terug naar de gedichten verder
Sonnetten 1 - 50
1 De mooiste schepselen wensen wij vermeerd,
dat zo de roos der schoonheid nimmer sterft,
maar, als de tijd de ouderbloem verteert,
zijn schoonheid aan de jonge loot vererft.
Maar jij, verpand aan eigen ogengloed,
jij voedt je vuurvlam met een eigen aard,
maakt zo een hongersnood bij overvloed,
jij aartsvijand, die zelfs jezelf niet spaart.
Met jou smukt zich de wereld nu nieuw op;
jij, d heraut van stralend lentegroen,
begraaft wat in je rust in eigen knop;
in gierigheid ga jij, vrek, je verdoen.
Bedenk de wereld, stop die zwelgerij
door 's werelds deel te eten, graf en jij.

2 Als veertig winters om je slapen sluiten,
je huid vol groeven loopt, je ereveld,
zal het jeugdige livrei, jouw ijdeltuiten.
slechts haveloos goed zijn, dat men niet meer telt.
Dan op de vraag waar al je schoonheid ligt,
waar je de schat verbergt van wild vermaak,
te zeggen: 'In mijn eigen, hol gezicht'
zou schaamte zijn die vreet, of lofgrootspraak.
Weet hoed dat het je groter glorie gaf
als je dan zeggen kom: 'Mijn laatste blad
sluit ik met deze zoon als kwijting af',
en jij je schoonheid hem gelaten had.
Dan werd je een nieuwe mens al was je oud;
zag je bloed weer warm, al voelde het koud.

3 Kijk in je spiegel, zeg wie je daar ziet,
dat het nu tijd is voor een nieuw gezicht,
een jongen blos, die je de wereld niet
onthouden mag; de echt is heilige plicht,
Is er n vrouw, wier ongerepte schoot
de arbeid van je landmanschap veracht?
Of welke dwaas, reeds bij zijn leven door,
berooft zijn eigenmin van nageslacht?
Jij bent je moeders spiegel, en in jou
wordt zij herinnerd aan haar lentetijd;
kijk zelf door oude vensters straks, aanschouw
je gouden tijd van nu, rimpels ten spijt.
Maar als je leeft dat geen je geheugen zal,
sterft dan alleen; je beeld sterft met je val.

4 O, loos verderven, waarom hier verdaan
je schoonheid, die bestemd is tot legaat?
Zij leent, natuur, niets doet zij overgaan,
en zij leent gul aan wie met gulheid laat.
Wat, schone schraper, dan zozeer misbruikt
die mildheid je gegeven om te geven?
Profijtig woekeraar, waarom verbruikt
de som der sommen zonder ooit te leven?
Jij doet je zoete evenbeeld te kort,
zo jij alleen met eigen ik verkeert.
Als jij van de aarde opgeroepen wordt,
is het actief wat van jou dan resteert?
Met jou verdwijnt je schoonheid in het graf,
die, goed benut, je nog een leven gaf.

5 Die uren die met zachte hand aan het raam
de schoonheid weefden die elk oog verblindt
zullen tirannen zijn, zodat waar naam
van gootsheid is, men dan groteskheid vindt.
Want immer voert de tijd de zomer voort
naar ijzige winter, brengt hem daar ten val:
vorst stremt het sap, de kracht van het blad gesmoord,
schittering besneeuwd, en kaalheid overal.
Zo niet een glazen muur de quintessens,
het zomer-destillaat gevangen hield,
zou mt schoonheid haar vrucht nog door geen mens
herinnerd worden, was haar werk vernield.
De komst van winter velt slechts kelk en kroon,
waar, overhaald, voortgeurt het bloemenschoon.

6 Ontneem de winter met zijn schrale hand
de kans je zomersappen te verdrogen;
stort ze in een vat zo zoet; schenk, houd in stand
je schat, voordat je sterft in onvermogen.
Beleggen, woekeren staat ieder vrij,
wanneer de ontvanger graag de tienden geeft;
laat uit je voortkomen een tweede jij;
tienmaal gelukkiger nog wie tienmaal leeft.
Jij ware nu tienvoudig meer voldaan
wanneer dit tiental je tienmaal herschreef.
Wat wou de dood aan het eind van je bestaan
als zich je leven eeuwig delen bleef?
Stop eigenzinnigheid; zo mooi te sterven
maakt dood tot overwinnaar, maden erven.

7 Zie, als in de orint het gracieuze licht
zijn brandend hoofd verheft, brengt elk aards oog
weer hulde aan dat nieuw schijnend gezicht
en volgt zijn majesteit langs de hemelboog.
Geklommen naar de steile hemeltop,
halfweg zijn levenspad vol jeugdige drang,
kijkt men nog steeds vergodend naar hem op
en volgt hem op zijn gouden ommegang.
Als hij van het zenit wankelt, stram en straf,
een man die van de dag loopt, schuifelt, steunt,
keert wie met plicht keek zich volledig af,
kijkt weg van het lage pad waar hij zo kreunt.
Zo sterf jij, die nu bruist van levenskracht,
onopgemerkt, tenzij je een zoon voortbracht.

8 Mijn minnestreel, waarom zo in mineur?
Zoet accordeert met zoet, vreugde met vreugd,
Waarom zo graag gebracht tot slecht humeur,
doet deze pijn je soms zo'n grote deugd?
Als harmonie van rein gestemd akkoord,
als juiste samenklank je oor ontstemt,
is dat een zacht verwijt aan jou, die het hoort
als wanklank, en geen melodie herkent.
Hoor hoe n snaar, de eerste die begint,
de andere in paren spreken laat;
ze lijken vader, moeder, een blij kind,
wier stem in n toon zuiver samengaat,
wier woordeloze veelheid, schijnbaar n,
je dit toezingt: 'Niets komt uit jou, alleen'.

9 Wil jij geen tranen soms, geen weduwvrouw,
dat jij in eenzaamheid je leven slijt?
Ah! Zo jij zonder kinderen sterven zou,
beweent de wereld haar bestorvenheid.
De wereld is je weduwe, die steeds
betreurt dat jij geen evenbeeld na liet,
waar elke andere weduwe toch reeds
in de ogen van haar kind de vader ziet.
Wat een verkwister in de wereld af,
blijft daar, en geeft die wereld vreugd volop.
Schnheid verdaan loopt in de wereld af,
en niet belegd gebruikt de vrek haar op.
Dat hart heeft nooit van hartelijkheid gehoord
dat zonder schaamte zo zichzelf vermoordt.

10 O, schaam je, en ontken een liefdeband,
jij, die het oog slechts houdt op eigenzucht;
zovelen zoeken weliswaar je hand,
maar jij mint geen, dat is meer dan een gerucht.
Want jij wordt zo beheerst door moord en haat
dat je het eigen ik niet hoedt voor pijn,
het schone huis liever vervallen laat,
waar voortbestaan je eerste wens moest zijn.
Keer toch van zin dat ik mijn denken keer,
Moet haat fraaier behuisd dat zoet min?
Wees als je voorkomen, zo zacht, zo teer,
maak minstens ook jezelf het naar de zin.
Om mijnentwil, vermeerder je persoon,
leef voort, jij, gadeloze, in je zoon.

11 Wat jij, verschrompelend, ras tot leven brengt,
is deel van jou, uit wat je achter laat;
het levensvocht, dat jij, zo jong, verschenkt,
heet nog het jouwe als je jeugd vergaat.
Hierin leeft aanwas, gratie, goed beleid,
daarbuiten dwaas en oud zijn, kil verderven.
Als iedereen zo dacht, verging de tijd,
zou zestig jaar de wereld doen versterven.
Wie de natuur niet uitkoos tot de teelt,
het rauwe, plompe volk, blijv' zonder broed;
wie zij ook gaf, zijn heeft jou het rijkst bedeeld;
koester dus mild dat mild geschonken goed!
Ze sneed jou als haar zegel; en een zoon
wenst zij gedrukt; gebruik dat rijk patroon.

12 Als ik dan tel hoe vaak de klokke slaat,
een dag van zon verzwolgen zie door nacht,
hoe een klein viooltje na haar bloei vergaat,
en zwarte lokken nu wit zilver zacht,
als hoge bomen kaal zijn, zonder loof,
wier kroon de zoelte ooit brak voor het vee,
als zomergroen gebonden wordt tot schoof
-wit torst de berrie bundels baarden mee-,
hoe zal het dan jouw schoonheid tocht vergaan;
jij wordt vervallen braakland van de tijd,
als gratie, charme onbebouwd blijft staan,
afsterft, terwijl al het andere gedijt;
geen ding kan zich tegen tijds zicht verweren,
dan door met vrucht zijn grijphand te trotseren.

13 Bleef u toch wie u bent; maar, vriend, uw vuur
brandt echt niet langer dan u zelf hier leeft.
Wees voorbereid dan op dat laatste uur;
zorg dat u een ander al uw zoetheid geeft.
Zo zou de schoonheid, nu gebruikt als recht,
door u worden beklemd; na uw verscheiden
zou blijken hoe goed u zich had belegd,
wanneer uw vrucht tot nageslacht zou leiden.
Wie brengt zo'n schone woonstee tot verval
als juist beheer haar goed beschutten zou
tegen de winterstormen, tegenval,
tegen de dorheid van doods eeuwige kou?'
Verkwisters slechts! Mijn lieve vriend, u weet,
u had een vader; dat ook u zo heet!

14 Het is niet de hemel die mij spreken doet,
al ben ik een sterrenkijker die het weet;
ik spreek toch nooit van voor- of tegenspoed,
van pest of schaarste of wat de tijd ons smeedt;
ik profeteer niet tot op de seconde
de komst van donder, regenval of wind;
geen vorsten horen mij geluk verkonden,
wat ik, als kenner, vaak in sterren vind.
Jouw ogen geven mij alwetendheid,
die trouwe sterren hebben mij geleerd,
dat waarheid en ook schoonheid goed gedijt,
als jij je tot jezelf beleggen keert;
hoor anders wat ik jou prognosticeer:
jouw sterven haalt ook waarheid, schoonheid neer.

15 Als ik bedenk hoe al wat leeft en groeit,
slechts kort volmaakt is, voor het gaat verteren,
hoe dit immens toneel slechts matig boeit,
benvloed door de stille sterrenzang der sferen;
als ik de mens zie voortgaan als een plant,
gekoesterd en verkild door eendere licht,
vol van zijn jeugdige sap, op het hoogst gestrand,
zijn schittering voorbij, een dorre vrucht-;
gedachtig deze onbestendigheid
zie ik uw jeugd, uw uitstraling en kracht,
hoe met verval de alverwoester tijd
uw dag zal maken tot bezwalkte nacht.
De oorlog aan de tijd omdat hij nam:
waar hij wegsnoeit, grif ik u nieuw op stam.

16 Maar waarom niet op machtiger manier
die bloedige tiran, de tijd, bestreden?
Waarom niet zoeter dan met dorre lier
tegen verval ten strijde aangetreden?
Nu, op het hoogtepunt van kracht en roem,
droeg menige onbewerkte vrouwegaard
van ganser hart' uw leven en uw bloem,
die uw portret veel meer dan evenaart.
Zo hield het leven zelf de lijn in stand,
waar dit penseel der tijd, noch leerlingschacht,
ondanks de grote waarde en fraaie hand,
zo kundig is dat die u leven bracht.
Uzelf wegschenken geeft uw leven vlucht;
leef voort dan, door uw eigen pennevrucht.

17 Wie is er die mijn vers straks ooit gelooft,
als het steeds bol stond van voortreffelijkheid;
het is toch een graftombe die u, beroofd
van het leven, hlf niet hult in majesteit.
Als ik uw oog beschreef als meesterstuk,
u prees en prijzen bleef in elk gedicht,
dan die de lezer straks: 'Een schrijversnuk,
zo hemels schoon was nooit een aards gezicht'.
Zo werd dan het papier, vergeeld en oud,
verrguisd, als een bejaarde beuzelaar;
uw lofzang heette waanzin, dichterkout,
een overtrokken versje, oud en raar.
Maar zo een kind van u ooit leven zag,
kreeg u door hem en het vers een tweede dag.

18 Zal ik je meten met een zomerdag?
Jij bent lieflijker en kent beter maat.
Storm beukt wat ik in mei als knopje zag:
te snel verliest de zomer zijn mandaat.
Soms schijnt het oog des hemels veel te heet;
vaak is zijn gouden teint van korte duur;
en al wat glanst verliest ooit toch het kleed
ontluisterd door het lot of de natuur.
Jij bent de zomer die voor eeuwig straalt,
en nooit verloren gaat jouw gouden schijn;
nooit grijnst de dood dat je in zijn schaduw dwaalt,
daar jij tijdloos doorleeft in eeuwige lijn.
Zo lang de mens kan ademen, ogen zien,
zo lang leeft dit, en dus jij bovendien.

19 Verslinder, Tijd, stomp af de leeuwepoot,
doe de aard' verzwelgen wat ze aan schepsels bracht,
ontruk de tijgermuil de tanden groot,
verbrand de aloude feniks in haar kracht.
Geef in het voorbijgaan voor- en tegenspoed,
en doe maar wat je wilt, snelvoetige Tijd,
met heel de wereld en het vergankelijk goed:
maar wacht je voor deze verdorvenheid:
blijf met je pen af van mijn vriends gelaat,
zorg dat je daar geen diepe voren schrijft,
laat hem onaangetast terwijl jij gaat,
dat hij voor het nageslacht ht voorbeeld blijft.
Maar sla toe, oude tijd: trots jouw venijn,
zal in mijn vers mijn lief steeds jeugdig zijn.

20 Een vrouw schiep de natuur je eigenhandig
van aanzicht, meester vrouwe van mijn zuchten,
met teder vrouwenhart, niet zo losbandig
als valse vrouwen die men dient te duchten,
oprecht van oogopslag en uiterst schrander,
verguldend al waarop je blikken rusten,
een man met voorkomen groots als geen ander,
dat mannenoog een vrouwenhart doet lusten.
Jij werd door de natuur als vrouw geschapen,
tot zijn, ontvlamd, zich geenszins moeite spaarde
en door iets extra's jou mij af ging kapen:
n ding erbij had voor mijn doel geen waarde.
Zij pikt jou om vrouwen te plezieren;
schenk mj dan liefde, hn min na het versieren.

21 Zoals die Muze is het bij mij niet,
die slechts gaat dichten voor een fraai portret,
die zonder hemel niets kan met zijn lied
en al wat schoon is naast zijn schoonheid zet,
het hoogst en het hoogst steeds parend aan elkaar,
aan zon en maan, aan aarde en zeeagaat,
aan de eerste aprilse bloem, de wonderen waar
de hemelboog zo groots omhenen staat.
Geloof mijn woord, als ik in oprechtheid stel
dat van geen mensenkind ooit wordt gekend
een schoner liefde, al schijnt zij minder fel
dan het gouden kaarslicht aan het firmament.
Wie iets heeft horen zeggen, draaft gauw door;
ik vent hier niet, en streel dus niemands oor.

22 Ik aanvaard mijn oud-zijn in de spiegel niet,
zo lang jij even jong bent als de jeugd;
pas als men in jouw huid tijds voren ziet,
dan kijk ik naar de dood uit als een vreugd.
Want al de schone pracht die jou omgeeft
vormt voor mijn hart de passende kledij,
dat - als jouw hart in mij - diep in jou leeft,
- hoe kan ik dan ooit ouder zijn dan jij?
Wees, vriend, als ik, jezelf dus toegewijd,
wie niet ikzelf maar jij ter harte gaat
en die je hart draagt met de zorgzaamheid
waarmee een min haar kind behoedt voor kwaad.
Als mijn hart sterft, dan eindigt ook jouw leven;
jij gaf me het jouwe, om het nooit terug te geven.

23 Zoals een zwak acteur op het toneel
verkrampt de woorden kwijt is van zijn lied,
of een te vurig ding dat al te veel,
te graag zich dik maakt - en zijn kruit verschiet,
zo ben ik, twijfelend, bang, geheel vergeten
het juiste woord dat bij mijn liefde past,
lijkt liefde in haar kracht nu al gesleten,
en zwicht ik onder eigen liefdeslast.
O, laat mijn boeken dan de redekunst
en stille boodschap zijn van het sprekend hart,
met sterker pleit voor liefde en wedergunst
dan ooit mijn tong getuigt van liefdes smart.
O, lees en leer wat liefde zwijgend schrijft;
hoor met je oog als jou de liefde drijft.

24 Mijn oog werd tot graveur, en het burijnde
jouw schoonheid in de tafel van mijn hart;
schouw door mijn lichaam, en doorzie het gelijnde,
want door dit raam wordt de hoogste kunst ontward.
Zie door de kunstenaar, en met hem mee,
hoe knap jij levensecht bent afgebeeld;
ik omsluit je eeuwig in mijn atelier,
waar het licht door jouw ogen naar binnen speelt.
Zie eens wat oog voor oog bewerken kon:
mijn ogen sneden jou, de jouwe zijn
de vensters op mijn borst, waardoor de zon
graag gluurt, en zich verlustigt aan het grein.
Toch mist het oog de kunst die alles kroont,
die in het zichtbare mijn hart ook toont.

25 Laat zij die door de sterren zijn bedeeld
prat gaan op titels en op erekroon,
waar ik, die het lot niet met triomfen streelt,
in stilte blij ben dat ik eer betoon.
Een vorstenvriend spreidt graag zijn bladerpracht,
maar als de goudsbloem, in het licht de zon,
en weer alleen, verdwijnt jeugd in de nacht,
n frons, en dood is wie zo trots begon.
Een goed soldaat, een vechter, hoog gevierd,
die duizend keren wint en eenmaal faalt,
schrapt men daar hij de heldenlijst ontsiert,
en van zijn zwoegen wordt nooit meer verhaald.
Hoe fijn dan dat ik min en wordt bemind,
waar ik nooit verwerp, mij nooit verworpen vind.

26 Heer van mijn liefde, aan wie als onderdaan
Uw waardigheid mij innig heeft verplicht,
Uw bied ik deez' geschreven boodschap aan,
als blijk van trouw, niet als een groots gedicht,-
want bij zo'n trouw heeft al mijn letterkunst
niet veel om het lijf, en schiet elk woord tekort,
mits, en dat hoop ik, Uw hart in Uw gunst
mijn naakte pen tot huis en woonplaats wordt.
Pas als een ster die mijn bewegen leidt
mij gunstig is in haar aspectenlijn,
mijn schamele liefde fraaie kleding snijdt,
en ik Uw zoete blik weer waard kan zijn,
hoor dan wellicht pas hoe het hart naar U haakt;
ik geef nu niets bloot, dat U mijn glans niet raakt.

27 Na arbeid moe haast ik mij naar mijn bed;
de benen zwaar van het werk rust men er zacht.
Dan wordt het hoofd tot reizen aangezet,
de taak voorbij, mij geestesarbeid wacht.
Al mijn gedachten ver van jou vandaan
wensen zich op een vurige bedevaart,
zij doen mijn dommel-ogen open gaan
voor al het duister waar een blinde in staart;
maar wat mijn ziel heeft aan verbeeldingskracht,
geeft jouw aanschouwing aan mijn blind gezicht,
maakt als een bag in een naargeestige nacht
haar oud gelaat weer nieuw, haar duister licht.
zo is het overdag mijn lichaam, 's nachts mijn geest,
die om jou, n mij de rusteloosheid vreest.

28 Hoe is het dat mij ooit geluk nog wacht
die nimmer rusten mag, geen vreugd ervaart,
wiens zware dag nooit wordt verlicht door nacht,
wiens nacht de dag, wiens dag de nacht verzwaart,
en zijn, vijanden van elkanders rijk,
mij kwellen, hand in hand, naar het leven staan,
met arbeid, of met het besef dat ik blijk
al zwoegend verder van jou af te gaan?
Jij bent het licht, zo vlei ik tot de dag,
ondanks het duister zwerk geef jij hem glans,
en zo een avond zwart geen sterren zag
krijgt hij van jou een gulden licht, nochtans.
Maar dagelijks verlengt de dag mijn pijnen,
waar 's nachts mijn nacht zwaar leed langer doet schrijnen.

29 Het lot verguist me, en niemand ziet mij staan,
ik ben alleen, een droef verstoteling,
en roep vergeefs de dove hemel aan;
ik vervloek mijzelf en mijn ontreddering.
Was ik toch als d man vol goede moed,
was ik als hj, met grote vriendenschaar,
met zjn verstand, kon ik al wat hj doet;
het hoogste goed maakt mijn hart droef en zwaar.
Terwijl ik zo mijzelf welhaast veracht,
denk ik aan jou: dan wordt een lied gehoord
- een leeuwerikzang aan het einde van de nacht -
van de aard' bene tot aan de hemelpoort.
Zo'n rijkdom geeft mij de gedachte aan jou,
dat ik met koningen niet ruilen zou.

30 Wanneer ik als schout in eigen hartsgeding
de geest het verleden voorgeleiden laat,
bedroeft mij het gemis, de ontgoocheling,
zie ik oud zeer nieuw, hoe kostbare tijd vergaat.
Het oog verdrinkt dan, dat niet vaak meer schreide,
om dierbare vrienden dood in eeuwige nacht;
verwerkte liefdesmart doet mij weer lijden,
vergankelijkheid van wat ik schoonheid dacht.
Weer ween ik om de weedom die mij wachtte,
en tel zwaarmoedig al mijn tegenspoed;
de droefenis keert weer in mijn gedachten,
weer bloedt het hart, dat eerder heeft geboet.
Maar denk ik, vriendlief, aan ons samenzijn,
dan is het verlies vergoed, verdwijnt de pijn.

31 Jij bent voor ieder hart een toeverlaat
dat ik zo miste en gestorven meende,
in jou heerst liefde en al wat daar voor staat
van elke vriend in het graf die ik beweende.
Zo menig heilige en oprechte traan
heeft liefde toegewijd mijn oog ontstolen
als schatting aan wie niet teloor zou gaan,
wie in jou geborgen blijkt nu, maar verholen.
Jij bent het graf waarin de liefde leeft -
memento's van mijn liefden daaromheen -,
dat al wat mij toekwam nu in zich heeft;
bezit van velen is van jou alleen.
Als ik hun beeltenis zie, denk ik aan jou,
aan wie ik heel mijn leven toevertrouw.

32 Als mijn afrekendag lang is geweest,
en die gier dood met stof mijn botten dekt,
jij soms deez' minne kreupelverzen leest,
die je verscheiden vriend ooit heeft verwekt,
vergelijk ze dan met betere uit die tijd;
al ligt hun dichtstijl veel meer in de gunst,
bewaar ze om liefde, niet voortreffelijkheid,
die immers minder zijn zal dan hun kunst.
Geef mij dan na wat je ooit in liefde dacht:
'Was zijn kunst in deez' bloeitijd opgebloeid,
dan had zijn liefde iets zoeters voortgebracht,
dat op een fijner mode was geschoeid.
Hij is dood, en ik hoor een betere dichterstem;
die lees ik om de stijl, uit liefde hem'.

33 Hoe gloorde, en streelde vaak de ochtendstond
de bergtoppen met zijn jonst royal;
met welk een luister kuste hij groene grond,
verguldde alchemie de waterval;
dan joeg het zwerk in zware driften voort
en voer voorlangs de vorst van het azuur;
betrokken en ontredderd was elk oord,
ontluisterd sloop toen west het verduisterd vuur.
Zo scheen het licht ook 's ochtends eens op mij,
was mijn gelukszon stralend opgegaan;
maar na een uur, helaas, was het uit, voorbij;
die wolken houden hem van mij vandaan.
Maar ik zal toch niet minder van hem houden,
een mens kan, als de zon, toch ook verflauwen.

34 Het werd een mooie dag, had jij geschat,
een mantel was niet nodig, sprak jij ook,
maar zware driften kruisten plots mijn pad,
jouw glorie hullend in hun nevelrook.
Het helpt niet dat jij door die wolk heen breekt,
de regen droogt op mijn bestriemd gezicht
want niemand is er die vol achting spreekt
van zalf die heelt maar voor de kwaal zelf zwicht.
En ook de schaamte wast niet weg de pijn;
al toon je rouw, mij blijft altijd het gemis;
en spijt na zonde is zwak medicijn
voor hem die het kruis draagt van de kommernis.
De traan is een parel die jouw liefde laat
en zijn is rijk, verlost ons van al het kwaad.

35 Geen tranen meer om wat jij hebt gedaan;
doorns heeft de roos, en slik de zilveren bron,
de zoetste knop lokt de ergste kanker aan,
wolk en verduistering schaduwen maan en zon;
een ieder faalt weleens, en zo ook ik
die jouw fouten rechtvaardigt door dit beeld,
en door het verschonen zelf raakt in een strik,
daar ik meer vergeef dan wat jouw zonden scheelt;
ik haal theorie bij fouten van het gevoel
- je tegenstrever is je advocaat -,
ik sleep mijzelf hier voor de rechterstoel,
hiertoe leidt tweespalt tussen liefde en haat;
ik heb net zo veel boter op mijn hoofd,
als wie, o dief zo zoet, zuur van mij rooft.

36 Wij moeten inderdaad gescheiden zijn,
al is de liefde onvoorwaardelijk n,
en wat mij rest, de schandvlek en de pijn,
draag ik dus zelf, zonder je hulp, alleen.
Twee-n zijn wij in liefde, onverdeeld,
waar ons het leven kwelt, het scheidingslot,
wat onze liefde nummer parten speelt,
al steelt het zoete uren van genot.
Ik mag jou nooit meer als mijn lief erkennen,
mijn wandel brengt jouw naam in diskrediet;
zo moet ook jij mij niet met eer verwennen,
mits dat ten prijze van jouw naam gescheidt.
Naar doe het niet - ik ben je zo nabij -.
want wij zijn een, mijn goede naam ben jij.

37 Zoals een hulpbehoevend vader graag
kijkt naar zijn kind, hoe druk het is in jeugd,
zo put ik, door het fortuin nu lam en traag,
al mijn troost uit oprechtheid en jouw deugd;
of schoonheid, afkomst, rijkdom dan wel geest
of een van alle, alle, wellicht meer,
boven de andere uitstaan het allermeest:
op overvloed ent ik mijn liefde teer.
Zo ben ik niet meer lam, arm of veracht,
omdat jouw beeld mijn ziel zo'n inhoud geeft,
dat al jouw overvloed mij vult met kracht,
en heel mijn wezen van jou is doorleefd:
Jou wens ik al wat best is, al wat fijn,
want dan zal ik tienmaal gelukkiger zijn.

38 Wat zit mijn Muze toch om stof verlegen
terwijl jij ademt, die mijn verzen vult
als enig thema, die dient ontstegen
aan het papier waarop een `dichter' prult.
O, dank jezelf als iets in al mijn werk
bij het bekijken nog van waarde blijkt;
een vers voor jou maakt toch de stomste klerk
als jij hem zelf de inspiratie reikt.
Mijn tiende Muze, jij! Tienmaal meer waard
dan wie men aanroept, het oude negental.
Maak hem die jouw hulp zoekt eeuwig vermaard
door een gedichtenreeks die blijven zal.
Als mijn gerijm enige waardering wacht
dan heeft mijn zweet jou roem en lof gebracht.

39 Waarom in een bescheiden lied bezongen
wie heel mijn leven inhoud geeft en zin?
Wat baat mijn weze lof mijzelf ontsprongen:
als ik jou prijs breng ik mijzelf gewin.
Laat ons juist hierom op onszelve staan
- gescheiden zij wat men ondeelbaar dacht:
dat, nu een eigen weg wij zijn gegaan,
ik geven kan wat rechtens jou slechts wacht.
O afzijn, welk een kwelling bracht gij mee,
gaf niet die zure uren zoet
voor beelden vol van liefdes wel en wee,
gedachtendromen, waardoor tijd zich spoedt,
en zo Uw les niet was: maakt twee van een
door hem hier te bejubelen die verdween.

40 Neem, vriend, al mijn vriendinnen, neem mijn min;
wat kreeg je dan meer dan je eerder had?
Geen liefde, liefste, in de ware zin:
al het mijn was dijn voordat je ook dit bezat,
Want als je als mijn lief mijn lief ontvangt
is dat onschuldig: je gebruikt mijn lief.
Maar schuld treft jou als jij om mij verlangt
met al jouw lust, met onoprecht motief.
Vergeven zij je roof, mijn zoete dief,
al steel je al het weinige in mijn macht:
al kiest wie liefheeft liever het ongerief
van pijn die om liefde dan om haat hem wacht.
O, lust en gratie wie het kwaad goed staat,
kwel mij, maar pleeg de vriendschap geen verraad.

41 Al wat jij je veroorlooft aan gevrij
wanneer ik soms ver weg ben uit je hart
past bij je jeugd en schoonheid allebei;
waar je ik gaat word je door lust getart;
jij bent een buit, want jij bent wonderschoon,
jij bent zo zacht, en daarom zo gezocht,
en als een vrouw lokt, welke vrouwezoon
verlaat haar loos dan op een zegetocht.
Wee mij, je had mijn zetel kunnen mijden;
had toch je schoonheid, wilde jeugd gelaakt
die jou in hun onstuimigheid daar leiden
waar een woord van trouw tweeledig wordt verzaakt,
van haar doordat jouw schoonheid met haar gaat,
van jou doordat jouw schoonheid mij verlaat.

42 Dat jij haar hebt, het raakt mij werkelijk niet,
al is het waar dat ik zeer van haar hield;
dat zij jou heeft, doet mij pas groot verdriet,
het is een verlies dat al mijn vreugd ontzielt.
O zondaarslief, hier is mijn verzachtend woord:
ik min haar, en dus is mijn vriend ook vrij,
zij komt te na aan mij, heeft hem bekoord,
zij wil dat hij haar beter kent, om mij.
Nu ik jou verlies, is het verlies voor haar;
wat ik verloor dat heeft mijn vriend gevonden
en ik verlies hen beiden ik elkaar
en in mijn pijn zijn zij innig verbonden.
Maar, grote vreugd: mijn vriend en ik zijn een.
Welk zoet gevlei: dan mint zijn mij alleen.

43 Mijn oog ziet overdag heel onbewust,
pas diep in slaap zie ik scherp en zeer gericht:
jou zie ik in mijn dromen, als ik rust,
ontscheld beschouwt mijn oog dan het duister licht.
Hoe zou dan, schaduw waarvoor schaduw wijkt,
jouw schittering stralen aan de hemelboog,
zo glanzen dat de dag nog klaarder prijkt,
als zo je schaduw schijnt voor het blinde oog.
Hoe zalig zouden toch mijn ogen zijn
als ze op klare dag jou konden zien,
wanneer het geblinde oog je ongrijpbare schijn
in slaap waarneemt, in duister bovendien.
Tot ik jou zie bekijk ik dag als nacht;
nacht is de dag als jij me in dromen wacht.

44 Ware mijn zware lijf louter gedachten,
geen onrechtvaardige verte hield mij vast,
ondanks de afstand naar waar jij mij wachtte,
geen eindeloze einder was me een last.
Het gaf dan niet al stond ik met een voet
het verst van jou verwijderd op de aard',
gedachten, immers, kruisen land en vloed
bij wat zij denken in zeer snelle vaart.
Dood is mijn denken dat ik geen denken ben
dat niet door verre mijlen wordt gestoord,
maar dat ik enkel aarde en water ken,
moet wachten tot de tijd mijn klacht aanhoort.
Die trage elementen geven mij
slechts tranen zeaar - ik huil om allebei.

45 De andere, ijle lucht en louterend vuur,
zijn steeds bij jou, waar ik ook ga of sta;
gedachten noch verlangst kent rust of duur,
nu hier, dan daar, onmiddellijk erna.
Als zo de levenselementen jou
de boodschap van mijn liefde brengen gaan,
breekt voor mijn leven, met twee haar slechts trouw,
door zwarte gal bedrukt het einde aan.
En als ik weer mijn evenwicht hervind,
doordat de boodschappers zijn weergekeerd,
die zo vervuld zijn en geheel verblind
door schoonheid dat mijn hart erdoor verteer,
maakt dit mij blij; weg is wat mij verrukt,
en ik stuur ze terug; meteen raak ik bedrukt.

46 Bitter is tussen hart en oog het gevecht
om al jouw pracht, hun buit. Elk eist zijn part.
Mijn hart heeft, volgens het oog, tot zien geen recht
maar het oog is onbevoegd, zo stelt het hart.
Het hart betoogd dat jij diep in hem ligt,
een schrijn nooit door kristallen oog doorboord.
Beklaagde ontzenuwt dat voor het gericht,
en zegt dat jouw verschijning hem bekoort.
Men roept al de gedachten bij elkaar
- als jury -, die het hart onderworpen zijn,
en in hun uitspraak ziet men duidelijk waar
het gebied ligt van het oog, waar het harts domein:
mijn oog is gerechtigd tot jouw uiterlijk,
mijn hart tot het liefdevolle innerlijk.

47 Mijn oog en hart sloten weer een akkoord
zodat het een van het ander diensten wacht:
als het minziek hart zichzelf in zuchten smoort
of het uitgehongerd oog naar blikken smacht,
vergast mijn oog zich op de beeltenis
en noodt mijn hart op dat gemaald banket;
dan zit mijn oog bij het hart aan aan de dis,
is denkend deelgenoot aan het portret.
Zo is het door mijn liefde die jou ziet
dat ik je zo ver weg steeds bij mij houd,
want buiten mijn gedachten kun jij niet,
en ik ben steeds bij hen en zijn bij jou,
of, dromen zij, dan wekt dat ik jou daar zie
in hart en oog veel vreugde en harmonie.

48 Met welk een zorg heb ik bij mijn vertrek
elk kleinood veilig achter slot gelegd,
zodat geen onbevoegde hand die plek
betasten kan; daartoe heb ik het recht.
Maar jij, bij wie juwelen prullen zijn,
mijn allerdierbaarste, mijn zoetste lief,
mijn zachtste troost, en ook mijn scherpste pijn,
jij ligt te grabbel nu voor elke dief.
Geen grendel sloot ik immer om jouw pracht,
tenzij ik jou in gedachten hier voel staan
binnen mijn hart, in het omhulsel zacht,
waar je mag komen als je wilt, en gaan.
En of een dief hier komt: ik sluit het niet uit:
eer wordt gewetenloos bij zulk een buit.

49 Tegen de tijd, als die ooit komen gaat,
dat ik je al mijn tekorten laken zie,
balans opmakend hoe het met mij staat,
na het onderzoek op liefde en sympathie;
tegen de tijd dat jij mij niet ziet staan,
mij nauwelijks nog wat blikken waardig gunt,
als liefde kiezen gaat een vreemde baan,
mij vallen laat om een zwaarwichtig punt;
tegen die tijd verschans ik mij hier vast
in het feit dat ik mij toch onschuldig prijs;
Het is deze hand die hier mijzelf belast,
en die afweert jouw wettige bewijs;
mij te verlaten praat jouw wet wel recht
- mijn liefde is machteloos in het rechtsgevecht.

50 Hoe zwaar valt mij het reizen onderweg,
als waar ik naar verlang, het eind der tocht,
mij leert dat als ik rust, mijn hoofd neerleg,
ik van mijn vriend slechts een verwijdering zocht.
Het beestje dat ik, moe en droef, berijd
ploetert eentonig voort, van lasten zwaar,
als kent het dier heel instinctief het feit,
dat ik juist snelheid als iets naars ervaar.
Het loopt niet hard, ondanks de bloedige spoor
waarmee mijn boosheid soms zijn huid doorboort;
een diepe kreun is enkel wat ik hoor:
dat raakt mijn ziel, hem laat het ongestoord.
Want juist die kreun herinnert mij er aan:
voor mij ligt pijn, van vreugde kom ik vandaan.

terug naar de gedichtenverder