Google



terug naar de beginpagina

Lucretia verkracht

the rape of lucrece
William Shakespeare
vertaling    Jan Jonk
Weg van het belegerd Ardea, als een speer,
gedragen op wankele vleugelen lust puur
verlaat Tarquinius het Romeinse heir
en brengt naar Collatium het smeulend vuur
dat onder een sintellaag wegkruipt tot het uur
van opvlammen rond kuisheid zonder ga,
schoon Collatinus’ lief, Lucretia.

Triest dat nu juist dat ‘kuis’ die driestheid gaf,
die niet te stuiten lust, die felle drang:
10want Collatinus liet, naïef, niet af
het uniek rood-wit te prijzen op die wang
dat straalde aan zijn zevende hemelgang
waar een aards paar sterren, licht als de hemelpracht,
hem met zuiver aspect speciaal bedacht.

Want de nacht ervoor, in Tarquinius’ tent,
ontsloot hij het tresoor van zijn geluk:
wat gaf hem de hemel rijkdom, ongekend,
het bezit van zijn – O - allermooiste stuk;
een grootser lot dan een koning, sprak hij druk,
20die een groot beroemdheid tot vorstin verhief,
maar geen zo onwaardeerbaar als zijn lief.

O, zaligheid, die een enkeling kennen zou,
die, in het bezit, zo vlug vervallen kon
als het zilver smelten van de ochtenddauw
tegen de gouden schittering van de zon
- het genot voorbij voordat het goed begon.
Eer en schoonheid in de armen van de macht
zijn zwak als er een wereld onheil wacht.

Waar grote schoonheid zelf het mannenoog
30voor zich inneemt, hoeft zij niet echt bepleit;
wat iets bezongen in een fel betoog
dat zo uniek is en zo’n zeldzaamheid;
hoezo spreekt Collatinus wijd en zijd
van dit rijk juweel, wat een dievenoor
niet weten mag, daar het hèm toebehoort?

Zijn ‘Zij is de mooiste’, en dat steeds maar door,
had op die trotse prins zo’n uitwerking
(want het hart wordt vaak bezoedeld door ons oor).
Of was het jalousie om zo’n rijk ding
40dat elk schoon tartte, verontwaardiging
in zijn hovaardig hart, dat een mindere snoeft
om het gulden lot dat hij zijn baas aftroeft.

Of is het een plotse inval wellicht,
wat tot zijn overhaast vertrek uitgroeit;
zijn eer, zijn zaken, vrienden, staat of plicht
laat hij voor wat zij zijn: al wat hem boeit
is het vuur doven dat in zijn lever gloeit.
O valse lust, door spijt verhuld, en kou,
uw jeugdig vuur laat nooit af, wordt nooit oud.
50Als deze valserik bij Collatium staat,
ontvangt hem de Romeinse vrouwe goed;
schoonheid en deugd strijden op haar gelaat
wie van hen tweeën haar faam rijzen doet.
Geeft deugd hoog op, dan bloost schoon rood van bloed;
en als schoon gloeien gaat, tempert deugd dit
door een indiepe waas van zilverwit.