Google



terug

Beowulf
Hwæt! We Gārdena in gēardagum,
þēodcyninga, þrym gefrã non,
hû ða æþelingas ellen fremedon.

(Luister!) (Wij) (van de SpeerDenen) (in dagen van weleer),
(van de volkskoningen), (glorie [acc.sg]) (hebben vernomen),
(hoe) (deze) (edelen, vorsten [nom.pl.]) (moed) (doen, verrichten [pret.3 pl]).
 
Bēowulf is het eerste meesterwerk van de Engelse literatuur, en het vroegste Europese heldendicht in de volkstaal, na het Latijn. De tekst is bewaard gebleven in één broos manuscript, dat rond het jaar 1000 door twee kopiisten is afgeschreven. Tot voor kort dachten de meeste geleerden, dat dit buitengewoon complexe en aangrijpende gedicht geschreven was in de achtste eeuw of eerder, maar in 1981 zette Kevin Kiernan een discussie in gang, door te beweren dat het werk is ontstaan rond het jaar 1000, en dat het manuscript dat we hebben misschien zelfs een werkkopie van de schrijver zelf is.
Het handschrift heeft ernstig te lijden gehad van een brand in 1731: de verschroeide en verkoolde randen zijn in de loop der tijd gedeeltelijk afgebrokkeld, zodat steeds meer woorden aan de rand van de bladen verloren zijn gegaan. Om dit proces te stoppen heeft men ieder blad zorgvuldig ingebed binnen een versteviging. Ook daarbij zijn weer details van de tekst weggevallen. Gelukkig zijn er rond 1787 twee kopieën gemaakt van de tekst - met brandschade en al, maar toch! Tot voor kort was elke reconstructie van het origineel daarop gebaseerd; maar nieuwe technologieën hebben tot nu onleesbare details weer zichtbaar gemaakt.
Het Bēowulf handschrift bevindt zich in het British Museum; het is tegenwoordig voor ieder toegankelijk door het Electronisch Beowulf Project. Ooit was het manuscript in het bezit van Sir Robert Bruce Cotton, een ‘antiquair’ / verzamelaar van Angelsaxische Oorkonden en handschriften; samen met twee andere verzamelingen vormde zijn collectie het begin van het British Museum in 1753.
Sir Robert had Bēowulf met nog vier manuscripten samengebonden tot één codex, die bekend staat onder de naam Cotton MS.Vitellius A.xv: het 15e boek (ManuScript) op de eerste plank (‘A’) van de muurkast (‘the press’) waar bovenop een buste stond van Keizer Vitellius.

Bēowulf is geschreven in het Angel-Saksisch, een naam die refereert aan de twee belangrijkste Germaanse stammen die vanaf de vijfde eeuw naar Engeland kwamen. Deze Noord-Germaanse taal - een verre neef van het Oud-IJslands en het Deens, die men in vakkringen ook wel het ‘Oud-Engels’ noemt -, werd in Groot-Brittannië gesproken tussen 500 en 1100. Na de Slag bij Hastings (1066) werd dat land overspoeld met Franse woorden, waardoor het karakter van de taal volledig veranderde.
Men zou zich deze oude taal kunnen voorstellen, als een Nederlands van nu, dat geen van het Frans afgeleide woorden heeft, en geen Engelsachtige woorden gebruikt; dat Nederlands van nu zou zich uiteraard door de eeuwen heen ook hebben ontwikkeld, maar dan met een volkomen andere woordenschat.
De vreemde woorden schrikken aanvankelijk af, en maken de tekst tot de wanhoop van iedere eerstejaarsstudent, zeker ook aan Engelstalige universiteiten: wie deze tekst voor het eerst ziet, moet haast verbijsterd zijn bij de gedachte dat deze taal ook geleerd zou kunnen worden.

Frances B. Grummere, 1910:
LO, praise of the prowess of people-kings
of spear-armed Danes, in days long sped,
we have heard, and what honor the athelings won!

Robert P. Creed, 1963:
Hear me! We’ve heard of Danish heroes,
Ancient kings and the glory they cut
For themselves, swinging mighty swords!

Bēowulf mag dan het oudste episch gedicht in de Engelse literatuur zijn, het is een misvatting, dat het gedicht het fundament vormt voor de verdere Engelstalige literatuur. Nergens in de Engelse literatuur vindt men enige verwijzing naar de heldhaftige daden van onze held; pas in 1815 is het werk voor het eerst in druk verschenen, en de eerste vertaling in het Modern-Engels dateert uit 1837.

Het gedicht verhaalt van enige hoogtepunten van de legendarische Zweedse held Bēowulf. Als jongeman komt hij de Deense koning HrÇx gār te hulp en verslaat het monster Grendel, dat HrÇ x gārs schitterende ontmoetingshal, Hēorot, onveilig maakte. Vervolgens doodt Bēowulf Grendels moeder,
een monster van een manwijf, de moeder van Grendel,
1260. die gedoemd was geweest haar dagen te slijten
in ijskoud, akelig water, … .
Na vijftig jaar over het rijk de Gēaten in Zuid-Zweden te hebben geregeerd, verliest Bēowulf het leven bij het doden van een draak, die zijn rijk had verwoest; hij wordt door zijn kameraden bijgezet in een grafheuvel.
Toen trokken de dapperen met zijn twaalven
3170. rond de grafheuvel, de heldenzonen,
om hun verdriet te uiten, hun aanvoerder te betreuren,
om over hun koning een klaagzang aan te heffen;
waardering was er voor wat hij verricht had,
hoog prezen zij zijn adel, - het past immers,
3175. dat men zijn meester bemint van harte,
zijn achting uitspreekt, als hij naar elders gaat,
hij zijn lichaam verlaten moet.
Zo werd de val van de vorst door het volk der Gēats
klagend betreurd, zijn kameraden;
3180. op de wereld was hij, zo beweerde men,
de mildste der mannen, de menselijkste,
de allerhartelijkste heer, het hoogst geprezen.
 
 
Michael Alexander, 1973:
Attend!
We have heard of the thriving of the throne of Denmark,
how the folk-kings flourished in former days,
how those royal athelings earned that glory.

Seamus Heaney, 1999:
So. The Spear-Danes in days gone by
and the kings who ruled them had courage and greatness.
We have heard of those princes’ heroic campaigns.

 
Het is onduidelijk wanneer en waar het gedicht, dat men als titel de naam van de held heeft meegegeven, geschreven is. Het verhaal speelt zich kennelijk af tegen een achtergrond van historische gebeurtenissen, en voor de mogelijke interpretatie daarvan maakt het wel degelijk iets uit wanneer wij denken aan een ontstaan in de zesde /zevende eeuw of aan de elfde eeuw. Bij een vroege datum, zou de vermelding van de Hetwari (vergelijk: Hatert, Heteren) kunnen duiden op de expeditie van Hygelāc tegen de Hetwaren in het land der Franken – de regio Nijmegen - in 523 (en misschien zelfs op een vijandelijk treffen op de plaats waar de Maas en de Niers samenstromen). De verscheidenheid van taalkundige vormen in de tekst zou, volgens Kevin Kiernan, eerder wijzen op een ontstaan rond 1000. De verbanden die er, volgens uw vertaler, zijn tussen (het begin) deze tekst en het begin van de Odyssee van Homerus, wijzen eveneens op deze laatstgenoemde datum, omdat ook de Oud-IJslandse saga’s van rond die tijd verwijzingen naar Troje bevatten.
 
 
 
L. Simons, 1896:
Voorwaar, der Denenroem in voortijdsdagen
Der volksbeheerschers hebben wij vernomen,
Hoe de eêlgeboornen heldendaân voldongen.

Jan Jonk, 2001:
Hoort! De vorsten van ons volk, de Vecht-Denen,
waren vroeger maar wàt machtig -
welk een roemruchte daden verrichtten zij!