Google



terug naar de beginpagina

Moet ik zuchten

shall i die
William Shakespeare
vertaling    Jan Jonk
Moet ik zuchten, of ontvluchten
Liefdes pijn en venijn, en mij schaden?
Moet ik weren, of begeren?
Moet ik minnen, niet bezinnen al mijn daden?
Haar gezicht bindt mijn plicht,
Maakt mij voortaan haar onderdaan.
Haar minachten doet mij smachten;
O, ik sterf in verderf, van vreugd ontdaan.

Niet geblust is mijn lust;
Het geweld dat mij kwelt moet hier in het open:
Glimlacht zij, dan is voorbij
Al mijn leed; kijkt zij wreed, dan verdwijnt mijn hopen.
Mij niet bezocht, O, achterdocht,
Want jij wilt mij toch belagen.
Vlucht weg, jij, ga weg, jij:
Ik zal minnen, want hoop doet mij wagen.

Wie wantrouwt, die is fout;
Eerst kijk ik, of haar blik vol vuur zal zijn.
Daarom, vecht! Wat zij zegt
Maakt je warm, dan wel arm, vol liefdepijn.
Maar dan nog, draag ik toch
Wat zij wenst met geduld, want haar licht
Schaduwt nooit wat haar tooit,
Al verwerpt zij hem die haar dient met plicht.

Toen ik sliep, droomde ik diep -
Welk een traan: dromen gaan als een schaduw heen -,
Hoe mijn lief, hoe mijn dief
Bij mij was, en door het gras te lopen scheen.
Samen toen, voor een zoen,
Hebben we even gewacht naast het pad,
Lippen kusten, toen wij rustten,
En handen sloten banden om mijn schat.

Wind bewoog speels omhoog
't Haar van goud, en woei stout om te minnen.
Hoe dat viel trof mijn ziel;
Maar het mooi hoofd heeft verdoofd al mijn zinnen.
Ik stond verstomd, want ik vond
Veel meer dan wereldse uitdrukking.
In elk paar blijkt het waar:
Zo sterk is schoonheids aantrekking.

En geen haar ziet men waar
't Voorhoofd hoog welt: en het brauwveld zonder lijnen
ligt daaronder; liefdes wonder,
sterrenflonken zijn de vonken die daar schijnen.
Wie haar lach ooit zag
Weet dat zij daar schoonheids vaandel droeg.
Door verlangen bevangen,
Is mij haar blik nooit genoeg.

Lippen rood - lust, genood,
Wordt gevoed met al het zoet, en mag vrijelijk
Daar voorbij; dan gaat hij
Door met kussen, niet te sussen onophoudelijk.
Dan die kin - daarin
Ligt al wat heet bewondering.
Een vlekkeloze hals, alles
Aan haar overtreft de verwondering.

Sapperloot, wat een bloot
Waar een huid zo omsluit onderdelen.
Het is goed, dat niets dan zoet
Bij die pracht komt en zacht gaat zinnenspelen.
Zuivere roos, weergaloos,
Nog nooit overtroffen in gaafheid:
Gebrek, noch vlek,
Zij is schoonheids vorstin in volmaaktheid.

Zorgenvrij droomde ik mij,
En het scheen dat wij tweeŽn baadden in weelde.
Nu ik ontwaak, komt de wraak;
Want verweesd is mijn geest, de in geluk misdeelde.
Dus nu moet ik goed
Mij richten op dat wat mijn hart lust.
Geen gedraal! - Wat normaal
In zo'n geval vaak liefdes smacht blust.