapens; wraak nam deze daarop
met kommervolle tochten; de koning doodde hij.
Zo had Ecgðīows zoon zware slagen,
daden van dapperheid, tot dan overleefd,
elke vorm van vijandigheid, tot die éne dag,
2400.waarop hij tegen die worm te wapen trok.
Met elf anderen trok hij op naar de draak,
de heer der Gēats, hevig verbolgen;
de oorzaak van de ellende was hem ter ore gekomen,
de vreselijke pijn voor zijn volk; de vinder zelf
2405.had hem die heerlijke drinkbeker in handen gegeven.
Onder dwang moest hij als dertiende mee,
die de aanstichter was van die oorlog,
de groep liet zich leiden door de ellendige,
hij wees hun de weg, al wilde hij niet,
2410.naar waar volgens hem dat huis onder de aarde,
die heuvel en dat hol, was, heel dicht bij de branding,
het gebeuk van de baren; van binnen was het vol
met pracht en praal. Die pronkstukken van goud
waren al tijden bewaakt door een wachter onder de aarde,
2415.een grammoedig monster; geen gemakkelijke zaak
was het voor wie ook daar wat te bereiken.
Op de hoek ging de heer zitten, de geharde in de strijd,
de gulle prins der Gēats groette daarna
de hem zo dierbare mannen. Bedroefd was hij,
2420.rusteloos, bereid tot sterven, recht nabij was het lot,
dat die oude vorst overvallen zou,
dat zijn ziel gescheiden werd van de schatkamer,
leven van lichaam. Niet lang was het nog,
dat de geest van de vorst met vlees omwonden was.
2425.Bēowulf sprak, zoon van Ecgēow:
"Veel aanvallen overleefde ik als aankomend strijder,
oorlogsgevechten; aan dat alles denk ik nu.
Als kind van zeven nam de koning der rijkdom,
de vriend voor zijn volk mij van mijn vader vandaan;
2430. vorst Hrēel was mijn voogd, hij voedde mij op,
vanwege de verwantschap gaf hij mij waardevolle zaken;
op geen enkele wijze werd ik anders behandeld,
als aankomend strijder op zijn erf, dan elk van zijn zonen,
Herebeald en Hæðcyn, of mijn Hygelāc.
2435.Voor de oudste werd, erg genoeg,
het doodsbed gespreid door een daad van zijn broer,
toen Hæđcyn hem met een horenboog,
met een pijl, velde, zijn vriend en heer:
2440.bebloed door een boogpijl was de ene broer door de ander.
Voor dat buitengewone gevecht was geen boete te groot,
zwaar ging hij gebukt; zonder vergelding zou
de edelman overigens afscheid nemen van het leven.
Een dergelijk verdriet doorleeft ook een man,
2445.een bejaarde, als hij zijn nog jonge zoon
aan de galg ziet zwaaien; dan zingt hij een lied,
doet een klaagzang klinken, als zijn kind daar hangt,
een heerlijk hapje voor de raaf, en hij hem niet steunen kan
in al zijn oudheid, op geen enkele wijze.
2450.Elke ochtend mijmert hij altijd weer
over de dood van de dierbare; hij denkt er niet aan
een andere erfgenaam af te wachten
binnen zijn erfmuren, nu die ene zoon
door het noodlot des doods zijn daden beëindigd zag.
2455.Vol kommer kijkt hij naar de kamer van zijn zoon,
de verwaarloosde wijnhal, de windgeteisterde rustplaats,
beroofd van vertier; - de rijders slapen,
de helden in aarde gehuld; geen harp klinkt er,
geen vreugde vult het hof, zoals dat vroeger was.
2460.Dan gaat hij naar zijn slaapplaats, begint een treurzang,
die ene om die ene; alles leek hem te ruim,
velden en woonplaatsen.
De Wederprins
had ook om Herebeald hevige smart
in zijn hart te dragen; de doodslag kon hij
2465. op geen enkele wijze vereffenen voor de moordenaar,
noch kon hij de krijger kwalijk behandelen,
hem leed aandoen, al was de liefde voorbij.
Met die zorg in zijn hart, die hem zo zwaar overviel,
verliet hij 's mensen gezelschap, zocht hij Gods licht;
24'70.bij zijn laatste levenstocht liet hij zijn zonen
land en burchten, zoals een gelukkig man doet.
Over het wijde water was er wederzijds strijd,
vete en vijandschap tussen de volken der Zweden en Gēats,
hevige haat, nadat Hrēel gestorven was,
2475. en Ongenðeows zonen waren uiterst dapper
in het gevecht; geen vriendschap wilden zij
onderhouden over de zeeën, maar bij de Hrēosna-heuvel
begingen zij vaak gruwelijke moordparten.
Wraak daarvoor namen mijn neuriënde verwanten,
2480.toen de aanval, de vijandigheid, allen bekend werd,
hoewel Hæđcyn er hevig voor boette,
er het leven liet; voor de leider der Gēats
werd deze oorlog het eind van zijn leven.
De ene verwant liet de ander wreken voor die moord
2485.met het scherp van het zwaard, zo zei men mij;
Ongenþēow gaat s morgens op Eofer af;
de oorlogshelm barstte open, de oude Scylfing
viel neer, vreselijk bleek, aan de vele veten
dacht die hand weer, en hield de fatale slag niet in.
2490.Met glimmend zwaard gaf ik hem in oorlog terug,
toen ik de kans kreeg, wat mij aan kostbaarheden
geschonken was, een schitterende erfheerlijkheid,
akkers en land. Geen enkele reden had hij,
in het rijk der Zweden op zoek te gaan
2495.naar een minderwaardig strijder, bij de SpeerDenen,
of bij de Gepiden, en met pracht en rijkdom te betalen;
in het voetvolk wilde ik altijd vóór hen zijn,
alleen in de linie, en zo lang mijn leven duurt
zo strijd voeren, als dit zwaard het uithoudt,
2500.- dat mij vaak is gevolgd, vroeger en nu,
sinds door mijn dapperheid ik Dæghrefn doodde
met mijn handen, de Hugenstrijder;
geen kostbaarheden kon hij de koning der Friezen
aan gaan bieden, geen borstversieringen,
2505.maar hij viel in het gevecht, de vaandeldrager,
hij stierf in actie, de edelman; het oorlogsgeweld
was teveel voor zijn hart, velde zijn lichaam,
en geen slagzwaard. Strijden zullen nu
hand en harde kling om die heerlijkheden."
2510.Voor de laatste keer klonk Bēowulfs stem,
vol boute beloften: "Ik overleefde veel
slagen in mijn jeugd; nu ik bejaard ben, wil ik,
vorst van mijn volk, het gevecht toch opzoeken,
roemruchte daden verrichten, als die duivelse vijand
2515. mij vanuit zijn aardhol op gaat zoeken."
De wakkere helmdragers zei hij vaarwel toen,
elk der mannen, voor het allerlaatst,
zijn dierbare gezellen: "Geen zwaard zou ik dragen,
geen wapen naar de worm, als ik wist hoe ik anders
2520.waar kon maken die woorden van grootspraak
jegens de gruwelijke, zoals tegen Grendel ook gebeurde;
maar heet, dodelijk vuur ligt nu vóór mij,
giftige ademdamp: daarom draag ik een schild,
een hemd van maliën; voor die holenwachter
2525.wens ik geen voetbreed te wijken, maar wat ons het lot geven zal
de Meester van elke mens, zal mettertijd bij de muur
duidelijk worden. Dapper ben ik van geest,
daarom: geen grootspraak meer voor die grimmige vlieger.
Hier op de heuvel moet u, heren in rusting,
2530.afwachten in uw kolders, wie van ons tweeën
na de bloedige strijd beter de wonden
overleven kan. Het is niet uw onderneming,
noch is een mens bij machte, op mij enkel na,
zich met dat monster te meten in sterkte,
2535.zich te onderscheiden. Ofwel men schenkt mij
goud voor mijn kracht; ofwel komt de oorlog
uw vorst halen, een vreselijke dood."
De sterke strijder stond op toen met zijn rondas,
de onversaagde ging in oorlogspantser
2540.naar de voet der klippen; de kracht van één man
vertrouwde hij; geen tocht voor een lafaard!
Bij de muur zag de man, die een menigte
aanvallen, oorlogsgeweld, overleefd had,
toen het voetvolk streed, de voortreffelijke,
2545.een stenen boog staan, waar een stroom uit dat hol
naar buiten brak; brandend, als strijd zo heet,
was dat kokend kanaal, men kon geen moment
die diepte verdragen door de drakenvlammen,
zonder te verschroeien, bij die schattenhoop.
2550. Luid liet hij een kreet uit zijn longen klinken,
de vorst der WederGēats was vreselijk kwaad,
de stoutmoedige ging tekeer; de stem drong naar binnen,
een krijgsgeschreeuw weerklonk onder de kleurloze steen.
Weer groeide er wrok, de bewaker der schat
2555. herkende een mensenstem: geen mogelijkheid was er toen
om vriendschap te vragen. Toen vloog eerst naar buiten
de ademtocht van het akelig monster,
heet oorlogszweet; de aarde dreunde.
Met zijn schild beschermde de strijder zich
2560.tegen die holbewoner, de heer der Gēats;
dat kronkelwezen was klaar in zijn hart
om de aanval te openen. Onverschrokken
hield de vorst in de hand het heel oude zwaard
met messcherpe kling; ondanks de moordzucht
2565.was de een voor de ander uiterst bevreesd.
Hij zette zich schrap tegen het schild dat hoog oprees,
de vorst der vrienden, toen de vreselijke draak
opeens ineen krulde; in zijn oorlogspantser wachtte hij af.
Dat bochtige ding kwam brandend aanstormen,
2570. haastte zich naar zijn eind. Heel wat minder lang
beschermde het schild voor de onderscheiden heer
leven en lichaam, dan hij verlangd had;
die dag was de eerste, die hij doormaakte
zonder door het lot glorie verleend te worden
2575.in een gevecht. De vorst der Gēats
hief zijn hand op, hieuw met zijn erfzwaard
naar de walgelijke worm, maar waardeloos was het,
de schitterende kling schampte af op het schubbenbeen,
toen de heer van het volk er behoefte aan had,
2580. door ellende omringd. Razend werd toen
de holbeheerder na die hevige slag,
wierp vuur om zich heen; ver weg sprongen
vernietigende vlammen. De vriend der Gēats
zweeg nu over zegetochten, in deze strijd faalde
2585.het naakte zwaard, wat het niet had gemoeten,
het machtig ijzer. Een moeilijke tocht was het,
toen Ecgðēows zoon, de overal bekende,
deze levensplaats verlaten moest;
tegen zijn wens moest hij wonen gaan
2590.op een andere plaats, zoals elk mens ooit
opgeven moet zijn aards bestaan.
De aanvallers
kwamen elkaar kort daarop weer tegen.
De bewaker vermande zich, weer zwol er in zijn hart
een briesend geluid; ellende leed hij
2595.- door vuur bevangen -, die zijn volk lang had geleid.
Zijn gezellen, zonen van edelen,
kwamen geenszins als een groep om hem staan,
het gevecht niet vrezend, maar vluchtten naar het bos,
uit angst voor hun leven. Eén van hen vond,
2600.dat hij hem moest helpen; wie handelt met overleg,
zal geen banden ooit verbroken zien.
Wēoxstāns zoon was hij, Wīglāf genaamd,
voortreffelijk schilddrager, uit de Scylfingsstam,
verwant van Ælfhere; onder het oorlogsmasker
2605.zag hij zijn heer van hitte lijden.
Hij dacht aan de gunsten, die hem gegeven waren,
de weelderige woonplaats van de Wægmundings, (op æ moet een streepje)
evenveel volksrecht, als zijn vader had;
vast greep zijn hand het gele lindehout, de rondas,
2610.hij trok het oude zwaard, kon zich niet inhouden;
nog was dat over van Ēanmund, onder het volk,
de zoon van Ōhthere; in oorlog was deze,
als strijder zonder vrienden, door een slag van het zwaard
gedood door Wēohstān, en van zijn verwant droeg deze
2615.de glimmende helm, het hemd van ringen,
het gigantisch oud zwaard - hem gegeven door Onela,
het strijdgewaad van de zoon van zijn broer,
gevechtsklare bewapening, - en over de vete geen woord,
hoewel Wēohstān zijn verwant gedood had.
2620.Hij hield die pracht heel wat jaren in bezit,
zwaard en strijdpantser, tot zijn zoon dappere daden
verrichten kon, zoals zijn roemruchte vader;
toen hij het leven verliet - lang wachtte hij met die tocht -,
gaf hij hem de gevechtsrusting bij de Gēats,
2625.uiterst veel van alles. -Voor het eerst was dat
voor de jonge vechter, om met zijn vorst
de storm der strijd te doorstaan daar.
Zijn geest gaf geen krimp, de erfgift van zijn vader
bleef sterk in de strijd; dat stond wel vast voor de worm,
2630.toen die twee elkaar getroffen hadden.
Veel wijze woorden sprak Wiglaf toen
tot zijn kameraden vol kommer was zijn hart -:
"Ik weet nog die keer, dat wij wijn dronken,
- toen wij de beloften deden aan onze leider,
2635.die zeer kostbare zaken gaf in de zaal van het bier,
om deze oorlogsrustingen te verrekenen,
mocht iets dergelijks hem ooit mankeren,
helmen en een hard zwaard. Hierom koos hij ons uit het leger,
tot deze onderneming naar eigen inzicht,
2640.bedacht hij ons met eer, overlaadde mij met rijkdom,
omdat wij, volgens hem, voortreffelijke in de strijd waren,
kordate krijgslieden, - hij verkoos echter toch,
hij, onze heer, de behoeder des volks,
alleen dit grootse werk ten uitvoer te brengen,
2645.omdat van de mensheid hij de meeste roem had vergaard,
door daden vol durf. Nu is de dag gekomen,
dat onze meester machtige kracht nodig heeft,
moedige manschappen; ga mee op weg,
laat ons de leider helpen, zo lang als die hitte,
2650.die grimmige vuurzee er is: God weet van mij,
dat ik veel liever had, dat mijn lichaam
mét de gever van goud door de gloed van het vuur omringd wewrd.
Het leek mij onredelijk, als wij de rondassen
weer mee namen naar huis, zonder minstens eerst
2655.de vijand te hebben geveld, voor de vorst der Weders
lijfwacht te zijn geweest. Ik weet heel goed,
dat hij het nooit heeft verdiend, de deernis te dragen,
te vallen in het gevecht, volslagen alleen,
uit de groep der Gēats; gegord ten strijd gaan wij beiden
2660.met maliënhemd en pantser, met helm en zwaard."
Hij drong zich door de doodsrook, droeg de strijdhelm
als hulp naar zijn heer, en men hoorde hem nog zeggen:
"Dierbare Bēowulf, breng alles tot een goed einde,
zoals u jaren geleden, toen u jong was, zei,
2665.dat u niet toe zou laten, dat bij de levenden
uw roem zou verminderen; met alle macht die u hebt,
moet u uw leven resoluut nu verdedigen,
hooggeroemde held; ik zal u helpen."
Woedend kwam de worm er na die woorden weer aan,
2670.de gruwelijke kwelgeest ging opnieuw toen
vol met vlammen op zijn vijanden af,
de gehate helden. Heel het schild werd tot de rand
door vuurgolven opgevreten, geen veiligheid was er
voor de jonge vechter te vinden binnen zijn pantser,
2675.maar snel beschutte hij zich onder het schild van zijn verwant,
die jonge aanvaller, toen zijn eigen rondas
door het vuur was verslonden. De vorst der krijg
dacht toen weer aan dapperheid, met daverende kracht
liet hij het houwzwaard halt houden op het hoofd,
2680.gedreven door duivelse kracht; gedaan was het met Nægling,
het zwaard van Bēowulf brak in de strijd,
oud en grijs als het was. Gegeven was het hem niet,
dat in die krijg de kanten van ijzer
hem konden helpen; die hand was te sterk,
2685.die elk ijzer overmatig uitprobeerde met een zwaai,
zo werd mij gezegd, toen hij het uitzonderlijke wapen
de oorlog in droeg; het deerde hem niet minder.
Die vreselijke vuurdraak wilde vechten,
dook weer op de dappere af, ten derde male
2690.vloog die volksvijand vooruit, toen hij vond dat het ging,
verhit en hevig verbolgen, heel de hals nam hij
tussen zijn scherpe tanden; getooid werd hij
met het vocht des levens, bloed vloeide in stromen.
Nu die vorst van het volk in gevaar was,
2695.toonde die verwante edelman zijn aangeboren moed,
kracht en koenheid - zo kwam ik te weten.
Dat hoofd hoefde niet van hem, maar zijn hand verbrandde,
toen hij zijn verwant wilde helpen, door die worm toen,
dat louche heerschap, wat lager te raken,
2700.in zijn krijgskledij kon de dappere het zwaard
glimmend van het goud goed diep doen doordringen,
zodat het vuur voortaan minder was.
De koning zelf kreeg zich toen weer onder controle,
trok de scherpe, dodelijke strijddolk uit zijn rusting;
2705.de wachter der Weders sneed de worm middendoor.
De vijand hadden zij geveld - moed nam wraak op leven,
en allebei hadden de edele verwanten
die duivel gedood; zo dapper zou een man moeten zijn
in tijden van ellende! Voor die leider was dat
2710.de laatste verrichting van zijn leven,
deze overwinning. Die wond begon toen
op te zwellen, te branden, die de onderaardse draak
hem toegebracht had; terstond bemerkte hij,
dat binnen in zijn borst het beestengif
2715.zijn verwoestende werking begon. De wijze man
ging daarop zitten lange de zijkant,
de nobele krijger; hij bekeek het reuzenwerk,
hoe dat eeuwige aardhol overeind hield daarbinnen
stenen bogen, gesteund door pilaren.
2720.Zijn hooggeroemde heer, hevig onder het bloed,
zijn beminde meester, vermoeid van de strijd,
bette hij met water, die weergaloos goede dienaar,
met zijn handen; de helm maakte hij los.
Gewond als hij was, worstelend met de dood,
2725.ving Bēowulf aan te spreken; al te goed wist hij,
dat het eind van zijn bestaan aangebroken was,
de vreugde te leven voorbij; volledig had hij
zijn dagen doorleefd, de dood was nu zeer nabij.
"Aan mijn eigen zoon had ik het oorlogspantser
2730.nu willen aanbieden, als het mij ooit gegeven was
voor dat doel te krijgen een dergelijk erfgenaam,
uit eigen bloed. Onderdanen had ik
vijftig winters; geen volk had een koning,
geen enkele heer, van hen om mij heen,
2735.die mij met krijgers bekampen durfde,
met vrees overvallen. Wat voorbestemd was
heb ik afgewacht waar ik woonde, ik gedroeg mij goed,
zocht geen zwaard of krijg, zwoer haast geen
onrechtmatige eden. Aan dit alles kan ik,
2740.door een dodelijke wond verzwakt, denken met vreugde;
mij hoeft de Meester der mensen geen moord op verwanten
ten laste te leggen, als mijn leven
het lichaam verlaat. Niet langer gedraald nu,
ga onder de grijze steen het goud aanschouwen,
2745. dierbare Wīglāf, nu die worm daar ligt,
zwaargewond slaapt, van de schat beroofd.
Haast u nu henen, zodat ik die heel oude,
gouden schat aanschouwen kan, de schitterende
waardevolle stenen bewonderen kan, waardoor ik dan
2750.met minder moeite - na die macht aan rijkdom -
mijn leven en volk kan verlaten, dat ik lang heb geleid."
Na die woorden ging Wīhstāns zoon
zijn heer gehoorzamen - zo hoorde ik-, verwond als hij was,
en wel onmiddellijk, droeg de maliënkolder,
2755.het gevlochten gevechtskleed onder het plafond van dat hol.
Toen zag de zegevierder, langs de zetel gaande,
die moedige jongeman, menige kostbare steen,
glinsterend goud op de grond liggen,
wonderheden langs de wand, en het wormenhol,
2760.dat van die duistere vlieger; ontdaan van sieraad
was vaatwerk van vroeger, in verval geraakt,
het drinkgerei; roestig en oud lag daar
menige maskerhelm, en mooi gevlochten
armringen in groot tal. - Rijkdom kan ieder
2765.der mensen gemakkelijk overmeesteren,
goud in de grond, negeer het wie dat wil! -
Ook viel zijn oog op een algouden banier,
dat hoog boven de schat hing, handig vervaardigd,
een wonder van weefkunst; waarnemen kon hij daar
2770.die aardbodem, aanschouwen de pracht,
omdat het licht uitstraalde. Geen enkel spoor
was er van de worm te zien, want het zwaard had hem gedood.
Men heeft mij gemeld, dat die man de schat toen geplunderd heeft,
uit dat hol heeft gehaald dat heel oude reuzenwerk,
2775.in zijn armen laadde al wat hij wilde,
schalen en bekers; het schitterendste baken,
het banier, nam hij ook mee. Neergehaald had tevoren
het zwaard van de oude leider, met ijzeren kling,
hem, die heel lang geleden de beheerder was geweest
2780.van die pracht en praal, en dus een paniek had gezaaid
met vurige vlammen, dat vreselijk was geweest
midden in de nacht, tot hij door moord stierf.
De gezant wilde terug, hij treuzelde niet graag.
door de kleinoden gedreven; danig benieuwd was hij,
2785.de kloekmoedige, of hij de meester der Weders,
aan het eind van zijn krachten, op de open plek
nog levend zou aantreffen, waar hij hem achter gelaten had.
Met die rijkdom vond hij de roemruchte,
de prins, zijn heer, geheel onder het bloed,
2790.aan het eind van zijn leven; opnieuw begon hij hem
met water te besprenkelen, tot er weer spraak
uit zijn borst naar buiten kwam.
Gebroken en oud
sprak de koning - hij keek op het goud -:
"Nu mijn ogen rusten op al deze rijkdom,
2795.zeg ik de Heer, de Hemelkoning,
de eeuwigdurende vorst, dank voor het feit,
dat ik voor mijn stervensdag in staat ben geweest,
dit voor mijn volk te bevechten.
Mijn langdurig leven, dat het lot mij gegeven had,
2800.verkocht ik voor kostbaarheden; bekommert u zich nu verder
om de nood van mijn volk. Verder hier blijven kan ik niet.
Laat de befaamde vechters een fraaie grafheuvel
bouwen op een gebergte bij zee na mijn verbranding.
Hoog optorenend op de Hronkaap,
2805.moet die de mensen aan mijn volk doen denken,
zodat zeelieden, zonder veel zicht varend
in hun hoge schepen - van heel ver gekomen -,
het Bēowulfs Berg als bijnaam zullen geven."
De moedige prins maakte daarop
2810.zijn gouden halsberg los, overhandigde hem de edelman,
gaf de jonge speervechter de goudbeslagen helm,
ring en rusting, en raadde hem ze goed te gebruiken.
"Als laatste bent u over van ons geslacht,
de Wægmundings; mijn verwanten(op æ een verleng streepje)
2815.heeft het lot tot de laatste ten dode gesleept,
de onverschrokken edelen; ik moet hen nu na."
Dat was het allerlaatste, dat de oude aan gedachten
uit zijn borst naar buiten liet, voor hij verbranding zocht,
hete, gehate vlammen; uit zijn hart vlood
2820.zijn ziel, op zoek naar de zaligheid der rechtvaardigen.
Die jongeman moest toen daar meemaken
het droeve feit, dat hij zijn dierbaarste
op de aarde zag liggen aan het eind van zijn leven,
hulpeloos lijdend. Daar lag ook zijn doder,
2825.beroofd van het leven, overrompeld door ellende,
de gruwelijke gronddraak. Geen dag langer
kon de gekromde worm de kostbaarheden nog beheren,
maar het heel harde ijzer, de hamergesmede
krijgskling, had hem kompleet weggerukt,
2830.zodat die verre vlieger, geveld door zijn wonden,
naar de aarde dook, dicht bij zijn schattenhuis.
Hij maakte geen vluchten meer, midden in de nacht,
zwevend door het zwerk, zijn bezit der schat
en gestalte trots tonend, maar tuimelde naar de aarde
2035.door het handwerk van de heer der strijd.
Waarlijk weinigen - zo werd mij verteld -
der machtigen vermochten op de middenaarde
- hoewel dorstend naar daden van dat soort -,
op de adem af te stormen van de aanvaller vol gif,
2840.of met de handen de hal der ringen te verstoren,
als zij die wachter waakzaam aantroffen
boven op zijn berg. Bēowulf moest
deze keur aan kostbaarheden bekopen met de dood;
voor elk was het einde van dit onzeker bestaan
2145.nu gekomen.
Kort daarna was het,
dat de gevechtsschuwen tevoorschijn kwamen uit het bos,
tien in getal, trouweloze slappelingen,
die geen moed hadden gehad hun heer te verdedigen
met gevechtssperen in zijn vreselijke nood,
2950. en vol schaamte hun schilden nu droegen,
hun pantserplaten, naar de plaats waar de oude lag;
daar zagen zij Wīglāf. Hij zat uitgeput,
de voetvechter, vlak bij zijn meester,
wekte hem met water; het was nutteloos.
2555.Hoe graag hij ook wilde, geen mogelijkheid had hij
de aanvoerder op aarde in leven te houden,
noch iets te veranderen van de Allerhoogste;
zoals tot op heden, wilde de Here Gods in daden
aan iedere mens zijn machtsbesluit tonen.
2860.Van die jongeman konden zij, wie het aan moed ontbroken had,
woorden van verwijt verwachten toen.
Grimmig zei Wīglāf, Wēohstāns zoon,
de held, ten harte geroerd, de gehaten ziende:
'Wie het wil kan de waarheid spreken en zeggen,
2865. dat de koning, die u die kostbaarheden gaf,
de uitrusting ten oorlog, die u nu aan hebt,
toen hij het halvolk, de heerser zijn edelen,
helmen en harnassen, de heerlijkste
die hij vinden kon ver en nabij,
2870.aan placht te bieden vanaf de bank waar hij dronk,
deze gevechtspantsers volledig weg wierp,
toen oorlog over hem kwam, in zijn argeloosheid.
Op zijn krijgskameraden hoefde de koning
geenszins trots te gaan; de Gever der overwinningen
2875.had hem, echter, verleend, alleen zich te wreken
met de messcherpe kling, toen hij moed nodig had.
Maar weinig wist ik mijn verwant steun
te verlenen als lijfwacht, in het gevecht,
maar, boven mijn macht, heb ik het tenminste geprobeerd;
2880.steeds zwakker werd hij, toen met het zwaard ik
de vreselijke vijand trof, vuur kwam er minder
uit zijn innerlijk. Al te klein was de groep,
die de heer behoeden moest, in dat harde gelag.
Geen rijkdom zal uw ras nog bereiken,
2885. ontberen zult u blijdschap om bezit,
om zwaarden, u geschonken; zonder erfrecht zal
iedere man van uw familie het moeten doen,
wanneer uw vlucht ver weg vanhier
door nobele vorsten vernomen wordt,
2890.die verdorven daad. De dood is beter
voor elke edelman, dan een eerloos leven."
De heldendaad liet hij toen op de hoogte bekend maken,
in de verstevigde veste, waar de strijders al,
angstig afwachtend, de ochtend lang hadden gezeten,
2895.de schilddragers, denkend aan twee dingen,
de dood op die dag van de hun dierbare,
of zijn terugkeer. Na zijn rit de hoogte op,
hield de heraut niets geheim van het nieuws,
maar ieder hoorde alles naar waarheid:
2900."De weldoener der Wederstam,
de koning der Gēats, ligt geketend nu op zijn doodsbed,
vanwege die worm verwijlt hij nu op de baar;
die hem naar het leven stond, ligt naast hem,
verzwakt door dolksneden; met een zwaard kon hij
2905.bij dat akelig monster op geen enkele wijze
een verwonding bewerkstelligen. Wīglāf zit daar
aan Bēowulfs zijde, de zoon van Wīhstān,
de ene edelman bij de andere, dood,
houdt wacht, ten harte geroerd, over de hoofden
2910.van vriend en vijand.
Voor het volk ligt er vast
oorlog in het vooruitzicht, als overal,
aan Franken en Friezen, dat feit, de val
van de koning, bekend wordt. Zo kwam er ook
een hard gevecht met de Hūgen, toen Hygelāc ooit
2915.met een vloot naar Friesland gevaren kwam,
waar de Hetwaren hem met hevige strijd aanvielen,
zo overmachtig hun moed toonden,
dat de maliëndrager daar moest buigen,
viel met zijn voetvolk; de vorst gaf toen
2920.zijn krijgers geen kostbaarheden. Wij konden van toen af
geen mildheid verwachten van de Merovingers.
Zo verwacht ik zeker ook van het Zwedenvolk
geen vrede of vriendschap, want ver was het bekend,
hoe Hrēlings zoon, Hæðcyn, bij Ravenswoud,
2925.door Ongenþēow omgebracht was,
nadat de OorlogsScilfings aangevallen waren
door de Gēatenstam, arrogant als die waren.
Meteen sloeg hij terug, op tomeloze wijze,
de oude vader van Ōhthere, vol ervaring,
2930.velde de zeevorst, en bevrijdde zijn bruid,
zijn oude echtgenote, ontdaan van haar goud,
moeder van Onela en Ōhthere;
en zijn doodsvijanden vervolgde hij,
tot ze, zonder hun meester, en met moeite,
2935. zich naar Hrefnesholt reppen gingen.
Wie het zwaard had gespaard omsloot hij met een leger,
de door wonden verzwakten; de zwaarbeproefden
beloofde hij steeds ellende in die lange nacht,
hij zou bloed doen vloeien door het blad van het zwaard,
2940.in de morgen, ter vermaak van de vogels
er enkelen ophangen. Bij het ochtendgloren
kwam er, echter, opluchting voor de ontmoedigden,
toen zij Hygelācs hoorn heel duidelijk vernamen,
de klank der klaroen; toen kwam de dappere,
2945.kwam de bloem der natie naderbij.
Zien kon men het bloed van Zweden en Gēats,
overal sporen van strijd tot de dood,
hoe zij hun vete weer voortgezet hadden.
Met zijn mannen trok de held ontmoedigd voort,
2950.de ervaren vorst ging verder vooruit,
Ongenþēow rukte op naar de burcht
hij had gehoord van Hygelācs krijgskunst,
die trotse strateeg; hij vertrouwde zijn afweer niet:
kon hij die oceaanvaarders wel intomen,
2955.zijn bezit beschermen tegen zeestrijders,
de vrouwen en kinderen?; hij kroop daarom weer,
de oude, achter een aarden wal. Al wat 'Zweed' heette
werd achtervolgd, de vaandels van Hygelāc
gingen het veld van vrede bevolken daarna,
2960.toen de Hrēlings eenmaal binnen de haag waren.
Daar werd Ongenþēow in zijn opmars gestuit,
door het scherp der houwdegens, de grijsbehaarde,
zodat de vorst van het volk volledig afhankelijk was
van Eofors oordeel. Uiterst vertoornd
2965.stak Wulf, Wonrēds zoon, met een wapen naar hem,
en uit zijn aderen sprong onmiddellijk
bloed onder zijn haarbos. Bang was deze echter niet,
want toen de vorst van het volk zich voor hem opstelde,
gaf de oude heer hem een nog heviger slag terug,
2970.trof de Scylfings hem fataal, meteen daarop.
Op zijn beurt kon de zoon van Wonrēd, de dappere,
de oude held geen houwslag meer geven,
want de helm was hem op het hoofd doormidden gekliefd,
zodat badend in het bloed hij buigen moest,
2975.hij op de aarde viel; geen einde was dat van zijn bestaan,
want al deed de wond zeer, hij wist het te overleven.
De dappere dienaar van Hygelāc liet
het brede slagwapen - zijn broer immers lag dood - ,
het heel grote houwzwaard, die helm, werk van giganten,
2980.breken boven het schild; toen boog de koning,
de wachter van zijn volk, gewond tot de dood.
Niet weinigen waren er, die zijn verwant verzorgden,
hem meteen optilden, toen zij er de tijd voor kregen.
na victorie, bevochten op het veld van eer.
2985.Toen ging de ène held de ánder plunderen,
ontnam Ongenþēow zijn ijzeren kolder,
en ook zijn helm, en het harde zwaard met gevest;
naar Hygelāc bracht hij het harnas van de grijsaard.
Deze ontving het fraais, en vriendelijk zegde hij hem
2990. een beloning toe bij het volk, en verléénde die ook;
vergelding gaf hij, de Gēatenvorst, voor die aanval,
toen hij thuis kwam, de telg van Hrēel,
aan Wulf en Eofor met overmaat aan rijkdom,
overhandigde elk van hen honderdduizend
2995. maten grond, ringen uit gouddraad, - geen durfde
die giften hem kwalijk te nemen,
geen mens op de middenaarde, na hun vermaarde daden;
en aan Eofor gaf hij zijn enige dochter,
als bewijs van zijn goede wil, om zijn woning te sieren.
Ik denk, dat dit de dodelijke haat,
3000.de vijandschap en de vete is,
die het Zwedenvolk bij ons zoeken zal,
als hun ter ore komt, dat onze meester
levenloos is, hij, die land en rijkdom
vroeger tegen vijanden gevrijwaard heeft,
3005.voor de dappere schilddragers, na de dood van de mannen,
de welvaart bevorderde, en zich ook verder nog
de heerser toonde. Haasten wij ons nu,
om de vorst van het volk voor ons te zien,
en hem te brengen naar de brandstapel,
3010.die ons ringen deelde. Met de dappere
zal niet één enkel ding opsmelten, maar ontelbaar veel,
een grote rijkdom aan goud, grimmig bevochten,
en kostbare ringen, gekocht nu op het laatst
met zijn eigen leven; opeten zal ze vuur,
3015.de vlammen ze bedekken; geen vorst zal die rijkdom
dragen ter gedachtenis, bij geen dame, hoe mooi ook,
zal deze pracht aan ringen prijken in de hals,
maar verdrietig, ontdaan van goud,
zal zij heel vaak het vreemde land betreden,
3020.nu de legerleider het lachen opgegeven heeft,
vrolijkheid en vreugde. Vingers zullen daarom
in de morgenkou menige speer grijpen,
hoog in de hand, geen harpenklank
zal de dappere doen rijzen, maar de donkere raaf,
3025.altijd uit op aas, zal alles vertellen,
de arend melden, hoe zijn maaltijd geslaagd was,
toen hij doden deelde met de wolf."
Op deze wijze werd de dappere man
bode van een barre tijding; het gebeurde, wat hij zei,
3030.was werkelijk waar. Op weg ging heel de groep;
onder de Earnaklip ging men, uiterst bedroefd,
terwijl tranen vloeiden, naar het vreemde schouwspel.
Levenloos zag men hem liggen op het zand,
rustend op de baar, die hen ringen gedeeld had,
3035.lang geleden; de laatste dag was
aangebroken voor de onversaagde; de oorlogsvorst,
de Wederkoning, was een wonderlijke dood gestorven.
Een werkelijk zeldzaam wezen werd waargenomen eerst,
een vreselijke worm, op het veld daar,
3040.aan de andere kant; op allerlei manieren
was die vervaarlijke vuurdraak door vlammen geschroeid;
daar waar hij lag had hij een lengte
van vijftig voet; het vrije luchtruim
had hij 's nachts beheerst, naar zijn hol ging hij toen,
3045.naar beneden; nu lag hij vast in doodsketenen,
tot het eind opgebruikt zijn aardse grot.
Bij hem lagen bekers en schalen,
bokalen en kostbare zwaarden,
rot van het roest, doordat zij geruime tijd,
3050. duizend winters, doorgebracht hadden in de aarde;
ook was die erfenis, van omvang enorm,
met goud der ouden, omgeven met toverspreuken,
zodat geen enkele man aanraken kon
die ringenhal, tenzij de Heer zelf
3055.wie Hij wilde, de ware Koning der victorie,
- Hij is het Schild der mensen - die schat had laten openen,
en wel die man, waarvan Hij dacht dat het goed was.
Wie onder de muur onrechtmatig
het fraais had verborgen, had gefaald in zijn opzet,
3060.dat was duidelijk. Gedood had de wachter
eerst een uitzonderlijk man. Afschuwelijk werd
die vete gewroken. Volstrekt onbekend is het,
waar een onverschrokken edelman aan het eind zal komen
van zijn levensloop, en niet langer
3065.met zijn geestverwanten wonen kan in de medehal.
Zo was het Bēowulf, toen hij naar de bergwacht
op weg ging, de worsteling; hij wist zelf niet,
wat zijn wereldeinde bewerken zou.
De befaamde vorsten lieten er een vloek op rusten
3070.tot de dag des Oordeels, toen zij het daarin verborgen,
dat de persoon, die die plaats zou plunderen,
zwaar zou zondigen, zijn ziel in helse banden,
gepijnigd door plagen, verplicht te leven in een onzalig oord;
maar de erfenis van de eigenaar, met overal goud,
3075. had hij in al zijn omvang niet eerder aanschouwd.
De zoon van Wīhstān, Wīglāf, sprak toen:
"Vaak moet menige edelman misère verdragen,
die door één is veroorzaakt, zoals ons overkomen is.
De geliefde leider luisterde niet naar advies,
3080.hoe we de rijksschout ook raadden om
weg te blijven van die bewaker van het goud,
hem te laten liggen, waar hij lang was geweest,
in zijn eigen huis, tot het eind der wereld.
Zijn opdracht voerde hij uit; voor onze ogen ligt de schat,
3085.hevig bevochten; te hard was het lot,
dat de vorst van het volk van hier deed gaan.
In de aarde was ik, en ik heb alles aanschouwd,
- toen ik de kans kreeg - hoe die kamer was ingericht,
en maar met moeite mocht ik daar naar binnen,
3090. onder de aarde. Van het er opgeslagen bezit
heb ik zeer haastig met mijn handen
een grote last gegrepen, en ginds vandaan
naar mijn leider gebracht. Hij leefde toen nog,
was goed bij bewustzijn; in weemoed sprak de oude
3095.uitvoerig over alles, en liet u groeten,
vroeg of u een grafheuvel, groots en machtig,
op wilde werpen, waar u hem verbranden zou,
uw heer waardig, want van alle mensen
was hij over heel de aarde de eervolste strijder,
3100.zolang hem verleend werd
te leven in de weelde van zijn burcht.
Laat ons opnieuw opschieten nu,
om al het schoons aan stenen te aanschouwen,
een machtig gezicht zodat u de weelde aan bladgoud
3105.en ringen van dichtbij kunt zien. Breng een draagbaar in gereedheid,
laat die, bij onze komst, gelijk klaar staan buiten,
en dragen wij daarna de dierbare man,
onze leider, naar waar hij lang zal blijven,
in de omarming van de Allerhoogste."
3110.Toen liet Wēohstāns zoon, de wakkere strijder,
aan vele edelen opdracht geven,
aan huizenbezitters, om hout voor het vuur
aan te dragen overal vandaan voor de dappere,
de vorst van het volk: "De vlammen gaan nu,
3115.zwart vuur, verzwelgen wie de zwaarddragers leidde,
die al vaak een regen van ijzer overleefd had,
als een vloed van pijlen, voortgestuwd met kracht,
over de schildmuur schoot, als de schacht zijn dienst deed,
en de punt van de pijl volgde, met een pluim van achter."
3120.Waarlijk, toen wees Wēohstāns zoon,
de verstandige, strijders aan uit die koningsgroep,
zeven in totaal, de voortreffelijksten,
en als achtste aanvaller ging hij mee
onder het overhang der vijand; hij die vooraan ging,
3125.had een heldere toorts in de handen.
Er werd geen lot geworpen wie er weg moest halen die pracht,
toen de helden heel wat in die hal zagen liggen,
het er onbewaakt aantroffen daar,
en zonder verzorging; zo erg vonden zij het niet,
3130. dat zij in allerijl eruit moesten halen
die dure rijkdommen; men duwde de draak over de rand,
werkte de worm over de klip, liet het water hem nemen,
de vloed rond hem vloeien, die het fraais had beheerd.
Toen werd er bewerkt goud op een wagen geladen,
3135.ontelbaar in aantal, en de edele weggedragen,
naar de Hron-kaap, de hoogbejaarde strijder.
Een prachtige brandstapel brachten zij voor hem
op de grond in gereedheid, de Gēatenmannen,
omhingen die met helmen en schilden,
3140.weergaloze bewapening, zijn wens volgend;
in het midden legden zij de vermaarde prins,
de helden, huilend, hun heer, zo geliefd.
De vechters vingen aan, de vreselijk grote
stapel te ontsteken op de berg; er steeg boven het vuur
3145.een zwarte walm op, geweeklaag omringde
de ziedende zee van vuur - zwak werd de stormwind,
tot het beenderverblijf gebroken was
door de hitte op het hart. Hun heer was gestorven,
en ontroerd rouwden zij om deze rampspoed.
3150.Herhaaldelijk ook hoorde men jammerklachten
om Bēowulf van zijn oude vrouw, met opgestoken haar,
zij zong een lied vol smart, en zei daarbij,
hoe zij voor zich zag vreselijke tijden,
talloze moorden, terreur van een strijder,
3155.vernedering, hechtenis. De hemel verzwolg de rook.
Daarna maakten de mannen der Weders
een verhoging op de heuvel, verheven en uitgestrekt,
van zeer ver zichtbaar voor zeevaarders,
en binnen tien dagen bouwden ze voor de dappere
3160.een monument, en met een muur
omringden ze de resten, op de rijkste wijze,
die zeer knappe mannen konden bedenken.
In die grafheuvel ging ook al het goud aan ringen,
kostbare kleinoden, die koene strijders
3165.uit die massa rijkdom meegenomen hadden.
De schat der edelen werd aan de aarde toevertrouwd,
goud aan de grond, en begraven is het er nog,
voor ieder even nutteloos, als immer tevoren.
Toen trokken de dapperen met zijn twaalven
3170.rond de grafheuvel, de heldenzonen,
om hun verdriet te uiten, hun aanvoerder te betreuren,
om over hun koning een klaagzang aan te heffen;
waardering was er voor wat hij verricht had,
hoog prezen zij zijn adel, - het past immers,
3175.dat men zijn meester bemint van harte,
zijn achting uitspreekt, als hij naar elders gaat,
hij zijn lichaam verlaten moet.
Zo werd de val van de vorst door het volk der Gēats
klagend betreurd, zijn kameraden;
3180.op de wereld was hij, zo beweerde men,
de mildste der mannen, de menselijkste,
de allerhartelijkste heer, het hoogst geprezen.