terug naar de gedichten verder
Venus en Adonis
Venus en Adonis
1. Juist toen de zon met purpergouden pracht
Vaarwel zei de betraande ochtendstond,
Haastte de schone Adonis zich ter jacht-
Zijn hart van jagen, niet van min doorwond.
5. Smachtend snelt Venus dan achter hem aan,
En vangt opdringerig met minnen aan.

'Drie maal zo mooi als ik,' klonk haar gekoos,
'Voornaamste, zoetste bloem van heel het veld;
Meer wit en rood dan duif of dan de roos,
10. Die nimf en man ver in de schaduw stelt.
Aan u heeft de natuur zichzelf vergeven;
De wereld eindigt, sprak zij, met uw leven.

Daal van uw ros af, jongen wonderschoon,
Buig tot de zadelboog zijn trotse hoofd;
15. Voor deze gunst worden u dan als loon
Wel duizend fluisterwoordjes zoet beloofd.
Kom bij mij zitten; hier sist nooit een slang,
Dan smoor ik u in kussen, urenlang.

Ik kus uw mond zoen-onverzadigbaar,
20. Die hongerig hunkeren zal, ondanks zijn deel;
Ik maak nu rood, dan bleek, uw lippenpaar,
Tien kussen kort als één, één lang als veel.
Een zomerdag lijkt net een uurtjeszaak,
Verspeeld aan een zo tijddodend vermaak.

25.

En dan grijpt zij zijn palm, vochtig, met zweet,
Hèt teken van zijn kracht en levenszin;
Zij noemt het balsem, zij, trillend en heet,
Het aardse panacee voor een godin.
Ontvlamd heeft zij - de lust wenst zich gestild -
30. Kordaat dat ventje van zijn paard getild.

Over een arm het tuig van het lustig dier,
Onder haar andere die lieve knul,
Die verontwaardigd werd van dat vertier,
Ik wil niet spelen, ik vind het flauwekul.
35. Zij 's rood van hitte, een kool van gloeiend vuur;
Hij 's rood van schaamte, niet op temperatuur.

De knoppenteugel legt zij handig vast
Aan een knoestige tak - hoe vlug is liefdes tred -;
Het ros staat bij de ruif, nu nog die gast,
40. Zij poogt ook hem te strikken in haar net.
Zij drukte hem terug - werd zij toch zelf gekust -,
Was hem de baas in kracht, maar niet in lust.

Hij lag nog niet of zij lag aan zijn zij,
elk leunend op de heup en elleboog.
45. Zij streelt zijn wang - hij wil geen vrijerij,
Wijst af-, zij stopt de mond die wat bewoog,
En spreekt met kusjes, taal door lust gebroken,
'Is het "Nee", dan gaan jouw lippen nooit meer open.'

Hij brandt, een boei van schaamte, en haar traan
50. Blust het eerste jongensvuur op het wangenpaar.
Zij poogt met diepe zuchten langs te gaan,
Die traan te drogen met haar gouden haar.
Hij zegt dat ze te ver gaat, al te knus,
En wat nog volgt, dat smoort ze met een kus.

55.

Zoals de afgevaste adelaar
-Haar vraatbek wroet in veren, vlees en bot,
Klapwiekend schrokt zij alles uit elkaar,
Weg moet die prooi, en vol wil zij haar strot-,
Zo kuste zij zijn hoofd, zijn wang, zijn kin,
60. En waar ze ophoudt daar is haar begin.

Hij moet berusten, maar wil toch niet mee,
Hij hijgt haar in het gezicht, hij steunt en zucht.
Maar zij verslindt die wasem daar benee
En noemt haar hemelvocht en godenlucht,
65. Was toch mijn wang een tuin vol bloemenpracht
Die met zo'n fijne mistdauw werd bedacht.

Gelijk een vogel in een net verstrikt,
Zo ligt Adonis in haar arm geboeid.
Van schaamte en overdonderd-zijn verschrikt,
70. Wordt zijn oog fel, dat het nog mooier gloeit:
Komt er nog regen bij een volle stroom,
Dan moet het water wel over de zoom.

Zij blijft maar smeken, smeekt zo heerlijk lief,
Want in een heerlijk oor dringt haar gesmeek;
75. Hij blijft stuurs, wijst haar af en is passief,
Nu rood van schaamte, dan van boosheid bleek,
Zijn vuur verrukt haar, en van het wit gelaat
Vindt zij, dat dat hem het allerbeste staat.

Wat hij ook wil, zij vlijt hem per se aan;
80. Ze zweert bij haar blanke, onsterfelijke hand,
dat zij nooit van zijn zachte borst zal gaan
als hij geen vree sluit met wat tegenspant,
de tranenvloed die heel haar wangen vult:
een kus vereffent een onschatbare schuld.

85.

Bij die woorden heft hij het hoofd omhoog;
Zoals een fuut, die opduikt uit een gracht,
Waar men hem ziet, snel terugduikt met een boog,
Zo biedt hij haar waar zij zozeer naar smacht,
Maar als haar lippen klaar staan voor ontvangst,
90. Buigt hij zijn lippen weg, zijn hoofd erlangs.

Geen reiziger smacht in de zomerzon
Zo naar een dronk dan zij naar een minnegroet.
Ze ziet haar heil, maar kan niet bij de bron;
Ze baadt in water, maar staat vol in gloed.
95. 'Heb meelij', riep ze, 'jongetje van steen,
Een kusje maar; waarom zo schuw, maar één?

'Mij werd ooit het hof gemaakt, als u nu hier,
Door de allerstugste en gruwzame oorlogsgod,
Die in geen slag zijn nek boog, noch een spier,
100. Die in elk gevecht met tegenstanders spot;
Toch werd hij mijn gevangene en vazal,
En smeekte mij om wat u hebben zal.

'Over mijn altaren hing hij zijn lans,
Het gedeukte schild, zijn nooit gebogen helm;
105. Om mijnentwil leerde hij spel en dans,
Mijn speeltje, mijn schavuit, mijn nar en schelm,
Liet trom en vaan en standaarden voor pret,
Mijn boezem werd zijn veld, zijn tent mijn bed.

'Zo kwam wie machtig heerste in mijn macht,
110. Voerde ik hem roosgeketend in het gevang:
Het hardste staal boog immer voor zijn kracht,
En toch viel hij voor al mijn zoet verlang.
O, roem niet trots, dat u goed hebt weerstreefd
Wie ooit de oorlogsgod veroverd heeft.

115.

'Raak met uw lippen even die van mij-
Ze zijn wel niet zo mooi, maar zeer fel rood-;
De kus van u, van mij, is van ons bei'.
Wat ziet u op de grond? Is uw hoofd van lood?
Kijk in mijn oog, daar straalt uw schoonheid rond:
120. Is het oog in oog, waarom niet mond op mond?

'Schaamt u zich voor een kus? Dan ogen dicht,
Dan doe ik het ook; de dag lijkt dan wel nacht.
Waar twee alleen zijn is er liefdelicht;
Verstout u tot het spel, geen die er op acht.
125. Dit blauw viooltjesbed houdt zich wel in,
Het weet niet wat wij doen, weet niets van min.

'Het zachte dons dat op uw lip verleidt
Toont u onrijp; maar proeven mag men toch.
Gebruik de tijd, mis geen gelegenheid;
130. Schoonheid zichzelf verdaan is zelfbedrog.
Een mooie bloem, niet in haar jeugd geplukt,
Rot weg, gaat snel onder verval gebukt.

'Was ik afstotend, lelijk, rimpelig oud,
Mismaakt en mank, brutaal en snel verhit,
135. Plomp, afgeleefd, zwartgallig, koud,
Slechtziend, iel, mager, zonder pit,
Dan mocht u aarzelen, dan was ik niets voor u;
Maar ik heb geen fouten; waarom gruwt u nu?

'Geen rimpels heb ik in mijn voorhoofdshuid,
140. Mijn stralendblauwe oog houdt alles bij,
als lente groeit mijn schoonheid jaarlijks uit,
mijn vlees is zacht en rond, het merg brandt in mij.
Mijn gladde, vochtige hand zou in uw hand
Wegsmelten, als zij nu werd ingepalmd.

145.

'Vraag mij te zingen, en ik verruk uw oor,
Of ik trippel als een elfje over het gras,
Of als een nimf dans ik zonder een spoor
Op het strand, met haren los, met lichte pas.
Liefde is één bonk vuur, een snaakse spil,
150. die nooit, zwaar, zinkt, maar, licht, de hoogte in wil.

'Zie het rozenbed waarop ik lig en smacht:
hoe tere bloemen mij als bomen steunen,
een koppel duiven brengt mij dag en nacht
door de hemel naar de plek waar ik wil kreunen.
155. Liefde is zo licht, jongen, hoe kan het bestaan,
Dat het u zo zwaar valt daarin mee te gaan.

'Is uw hart zo van uw gelaat vervuld?
Uw rechterhand, gaat die de linker vragen?
Wie zichzelf mint, wijst af, treft zelf de schuld.
160. Als u eigen vrijheid steelt, past u geen klagen.
Narcissus liet zichzelf zo in de steek:
Hij viel, zijn schaduw kussend, in de beek.

'De toorts moet lichten, het juweel geeft glans,
Zoet moet geproefd, en schoonheid dient gebruikt,
165. Kruid zit vol geur, een plant heeft bloemenkrans:
Groei op zichzelf gericht is groei misbruikt.
Zaad springt uit zaad en schoonheid brengt schoon voort.
U bent verwekt, verwekken is wat u hoort.

'Wat u gevoed met wat de aarde geeft,
170. als u de aarde niet voedt met uw vrucht?
Natuur verplicht dat leven geeft wie leeft.
Uw vrucht leve voort, als u uit het leven vlucht.
Uw dood zal voor u overleven zijn
Als uw beeld voortleeft in een rechte lijn.'

175.

Hier zweeg de koningin, verliefd, bezweet,
Want waar zij lagen was geen schaduw meer.
Het was middag; Titan zag, vermoeid en heet,
Met gloeiendbrandend oog op het paartje neer,
- "had die Adonis maar dat span van mij,
180. was ik toch hem, lag ik aan Venus' zij."-

Maar die Adonis, lusteloos en sloom,
De ogen zwaar, en zo verveeld, getergd,
Wenkbrauwen fronsend als een wolkenstroom
Die de hemel met een mistige damp verbergt,
185. Die roept, geërgerd: 'Laat dat minnen gaan;
De zon verbrandt me, ik wil hier vandaan.'

'Zo hard', sprak Venus, 'en nog haast een kind!
En welke smoes hebt u, dat u niet blijft!
Ik zal hemels ademen, dat die zoete wind
190. de gloed die neerkomt van de zon verdrijft.
Ik zal schaduw voor u maken met mijn haar;
als dat ook brandt, dan blust mijn traan het gevaar.

'De zon daar aan de hemel schijnt maar lauw,
En hier lig ik nog tussen zon en u;
195. De hitte van daarginds die laat mij koud,
Uw oog schiet vuur en dat verteert mij nu;
Het zou mijn dood zijn, zo ik niet sterven kon,
tussen deze hemelse en aardse zon.

'Bent u zo hard, van steen, als staal zo hard?
200. Harder dan steen, dat water immers klieft.
Bent u een vrouwekind, en voelt uw hart
De liefde niet, en hoe afwijzen grieft.
Als uw moeder ooit zo hard was van aard,
Had zij tegen natuur u nooit gebaard.

205.

'Wie ben ik dat u mij zozeer versmaadt,
En welk gevaar ligt erin dat ik u min?
Wordt uw mond door één kusje zo geschaad?
Spreek, lief, maar mooi, want anders houd u in.
Geef mij één kusje, en u krijgt het terug,
210. En nog een tweede, voor de rente, vlug.

'Ba, dode schim, gevoelloos als een steen,
Afgodportret, en zonder spraak en blind,
Beeld dat ons streelt, maar met het oog alleen,
U lijkt een man, maar bent geen vrouwekind.
215. U bent geen man, ondanks uw uiterlijk,
Want mannen kussen zelf hartstochtelijk.'

Haar smeekbede verstomt door ongeduld.
Een gloed van hartstocht breekt haar even af.
Haar wang, haar oog spreekt vuurrood van haar schuld;
220. In liefde rechter, wil zij echt geen straf.
Nu eens huilt ze, en komt nauwelijks uit haar stem,
Dan weer zet snikken haar betogen klem.

Soms schudt ze haar eigen hoofd, en dan zijn hand,
nu strak haar oog op hem, dan op de grond.
225. Soms legt ze haar arm rondom hem als een band:
Hoe graag wou zij, maar hij wil geen verbond.
En als hij probeert weg te gaan vandaar,
Klampt ze haar lelievingers in elkaar.

'O, dwaas,' zegt zij, 'Ik heb u hier omsperd
230. En om u heen staan palen van ivoor;
Ik ben uw park, en u bent nu mijn hert;
Weid waar u wilt, ga berg en dalen door.
Graas op mijn lippen; zijn die heuvels droog,
Daal naar de bron; daar welt het vocht omhoog.

235.

Een overvloed aan land verschaft dit woud,
Mals gras benee, daarboven een heerlijk vlak,
Twee ronde glooiingen, dicht, donker hout,
Bij storm en regen bent u onder dak.
Wees toch mijn hert; ik ben zo'n heerlijkheid,
240. En schrik niet op, al blaffen de honden wijd.

Daarop glimlacht Adonis als met spot,
En krijgt daarmee een kuiltje in beide wangen;
Die kwamen door de Liefde, die zo'n grot
Als simpel graf wil, om zijn lijk te ontvangen,
245. Wel wetend, dat, als hij daar liggen kon
Waar liefde leeft, de dood niet van hem won.

Die toverkuiltjes gingen open staan,
Om Venus' vuur lief in zich op te slokken.
Al buiten zinnen, kan zij dit doorstaan?
250. Laat zij zich, al geraakt, opnieuw verlokken?
Wee koningin, verstrikt in eigen wet,
Uw zinnen op een minacht-wang gezet!

Wat moet ze zeggen? Welke weg nu gaan?
Gepraat voorbij, haar smart vindt geen erbarmen;
255. De tijd is op, haar lief wil per se staan,
Hij wringt zich los uit haar omklemmende armen.
'Eén woord, één gunst, verzacht je wrede aard';
Maar hij vlucht weg en haast zich naar zijn paard.

Maar zie, in een nabij gelegen bos
260. Bespeurt een tochtige merrie, jong en stout,
Adonis' ongeduldig trappelend ros;
Ze snuift en rent luid hunkerend door het hout:
Dan breekt de sterke hengst los van de boom;
Snelt naar haar toe, met achter zich de toom.

265.

Hij hinnikt, bokt, springt machtig in het rond,
Zijn strakgewoven singels breken los,
Zijn harde hoef hakt in de stevige grond,
Als donder dreunt de ondergrond van het bos;
Tussen zijn tanden kraakt hij het ijzeren bit,
270. Wat hem ooit dwong brengt hij in het gelid.

De oren recht, op zijn gespannen hals
Staan zijn gevlochten manen recht omhoog;
Zijn neus gulpt lucht, en stuurt die weg net als
Vanuit een oven, in een dampenboog:
275. Zijn oog, minachtend glinsterend als vuur,
Spreekt van zijn drift en zijn hete natuur.

Nu eens in draf, als telt hij iedere stap,
Met majesteit, met ingehouden macht;
Dan steigert hij heel hoog en springt heel knap,
280. Als wou hij zeggen: 'Zo toon ik mijn kracht,
Alleen dat zij bewonderd kijken gaat,
Dat merrietje dat daar te wachten staat.'

Wat maalt hij om zijn meesters straffe toon,
Zijn 'Blijf', zijn 'Sta', zijn vleien en bevel?
285. Wat geeft hij nu om prikkelend spoor of toom,
Om dekkleed, tuig, prachtig gekleurd en fel?
Hij ziet zijn lief, iets anders ziet hij niet,
Niets anders dat zijn oog nog vreugde biedt.

Een kunstenaar die zo'n machtig paardfiguur
290. Mooier dan echt neerzet op het velijn,
Laat zijn kunst wedijveren met de natuur:
Iets doods wil grootser dan iets levends zijn.
Zo overtrof dit ros het gewone paard,
Qua vorm, qua vurigheid, qua kleur, bouw, vaart.

295.

Rondhoevig, kort van koot, vetlokken lang,
Wijd neusgat, klein hoofd, borst breed, vurige blik,
Hals hoog, oor kort, heel machtig, snel van gang,
Kruis breed, een zachte huid, maan dun, staart dik:
Al wat een paard moet zijn zag men daar terug,
300. Behalve een ruiter op zo'n fiere rug.

Soms schiet hij er vandoor, en blijft ginds staan;
Schrikt weg weer, als er zich een veertje wiegt;
Dan gaat hij met de wind een wedloop aan,
En niemand weet of dat hij rent of vliegt:
305. Door staart en manen zingt de windmuziek,
Het haar golft wapperend als een verenwiek.

Nu kijkt hij naar zijn lief, briest dat 't het stof raakt;
Zij antwoordt hem, alsof ze hem doorziet.
Het vrouwtje houdt zich groot dat hij haar het hof maakt,
310. Meet zich een air aan, en is hypocriet,
Bespot zijn hitte, noemt zijn liefde maf,
Slaat met haar hoef zijn toenaderingen af.

Nu laat hij, balend en recalcitrant,
zijn staart omlaag gaan, als een waaierpluim
315. ter koeling van zijn hete achterhand;
stampt, hapt naar vliegen in zijn boze luim.
Zijn lief bemerkte, hoe hij van hitte trilt,
zocht toenadering; en zie zijn woede stilt.

gepikeerd,
als de ongetemde merrie
bang om gepakt te worden, hem vlug smeert;
en hij haar na, en laat Adonis staan.
Het paartje springt op, duikt vliegensvlug het bos in
Geen kraai erachter haalt op zijn vlucht het ros in.
terug naar de gedichtenverder