terug naar de beginpagina download meer over dit stuk

Julius Caesar

William Shakespeare
vertaling    Jan Jonk
Eerste bedrijf eerste toneel
tweede toneel
derde toneel
 


 Rome. Een straat.

Flavius en Marullus op; er lopen mensen van het gewone volk over het toneel.
FlaviusWeg hier! Naar huis, leeglopers, ga naar huis:
is het vrij vandaag? Weten jullie dan niet,
dat handwerkslieden op een werkdag nooit
zonder de tekenen van hun bedrijf
de straat op mogen? Wat voor werk doe jij?
TimmermanIk ben timmerman, meneer.
MarullusWaar is je duimstok dan, en leren schoot?
Wat doe je met je beste kleren aan?
En wat voor werk doet u, meneer?
SchoenmakerTja, meneer, vergeleken bij dat fijn handwerk, ben ik maar, wat u zou noemen, een lapper.
MarullusWelk ambacht dan? Kom voor de dag ermee.
SchoenmakerEen ambacht, heer, dat ik met een gerust geweten kan uitoefenen: ik help mensen op het slechte pad.
MarullusWelk ambacht, lammeling; man, wat voor werk?
SchoenmakerNou, alstublieft, meneer, niet zo tegen mij uit uw slof schieten; of doe toch maar, dan kan ik u die weer goedmaken.
MarullusWat nou? Mij maken; de brutaliteit!
SchoenmakerJa, meneer, u oplappen.
FlaviusDan ben jij vast een schoenlapper, of niet?.
SchoenmakerJuist, meneer, mijn els is alles in mijn leven: ik priem me niet in koopmanszaken, en ook niet in die van vrouwen; maar, u heeft gelijk, meneer, ik ben de heelmeester van oude schoenen: ik maak halve zolen zo nodig weer heel. Al het nette volk met keurige schoenen loopt weg met mijn handwerk.
FlaviusMaar waarom ben je niet aan het werk vandaag?
Waarom dit volk hier over straat geleid?
SchoenmakerEigenlijk om hun schoenen te laten verslijten, meneer, dan krijg ik weer meer werk. Nee, hoor, meneer, we hebben vrij genomen om Caesar te zien, en mee te jubelen om zijn triomf.
MarullusTriomf? Waar is dan zijn veroverd land?
Waar zie ik in Rome dan schatplichtigen
in zware ketens, zijn strijdkar tot sier?
Blokken, keien, jullie, gevoelloos steen!
O harde harten, wreed Romeinse volk,
u was toch voor Pompeius? O, hoe vaak
trok u de wallen en kantelen op,
beklom u muren, vensters, schoorstenen,
uw peuters op uw arm, en keek u uit,
geduldig, de hele dag, om hém te zien,
hoe dat Pompeius langs u trekken zou.
En kwam zijn triomfwagen dan in zicht,
dan klonk toch uit één mond zo'n juichen op,
dat onze Tiber trilde in haar bedding,
bij het horen van de weergalm van uw kreten
in haar gewelfde oevers.
En nu kleedt u zich in uw best gewaad?
En nu neemt u zomaar een vrije dag?
En nu strooit u hèm bloemen op zijn weg
die om Pompeius' bloed triomfen viert?
Verdwijn!
Ren weer naar huis, val op uw knieën neer,
en smeek de goden dat de ramp uitblijft
die zo'n ondankbaarheid vast met zich voert.
FlaviusGa, beste burgers; roep om deze fout
die arme drommels van uw stand bijeen;
ga naar de Tiberoevers, en vergiet
uw tranen in zijn bedding, tot de stroom
zich opheft en de hoogste boorden kust.
Alle burgers af
 Kijk, of hun laagste drift hen niet beroert;
hun tong verlamd van schuld, druipen zij af.
Gaat u maar daarlangs naar het Capitool;
ik loop hierlangs. Maak alle beelden vrij
van eretekens als u die soms ziet.
MarullusKunnen we dat wel?
Het is vandaag toch het Lupercusfeest?
FlaviusWat maakt dat nou toch uit; ontdoe elk beeld
van Caesars eretekenen. Ik zorg
dat ik het gepeupel van de straten drijf;
doet u dat ook, waar u een oploop ziet.
Als Caesars vleugels zo gekortwiekt zijn,
dwingen wij hem tot een wat lagere vlucht,
die anders uitstijgt boven 's mensen blik
en ons in slaafse angst houdt, allemaal.
Allen af

 
Tweede toneel
 Nog in Rome. Een openbaar plein.
Caesar op, en Antonius -voor de rondgang uitgerust -, Calphurnia, Portia, Decius, Cicero, Brutus, Cassius, Casca, een waarzegger [en een grote menigte]; daarna Marullus en Flavius.
CaesarCalphurnia.
CascaStilte! Caesar spreekt.
Caesar Calphurnia.
CalphurniaHier ben ik, heer.
CaesarSta midden op Antonius' weg, als hij
zijn rondgang maken gaat. Antonius.
AntoniusCaesar, mijn heer.
CaesarAntonius, denk eraan, om, in uw vaart,
Calphurnia aan te raken: oud geloof
zegt, dat onvruchtbare vrouwen, aangeraakt,
zich van die vloek bevrijden.
Antonius Ik vergeet het niet:
als Caesar zegt: 'Doe dit', dan is het gedaan.
CaesarBegin, en laat niets weg van het oud gebruik.
WaarzeggerCaesar!
CaesarWat! Wie roept daar?
CascaLaat het nu rustig worden. Nogmaals: stil!
CaesarWie is dat in het gedrang die mij zo roept?
Ik hoor een stem die scheller dan muziek
'Caesar' roept. Spreek. Caesar leent u zijn oor.
WaarzeggerHoed u voor vijftien maart.
Caesar Wie is dat nu?
BrutusEen ziener waarschuwt u voor vijftien maart.
CaesarLeid hem hier voor mij, dat ik hem kan zien.
CassiusKom uit het gedrang, kerel; kijk Caesar aan.
CaesarWat heeft u mij te zeggen; spreek nogmaals.
WaarzeggerHoed u voor vijftien maart.
CaesarHet is een dromer; laat hem. Kom, we gaan.
Trompetgeschal. Ze gaan. Brutus en Cassius blijven.
CassiusGaat u niet kijken hoe die gang verloopt?
BrutusIk niet.
CassiusIk verzoek u, ga toch mee.
BrutusIk hou niet van dat gedoe: ik heb niet zo
die speelse geest van die Antonius.
Maar laat ik u niet hinderen in uw wens;
u gaat maar, Cassius.
CassiusIk observeer u, Brutus, al een tijd.
En in uw blik mis ik die vriendelijkheid,
dat joviale, dat ik vroeger zag.
U houdt de vriend die u echt mag te kort,
haast met terughoudendheid.
BrutusMaar Cassius,
vergis u niet: zo ik al gesloten ben,
dan richt zich mijn wat fronsende gezicht
enkel tegen mijzelf. De laatste tijd
kwelt een verscheurdheid mij diep in het hart,
spookbeelden die ik graag voor mij houden wil;
misschien beïnvloedt dat wel mijn gedrag;
maar laat dat niet mijn goede vrienden kwetsen
(waaronder u zich, Cassius, rekenen kunt)
en lees uit mijn veronachtzaming niet meer
dan dat Brutus, vechtend tegen zichzelf,
vergeet te tonen dat hij anderen mag.
CassiusDan heb ik uw wrevel niet goed ingeschat;
en door die fout heb ik diep in mijn hart
gewichtige gedachten weggestopt.
Lukt het u, Brutus, uw gezicht te zien?
BrutusNee, Cassius, want het oog ziet niet zichzelf,
maar door reflectie, door een ander ding.
CassiusZo is het;
en algemeen vindt men het jammer, Brutus,
dat u geen spiegel heeft die aan uw oog
al uw verborgen kwaliteiten toont,
dat u zichzelf eens zag. Men zou graag zien,
de velen die in Rome in aanzien staan
(behalve dan de onsterfelijke Caesar),
die kreunen onder het juk van deze tijd,
dat de edele Brutus eindelijk ogen kreeg.
BrutusTot welk gevaar wilt u mij leiden, Cassius,
dat u mij in mijzelve zoeken laat
naar iets dat daar niet is?
CassiusMijn beste Brutus, luister daarom goed;
omdat u weet, dat u zichzelf het best
ziet door reflectie, zal ik uw spiegel zijn
en dat van u onthullen, waargetrouw,
waarvan u nog niet weet dat u het heeft.
Verdenk mij niet van achterdocht, mijn Brutus:
Was ik zomaar een zwetser, iemand die
bewonderaars afdoet met 'Ik mag u ook',
zoals in de taveerne, als u hoort
dat ik ooit mensen vlei en aan het hart druk,
en dan later belaster; als u hoort
dat ik aan tafel zeer vertrouwelijk wordt
met jan en alleman, dan dreigt gevaar.
Trompetgeschal en jubelkreten
BrutusWat is dat voor gejuich? Het volk zal toch niet
Caesar tot koning kiezen?
CassiusBent u daar bang voor?
Dan denk ik dat u dat niet graag zo zag.
BrutusNee, Cassius; en toch mag ik hem graag.
Maar waarom houdt u mij zo lang hier op?
Wat wilt u me in vertrouwen mededelen?
Als het iets is voor het algemeen belang,
zet dan eer in één oog, en dood in het andere,
en onpartijdig kijk ik beide aan,
want, en zo helpen mij de goden, eer
is mij meer lief dan dat ik vrees voor dood.
CassiusIk weet dat u die deugd hebt, waarde Brutus,
zoals ik ook uw uiterlijk goed ken.
Waar ik het over hebben wil is eer.
Ik weet echt niet wat u met anderen
vindt van dit leven; maar wat mij betreft,
ik had net zo lief niet dat ik hier maar leef
vol angst voor eenzelfde wezen als ik ben.
Als Caesar, ben ik vrij geboren; u ook;
wij zijn even gezond, en even goed
verdragen wij de winterkou als hij.
Toen ooit, een dag vol windvlagen en storm,
de Tiber boos tegen haar oevers sloeg,
zei Caesar tegen mij: "Durf jij je, Cassius,
met mij in deze woeste vloed te storten,
en ginds heen te zwemmen?" En op dat woord,
stortte ik me erin, met al mijn kleren aan,
en vroeg hem mij te volgen; wat hij deed.
Het ging te keer, en krachtig sloegen wij
met onze spieren het water terug opzij,
drongen het weg met strijdlust in ons hart.
Maar nog ver voor het afgesproken punt
riep Caesar: "Help me, Cassius, of ik zink."
Zoals onze grote voorouder, Aeneas,
ooit op zijn schouder uit het vlammend Troje
de oude Anchises, zo droeg ik uit de golven
de vermoeide Caesar. En deze man
is nu een god geworden, en Cassius
een ellendig schepsel, dat al buigen moet
als Caesar enkel achteloos naar hem knikt.
Hij lag met koorts toen hij in Spanje was,
en als hij dan een aanval kreeg, zag ik
hem rillen; ja, hij rilde, hij, de god;
zijn laffe lippen vluchtten van hun kleur,
hetzelfde oog dat nu de aarde dwingt
verloor zijn glans; ik hoorde hoe hij kreunde;
ja, en die mond die de Romeinen dwong
te luisteren en zijn woorden op te tekenen,
die riep: "Titinius, geef me wat te drinken,"
als een ziek meisje. Goden, ik sta versteld,
hoe dat een man met zo een zwak gestel
de grootse wereld overvleugeld heeft
en de erepalm alleen wegdraagt.
Trompetgeschal en gejuich
BrutusAlweer gejuich?
Die bijval is vast voor nieuw eerbetoon
waarmee men Caesar overladen heeft.
CassiusJa, vriend, hij loopt over de smalle wereld
als een Kolossos, en wij, dwergen, lopen
onder zijn reuzenbenen, kijken uit
naar een plaatsje voor ons graf zonder veel eer.
De mens is soms zelf meester van zijn lot:
de schuld, Brutus, ligt niet in ons gesternte,
maar in onszelf, dat wij zo nietig zijn.
Brutus en Caesar: wat schuilt er in dat "Caesar"?
wat geeft die naam meer glans dan die van u?
Schrijf ze allebei: de uwe is even mooi;
spreek ze uit: ze liggen de mond even goed;
ze wegen even zwaar; bezweer ermee,
"Brutus" roept geesten net zo snel als "Caesar".
Nu, in de naam van alle goden samen,
waar voedt die Caesar van ons zich toch mee,
dat hij zo groot is? Tijd, gij zijt onteerd!
Rome, waar is uw geslacht van nobel bloed?
Geen enkel tijdperk, sinds de grote vloed,
of het was befaamd om meer dan één groot man.
Geen die tot nu van Rome sprak sprak ooit
van wijde walgangen rondom één man.
Rome is nu echt een ruim privé vertrek,
nu zij bewoond wordt door één enkel man.
Wij beiden kennen het verhaal nog wel,
dat ooit een zekere Brutus liever nog
de eeuwige duivel in Rome had geduld
dan het hof van een koning.
BrutusDat u mij mag, daar twijfel ik niet aan.
Ik heb zo'n idee van wat u van mij wil.
Wat ik er zo van denk, en van de tijd,
dat zult u later horen. Voor het moment
vraag ik u - als mijn vriendschap dat vermag -
niet verder aan te dringen. Wat u zei
zal ik overdenken. Komt u nog met meer,
dan luister ik geduldig; mettertijd
bespreken wij die zaken van gewicht.
Neem dit, mijn vriend, tot dan nog even mee:
dat Brutus liever uit een dorpje kwam
dan zoon van Rome zich te moeten noemen
onder het zware juk dat deze tijd
ons zeer waarschijnlijk oplegt.
CassiusIk ben blij,
dat mijn wat zwak gepraat nog zoveel vuur
aan Brutus heeft ontlokt.
Caesar op, met zijn gevolg
BrutusHet spel is voorbij, en Caesar komt terug.
CassiusTrek als men langsgaat Casca aan zijn mouw,
dan hoort u van hem (bitter als altijd)
wat er voor noemenswaardigs is gebeurd.
BrutusJa, goed. Maar kijk eens, Cassius, hoe fel
de woedevlek op Caesars voorhoofd gloeit;
de rest kijkt net alsof men is berispt:
Calphurnia's wang is bleek, en Cicero
kijkt met dezelfde vurige frettenblik
als wij hem zagen in het Capitool,
toen men hem in de raad zijn zin niet gaf.
CassiusWe horen wel van Casca wat er is.
CaesarAntonius.
AntoniusCaesar?
CaesarIk wil welgedane mannen om me heen,
en zonder rimpels, die goed slapen 's nachts.
Die Cassius ziet er schraal en hongerig uit;
hij denkt te veel; die mannen zijn gevaarlijk.
AntoniusVrees hem niet, Caesar, hij is ongevaarlijk.
Hij is rondborstig, een nobele Romein.
CaesarHij moest wat dikker zijn; maar ik vrees hem niet:
als mijn naam toch tot vrees geneigd zou zijn,
dan weet ik niet wie ik eerder mijden zou
dan deze magere Cassius. Hij leest veel,
hij is scherpzinnig; al wat mensen doen
doorziet hij goed. Hij houdt niet van toneel,
jij wel, Antonius; ook niet van muziek.
Hij lacht niet vaak, en lacht op zo'n manier,
als lachte hij om zichzelf, verachtte hij
zijn geest die lachen kon om iets van niets.
Iemand als hij is nooit voldaan van hart,
bij het zien van iemand groter dan hijzelf,
en daarom vormen zij een groot gevaar.
Ik zeg je nu wat mensen moeten duchten,
niet wat ik zelf ducht: ik ben altijd Caesar.
Kom aan mijn rechterkant, dit oor is doof,
en zeg me eerlijk wat je van hem vindt.
Trompetgeschal. Caesar en zijn gevolg af
CascaU trok mij aan mijn mantel. Wilde u mij even spreken?
BrutusJa, Casca. Wat is er vandaag gebeurd,
dat Caesar nu zo somber kijkt.
CascaMaar u was zelf de hele tijd toch bij hem.
BrutusDan zou ik Casca niet vragen wat er was.
CascaNou, men heeft hem een kroon aangeboden. En toen die hem aangeboden werd, schoof hij hem terzijde met de rug van zijn hand, zo; en toen begon het volk te juichen.
BrutusWaar was dat tweede gejuich om?
CascaNou, ook daarom.
BrutusZe hebben drie keer gejuicht: waar was die laatste keer voor.
CascaNou, ook daarom.
BrutusHebben ze hem drie keer de kroon aangeboden?
CascaJa, ja, zo was het, en hij heeft hem drie keer terzijde geschoven, en elke keer zachter dan de vorige; en elke keer dat hij hem terzijde schoof begonnen mijn brave buurtjes te juichen.
BrutusWie heeft hem die kroon aangeboden?
CascaWel, Antonius.
BrutusHoe ging dat dan, mijn beste Casca?
CascaIk mag gehangen worden, als ik kan vertellen hoe: het was meer een geintje; ik heb er niet op gelet. Ik zag Marcus Antonius hem een kroon aanbieden; maar het was eigenlijk niet een echte kroon, meer zo'n klein kroontje; en, zoals ik al zei, hij schoof hem terzijde; maar hij zou hem toch eigenlijk graag gehad hebben, als u het mij vraagt. Toen bood hij hem weer aan; hij legde hem weer ter zij; maar ik denk zo, dat hij er maar met moeite vanaf kon blijven. En toen gaf hij hem een derde keer; en steeds als hij weigerde, gilde het gepeupel het uit, en klapte het in de ruwe werkhanden, gooide het de zweterige slaapmutsen de lucht in, en braakte het zo'n stinkende adem uit omdat Caesar de kroon weigerde, dat Caesar bijna moest stikken, want hij werd onwel en viel neer. Ik van mijn kant durfde niet te lachen, omdat ik bang was mijn mond open te doen en die slechte lucht naar binnen te krijgen.
CassiusRustig maar, alstublieft; zei u, dat Caesar flauw viel?
CascaHij viel op het marktplein, er kwam schuim op zijn mond en hij kon niet praten.
BrutusDat kan heel goed; hij heeft de vallende ziekte.
CassiusNee, Caesar heeft die niet; maar u en ik
en Casca hier, wij lijden aan die kwaal.
CascaIk weet niet wat u daarmee bedoelt, maar ik weet zeker dat Caesar viel. Als dat stelletje schorem hem niet toejuichte en uitfloot, naargelang hij deed wat ze goed of verkeerd vonden - zoals ze dat zo vaak bij spelers in het theater doen - , dan ben ik geen eerlijk man.
BrutusWat zei hij toen hij bijkwam?
CascaNou, voordat hij viel - toen hij merkte dat dat gemene volk blij was dat hij de kroon weigerde - rukte hij me daar zijn kraag open, en nodigde hen uit om zijn keel af te snijden. Als ik iemand van het vak was geweest, dan mag ik naar de hel gaan met alle schurken, als ik hem niet aan zijn woord had gehouden. Wel, en toen viel hij. Toen hij weer bij kwam, zei hij, dat als hij iets verkeerds gedaan of gezegd had, hij hunne edelheden verzocht te denken dat het zijn ziekte was. Drie of vier vrouwtjes die naast mij stonden zeiden: "Ach, de arme ziel," en vergaven hem van ganser harte. Maar daar kun je geen peil op trekken: als Caesar hun moeders had doodgestoken, hadden ze precies hetzelfde gedaan.
BrutusEn toen, ging hij toen in sombere stemming weg?
CascaJa.
CassiusHeeft Cicero nog iets gezegd?
CascaJa, hij sprak Grieks.
CassiusWaar ging het dan over?
CascaJa, als ik u dat vertel, durf ik u nooit meer onder ogen te komen. Maar degenen die het begrepen glimlachten naar elkaar en schudden hun hoofd; wat mij betreft: het was allemaal Grieks voor mij. Ik kan u ook nog wat meer nieuws vertellen: omdat Marullus en Flavius de kleden van de beelden van Caesar hebben afgetrokken, zijn ze tot zwijgen gebracht. Tot ziens. Er was nog meer geks, maar ik weet het niet meer.
CassiusKomt u vanavond bij mij eten, Casca?
CascaNee, ik heb al een andere afspraak.
CassiusKomt u dan morgen bij mij dineren?
CascaJa, als ik nog leef, en u niet van gedachten verandert, en als uw diner het eten waard is.
CassiusGoed. Dan verwacht ik u.
CascaZeker. Tot ziens, allebei.
Af
BrutusWat is dat toch een botte vent geworden.
Vroeger op school was hij nog scherp van geest.
CassiusDat is hij nog altijd, bij het uitvoeren
van iedere koene en nobele onderneming,
ondanks de traagheid van zijn voorkomen.
Zijn ruwe mond is het sausje op zijn geest;
de lust tot luisteren wordt zo vergroot,
men slikt zijn woorden graag.
BrutusDat is ook zo; en nu verlaat ik u.
Als u mij morgen zien wil, kom ik langs,
bij u aan huis. Als het u liever is,
kom dan bij mij, dan wacht ik op u thuis.
CassiusDat doe ik. Denk aan de toestand onderwijl.
Brutus af
 Ja, Brutus, u bent edel; maar ook jouw
zo achtenswaardige geest kan omgedraaid,
af van zijn eigen aard. Daarom is het goed,
dat edele geesten met elkaar omgaan;
want wie, hoe sterk ook, wordt door niets verleid?
Caesar ziet mij niet staan, maar hij mag Brutus.
Was ik nu Brutus, en hij Cassius,
hij kreeg geen vat op mij. Vanavond nog
gooi ik bij hem, telkens in een ander handschrift,
alsof ze van diverse burgers kwamen,
briefjes naar binnen, vol met de hoge dunk
die Rome van hem heeft, waarin bedekt
op Caesars zucht naar eer gezinspeeld wordt.
Houd dan, Caesar, uw stoel maar stevig vast,
we gaan hem schudden, of zijn in groter last.
Af
 

Derde toneel

Nog in Rome; een straat
Donder en bliksem. Casca en Cicero op, ze zien elkaar
CiceroDag, Casca; heeft u Caesar thuisgebracht?
Wat bent u buiten adem, en verschrikt?
CascaSchokt het u niet, als heel het aards domein
trilt als iets wankels? O mijn Cicero,
ik heb stormen gezien wier razende wind
knoestige eiken spleet; ik heb de oceaan
eerzuchtig zien zwellen, in woede en schuim,
om op te rijzen naar het dreigend zwerk:
maar nooit tot nu toe, nooit tot deze nacht
ben ik door een storm gegaan die vuur liet vallen.
Of er is een burgeroorlog in de hemel,
of deze aard heeft de goden zo ontstemd,
dat zij in woede ontstoken ons verdelgen.
CiceroWat was er verder, dat u schrikken liet?
CascaEen slaaf - u kent hem vast wel van gezicht -
verhief zijn linkerhand, die vlamde en brandde
als twintig toortsen; en toch bleef die hand,
die het vuur niet voelde, heel, en schroeide niet.
En dan (mijn zwaard heb ik nog niet weggestopt)
zag ik een leeuw vlak bij het Capitool,
die mij aanstaarde en nors verder ging
zonder mij iets te doen. Dan was er nog
een groep van honderd vrouwen, die, lijkbleek,
ontzet van angst, beweerden dat ze mannen
al brandend over straat hadden zien gaan.
En gisteren zat de vogel van de nacht
midden op de dag te krassen op de markt.
Als deze wondertekenen zo vreemd
gaan samenvallen, laat niemand dan zeggen:
"Daar 's een verklaring voor, 't is heel gewoon";
want ze voorspellen onheil, volgens mij,
voor heel de streek waarin ze voorvallen.
CiceroDe tijd is inderdaad vol vreemd gebeuren:
de mens legt dingen vaak uit naar zichzelf,
wat soms hun aard en wezen tegenstaat.
Komt Caesar morgen naar het Capitool?
CascaJa, ja, want hij gebood Antonius nog
om u te zeggen dat hij morgen kwam.
CiceroWelterusten, Casca: zo'n onrustige nacht
is niet om in te wandelen.
CascaVaarwel, Cicero.
Cicero af
Cassius op
CassiusWie is daar?
CascaEen Romein.
CassiusCasca, zo te horen.
CascaU hoort het goed. O, Casca, wat een nacht!
CassiusEen fijne nacht voor wie rechtschapen is.
CascaWie heeft de hemel ooit zo fel zien dreigen?
CassiusDie weet dat de aarde zoveel fouten heeft.
Wat mij betreft, ik heb wat rondgelopen,
me blootgesteld aan het nachtelijk gevaar,
en, Casca, zoals u ziet, met open hemd
mijn borst ontbloot voor elke donderklap;
telkens wanneer de blauwe bliksemvork
de hemelboezem leek te openen, stelde ik
mijzelf op als het doelwit van de schicht.
CascaWaarom heeft u de hemel zo getart?
Het is 's mensen rol te vrezen en te beven
als de hoogmachtige goden ons in tekenen
voorboden geven tot ontsteltenis.
CassiusU bent maar stom; u mist de levensvonk
die gloeien moet in iedere Romein,
of u gebruikt hem niet. U staart, ziet bleek,
wordt makkelijk bang, en laat verbijstering toe
bij het zien van 's hemels onverwachte toorn;
maar als u naar de ware oorzaak zocht,
waarom die vuren, al dit geestgewaar,
waarom dat vogels, beesten anders doen,
waarom dat ouderen, gekken, kinderen zien,
waarom deez' dingen hun gewone loop,
hun aard, hun ingeboren neigen zo
gedrochtelijk maken, ja, dan zou u zien,
dat de hemel ze met die geest heeft bezield
tot werktuigen van angst en waarschuwing
tegen een onnatuurlijkheid.
Als ik wilde, Casca, noemde ik je een man
die veel lijkt op deez' vreselijke nacht,
die bliksemt, licht, graven opent en die brult
zoals de leeuwen in het Capitool;
een man niet machtiger dan jij, of ik,
in zijn gestalte, maar toch dreigend groot
en angstverwekkend als dit vreemde weer.
CascaU hebt het over Caesar, of niet, Cassius.
CassiusHet maakt niet uit: Romeinen hebben nu
zoals hun voorvaderen leden en kracht;
maar wee de tijd, de vaderengeest is dood,
wij laten ons door onze moeders leiden,
het juk dat wij dulden stempelt ons tot vrouw.
CascaMorgen is men in de senaat van plan
Caesar tot koning te gaan kronen, zegt men.
Zijn kroon mag hij overal dragen gaan,
te land, ter zee, maar niet hier in Italië.
CassiusDan weet ik goed, waar ik deze dolk zal dragen;
Cassius bevrijdt Cassius van slavernij.
Hiermee, goden, maakt u de zwakke het sterkst;
hiermee, goden, verslaat u tirannie.
Geen stenen toren, geen onbreekbare muur,
geen muffe kerker, geen keten van staal,
kan een wilskrachtige geest gevangen houden;
maar het leven, deze aardse kluisters moe,
mist nooit de kracht zichzelve te bevrijden.
Als ik dat weet, weet, wereld, dan ook gij,
dat ik de tirannie die mij bedrukt
naar willekeur af kan schudden.
Het dondert nog steeds
CascaEn ik ook,
en elke horige draagt in eigen hand
de macht te breken met zijn slavernij.
CassiusWaarom wordt Caesar eigenlijk tiran?
De arme man! Hij was beslist geen wolf,
als hij Romeinen niet voor schapen hield;
Hij was geen leeuw, als zij geen hinden waren.
Wie snel een machtig vuur ontsteken wil,
begint met stro. Wat is Rome dan troep,
wat voor een rommel, afval, dat het dient
als brandstof om een waardeloos iets als Caesar
licht en vuur te geven. O, felle smart,
waar hebt gij mij gebracht? Ik spreek misschien
voor een willig onderdaan, die rekenschap
zal eisen voor mijn woorden. Ik ben gewapend,
en voor gevaar ben ik bepaald niet bang.
CascaU spreekt tot Casca, iemand die u nooit
spottend zal verklikken. Mijn hand erop:
omring u met wie al dit kwaad wil bannen,
en even ver zet ik mijn voet vooruit
als wie zich het verste waagt.
CassiusU bent mijn man.
Weet, Casca, dan ook, dat hier in de stad
een zeer selecte groep Romeinen mij
al steunt in een gevaarlijk-eerzaam plan;
In de zuilengang van Pompeius wacht
men nu op mij: in deze bange nacht
gaat niemand over straat en is het stil;
en de hemel daar zo dreigend boven ons
gaat hand in hand met het werk dat voor ons ligt,
hoogst bloedig, grimmig, allervreselijkst.
Cinna op
CascaGa even uit het licht: iemand heeft haast.
CassiusHet is Cinna. Ik herken hem aan zijn stap.
Hij is een vriend. Cinna, waarom zo'n haast?
CinnaIk zoek u. Wie is dat? Metellus Cimber?
CassiusNee, Casca; ik heb hem al ingewijd
in onze plannen. Wacht men op mij, Cinna?
CinnaFijn dat hij het weet. Wat voor een gruwelnacht!
Wat was er veel bizars te zien vandaag.
CassiusWordt er op mij gewacht? Kom op.
CinnaJa zeker.
O Cassius, wanneer u slechts
de nobele Brutus voor ons winnen kon -
CassiusWees maar gerust. Neem dit papier mee, Cinna,
en leg het op de praetorstoel: alleen
Brutus mag hem vinden; gooi deze dan
bij hem door het raam; plak deze vast aan het beeld
van Brutus senior; en is dat klaar,
kom naar Pompeius' gang, daar vindt u ons.
Zijn Decius Brutus en Trebonius daar?
CinnaAllemaal, alleen Metellus Cimber niet.
Die is u thuis aan het zoeken. Dan ga ik vlug,
en leg ik de briefjes waar u mij dat vroeg.
CassiusEn dan vlug naar onze Pompeiusgang.
Cinna af
 Kom, Casca, nog voor het dag wordt gaan wij twee
met Brutus praten; drie kwart van die man
is al van ons; vallen wij nog eens aan,
dan is zijn overgave vast totaal.
CascaO, hij zit hoog in het hart van heel het volk:
en wat in ons misdadig lijken zou,
dat zal zijn steun, als de hoogste alchimie,
in deugd en waardigheid veranderen.
CassiusU beoordeelt hem en wat hij waard is goed,
en dat we niets zijn zonder hem. Kom mee,
het is middernacht geweest; voor het ochtend is,
wekken we hem, dat we zeker van hem zijn.
Beiden af