terug naar de beginpagina download meer over dit stuk

Cymbeline

William Shakespeare
vertaling    Jan Jonk
Eerste bedrijf eerste toneel
tweede toneel
derde toneel
vierde toneel
vijfde toneel
zesde toneel
zevende toneel
 


 Brittannië Het paleis van Cymbeline

Twee edellieden op
1e EdelmanWie je ook ziet kijkt somber: ons humeur
volgt de planeten net zoals men aan het hof
de koning lijkt te volgen.
2e EdelmanMaar wat is er?
1e EdelmanZijn dochter, de erfgenaam van het rijk (die hij
voor de enige zoon bestemd had van een weduwe
door hem getrouwd), verbond haar lot aan een arm,
maar keurig edelman. Zij is gehuwd,
haar man verbannen; zij in het gevang,
naar buiten één groot verdriet, met de vorst
volgens mij echt geraakt.
2e EdelmanAlleen de koning?
1e EdelmanEn hij die haar kwijt is: en de koningin,
die hen heel graag gehuwd zag. Maar aan het hof
is niemand, al staat hun gezicht ook net
zoals de koning kijkt, die in zijn hart
niet juicht om zoveel zak en as.
2e EdelmanWaarom?
1e EdelmanWie de prinses niet kreeg, dat is een zak
te slap voor een slechte naam; en wie haar heeft
(wie haar getrouwd heeft, dus, ach, beste man,
en dus verbannen) is een schepsel dat,
als men de hoeken van de aarde afzocht
naar zijn gelijke, er altijd wel iets
ontbrak aan wie kans maakte. Ik denk
dat geen uiterlijk schoon, geen zo'n inborst,
iemand zo siert als hem.
2e EdelmanU prijst hem hoog.
1e EdelmanMijn lof spreidt zich nog binnen zijn bereik,
ik verklein hem eerder, dan dat ik mateloos
zijn weidsheid span.
2e EdelmanHoe heet hij; wat is zijn afkomst?
1e EdelmanZijn diepste wortels ken ik niet: zijn vader
heette Sicilius, die krijgsroem won
naast Cassibelan tegen de Romeinen,
maar zijn titels kreeg van Tenantius,
die hij succesrijk diende en met roem:
zo kreeg hij ook de bijnaam Leonatus:
die had (naast de edelman waar het hier om gaat)
nog twee zonen, die in de oorlog vielen,
hun zwaard in de hand. Zo=n smart
overviel hun vader toen zonder kinderen
dat hij uitstapte; en zijn lieve vrouw,
rond van de edelman waar wij van spreken,
stierf bij zijn geboorte. De koning neemt
de zorg voor het kindje op, noemt hem Posthumus Leonatus,
hij voedt hem op, maakt hem zijn eigen page,
houdt hem alle kennis voor die zijn tijd
hem kan aanbieden, en hij neem het op,
zoals wij lucht, vlotter dan toegediend,
en zijn lente werd oogsttijd: leefde aan het hof,
- en dat is wat -, zeer geroemd en geliefd;
een voorbeeld voor de jongsten, voor de rijperen
een spiegel die hen vormde, voor de ouwetjes
een kind dat kindsen leidt. En voor zijn vrouw
(om wie hij is verbannen): haar eigen waarde
spreekt hoezeer zij hem mocht; en al zijn deugd
wordt ons heel duidelijk, doordat haar keus
zegt wat voor man hij is.
2e EdelmanIk eer hem al
uit uw verhaal. Is zij het enig kind
van de koning?
1e EdelmanZijn enig kind. Hij had
twee zonen - het is een heel vreemd verhaal,
let op - die, met de oudste nog pas drie,
en de ander in de wieg, gestolen werden
uit hun kamer; en nu nog heeft niemand een idee
waarheen.
2e EdelmanHoe lang geleden is dat al?
1e EdelmanWel twintig jaar.
2e EdelmanDat men twee koningskinderen zo steelt,
- zo slap bewaakt, dat men zo langzaam zocht,
en ze niet terug vond!
1e EdelmanHoe vreemd het ook zij,
en hoe belachelijk de onachtzaamheid,
het is wel waar, vriend.
2e EdelmanIk geloof u graag.
1e EdelmanGenoeg hiervan. Hier komt de edelman,
de koningin en de princes.
Beiden af


 
Tweede toneel
Dezelfde plaats

De Koningin op, Posthumus, en Innogen
KoninginNee, dochter, je zult echt zien dat ik niet
de duivel ben die laster stiefmoeders
altijd noemt. Mijn gevangene bent u,
maar uw cipier geeft u wat graag de sleutels
die uw kerker afsluiten. En u, Posthumus,
men zal weten dat ik achter u sta,
zo gauw ik de koning kalm krijg: ja, want nu
is hij nog altijd laaiend, en het zou goed zijn
als u zich voor zijn vonnis buigt, zo rustig
als u verstand u ingeeft.
PosthumusZeker, hoogheid,
ik vertrek vandaag nog.
KoninginU kent het gevaar.
Ik ga nog een rondje door de tuin; hoezeer
gaat mij de pijn aan van min die men dwarsboomt,
dat de vorst jullie samenspraak verbiedt!
Af
InnogenO huichel-hoffelijkheid! Hoe subtiel kriebelt
dat kreng voordat zij bijt. Mijn lieve man,
mijn vaders toorn doet pijn, maar helemaal niet
(altijd los van mijn heilige plicht) dat wat
zijn woede mij kan aandoen. Ga maar vlug,
en ik zal hier elk uur het doelwit zijn
van boze blikken: leven zonder troost,
maar met dit juweel ergens in de wereld
dat ik ooit terugzie.
PosthumusVrouwe, echtgenote,
O, lady, huil niet meer, want dan zou ik licht
het vermoeden wekken dat ik weker ben
dan dat een man betaamt. Ik blijf steeds
de trouwste echtgenoot die ooit trouw zwoer.
Ik ga in Rome wonen, bij Philario,
een kennis van mijn vader, maar die ik
alleen uit brieven ken; schrijf daarheen, vrouw,
en met mijn ogen drink ik uw woorden in,
al is inkt pure gal.
De Koningin weer op
KoninginMaak het toch kort:
want als de koning komt, weet ik niet hoe zwaar
ik het te verduren krijg: [Terzijde] maar ik lok hem toch
hierheen: steeds als ik lastig voor hem ben,
vergoelijkt hij de pijn die ik breng, als gunst:
mijn boosheid kost hem duur.
Af
PosthumusAl duurde ons afscheid
zo lang als ons nog van ons leven rest,
steeds langer werd de tegenzin. Adieu!
InnogenNee, blijf nog even:
al ging u voor een ommetje, dan nog
was zo een afscheid veel te kort. Kijk, lief;
neem deze diamant, van moeder, schat;
en houd hem tot u met een ander trouwt,
als Innogen gestorven is.
PosthumusEen ander?
O, goden, geef mij enkel die ik heb,
bezegel dat ik geen tweede omarmen zal
met kluisters van de dood! Blijf hier, niet af,
Hij doet de ring aan zijn vinger
zolang liefde u aanhoudt: en liefste, mooiste,
zoals ik mijn arme zelf ruilde voor u
tot uw oneindige schade, zo win ik van u
bij een kleine ruil. Draag dit om mijnentwil,
een handboei van de liefde, die ik mijn liefste
gevangene nu aanleg.
Hij doet haar een armband aan
InnogenO, de goden!
Wanneer zien wij elkaar weer?
Cymbeline op, en edellieden
PosthumusNee, de koning!
CymbelineJij, stomme lul, uit mijn ogen, hiervandaan!
Als jij het hof na de uitspraak nog bezwaart
met jouw nietswaardigheid, dan sterf je. Weg!
Jij bent mij gif in het bloed.
PosthumusDe goden hoeden u,
en zegenen al wat edel blijft aan het hof!
Ik ben al weg.
Af
InnogenGeen foltering heeft de dood
pijnlijker dan dit.
CymbelineTrouweloze kut,
die mij jeugdig houden moest, jij gooit me
er nog jaren bij!
InnogenO, alstublieft, heer,
pijnig uzelf niet met al uw verwijten,
uw toorn voel ik toch niet; een veel dieper leed
verdooft mij pijn en vrees.
CymbelineOnzalig? Ongehoorzaam?
InnogenGeen hoop, wanhopig, en onzalig dus.
CymbelineDie mijn vrouws enige zoon ooit hebben kon.
InnogenO, een zegen, dat ik niet kon! Ik koos een arend,
en vermeed een wouw.
CymbelineJij nam een schooier, en had graag mijn troon
als zetel voor de laagheid.
InnogenDie heb ik eer
glans verleend.
CymbelineO jij, stuk ongeluk.
InnogenHeer,
het is uw schuld dat ik van Posthumus hield:
u voedde hem als mijn vriendje op, en hij is
wel iedere vrouw waard: haast meer dan ik waard
dan dat hij nu betaalt.
CymbelineWat! Bij jij gek?
InnogenBijna, heer: help mij, hemel! Was ik maar
van een ossendrijver, en Leonatus
de zoon van buurman herder.
CymbelineJij stomme trut!
De Koningin weer op
 Ze waren weer bij elkaar: u heeft niet
gedaan wat wij wensten. Weg nu, met haar,
en sluit haar op.
KoninginNou, kalm een beetje. Stil,
lieve dochter, rustig toch! - Dierbare vorst,
laat ons alleen, en kom wat tot uzelf,
naar eigen inzicht.
CymbelineNou, van mij mag ze
één drup bloed per dag wegkwijnen, en, oud,
aan die dwaasheid sterven.
Cymbeline en Edellieden af
KoninginFoei, beheers u.
Pisanio op
 Hier is uw dienaar. Wel, man, is er nieuws?
PisanioUw zoon trok het zwaard tegen mijn meester.
KoninginWat?
Toch niets gebeurd hoop ik?
PisanioDat had best gekund,
maar mijn heer deed of het spel was, en niet echt,
en was niet gepikeerd; wat omstanders
haalden hen uit elkaar.
KoninginDaar ben ik blij om.
InnogenUw zoon is dus mijn vaders vriend, hij helpt
een balling aan te vallen. Dapper, zeg!
Die zag ik samen graag in een woestijn,
en ik daar met een naald, om hem die week
te prikken. Wat liet u uw heer alleen?
PisanioOp zijn bevel. Hij wou niet dat ik hem
naar de haven bracht: maar gaf mij voorschriften
waar ik mij aan te houden had zo het u
behaagt mij in dienst te nemen.
KoninginHij was steeds
uw trouwe dienaar: en, ik wed mijn eer,
dat zal hij blijven.
PisanioIk dank u nederig, hoogheid.
KoninginGa nu wat wandelen.
InnogenKom over een goed half uurtje bij mij langs;
U moet (tenminste) mij heer uit gaan zwaaien.
U kunt nu gaan.
Allen af


 
Derde toneel
Dezelfde plaats

Cloten op, en twee edellieden
1e EdelmanIk zou u toch aanraden, heer, een ander hemd aan te trekken; de heftigheid van de actie doet u dampen als een brandoffer: en waar lucht uit gaat, komt lucht in; en die lucht buiten is minder gezond dan die welke u zelf afgeeft.
ClotenAls er bloed aan mijn hemd zat, zou ik een ander aandoen. Heb ik hem gewond?
2e Edelman[Terzijde] Nou, echt niet; zelfs niet zijn geduld.
1e EdelmanHem gewond? Zijn lijf is één doorgestoken karkas, als hij niet gewond is. Het is één doorsteekweg voor staal, als het niet gewond is.
2e Edelman[Terzijde] Zijn zwaard had schulden, en het ging door achterafstraatjes.
ClotenDe schurk wou niet blijven staan om tegen mij te vechten.
2e Edelman[Terzijde] Nee, maar hij vluchtte almaar vooruit, naar uw gezicht.
1e EdelmanBlijven staan voor u? Maar u heeft zelf land genoeg: maar hij heeft uw eigendom vergroot door het veld voor u te ruimen.
2e Edelman[Terzijde] Ja, net zoveel duim als u oceanen hebt. De oenen!
ClotenIk had graag gezien, dat er niemand tussenbeide gekomen was.
2e Edelman[Terzijde] Ja, ik ook, tot u languit op de grond had kunnen meten wat voor gek dat u was.
ClotenDat zij van die kerel houdt, en mij weigert!
2e Edelman[Terzijde] Als het een zonde is het ware te kiezen, dan gaat zij naar de hel.
1e EdelmanZoals ik u altijd al zei, heer, haar schoonheid gaat haar verstand te boven. Van buiten ziet ze er goed uit, maar ik zie er maar weinig geestigs van haarzelf op.
2e Edelman[Terzijde] Ze heeft geen uitstraling op gekken, want de weerschijn zou haar geen goed doen.
ClotenKom, ik ga eens naar mijn kamer. Ik zou willen, dat er iets gebeurd was.
2e Edelman[Terzijde] Nou, ik niet, of het had de val van een ezel moeten zijn, maar dat is geen groot ongeval.
ClotenKomt u met ons mee?
1e EdelmanIk ga met u mee, hoogheid.
ClotenJa, dan gaan we samen.
2e EdelmanZeker, mijn heer.
Allen af


 
Vierde toneel
-Dezelfde plaats


Innogen en Pisanio op
InnogenIk wou dat je vastgegroeid stond aan de haven
en elk schip ondervroeg: stel dat hij schrijft,
en ik het niet krijg, dan was dat als het verlies
van een genadebrief. Wat was het laatste
dat hij jou zei?
PisanioDat was: zijn vrouwe, vrouwe!
InnogenEn wuifde hij met zijn zakdoek?
PisanioKuste die.
InnogenGevoelloos doek, gelukkiger daar dan ik!
En was dat alles?
PisanioNee, mevrouw; zo lang
als hij zich door mij met dit oog, of oor,
van anderen onderscheiden liet, bleef hij
aan dek, steeds wuivend met zijn handschoen, hoed,
of zakdoek, naargelang zijn zielenroerselen
het best uitdrukten hoe traag zijn ziel verreisde,
hoe snel zijn schip voer.
InnogenHij werd voor jou vast
zo klein als een kraai, of kleiner, voor jij
ophield hem na te kijken.
PisanioJa, mevrouw.
InnogenMijn oogbanden had ik gebroken, laten knappen,
als ik hem maar had kunnen zien, tot de verkleining
der ruimte hem een punt maakte scherp als mijn naald:
ja, ik had hem gevolgd, tot hij van mug-grootte
gesmolten was tot lucht: en dan had ik
mijn oog afgewend, en gehuild. Pisanio,
wanneer horen wij van hem?
PisanioBeslist, mevrouw,
zo gauw hij weer een kans heeft.
InnogenIk kon geen afscheid nemen; en ik had
nog zoveel liefs te zeggen: vóór ik hem
vertellen kon, hoe ik aan hem denken zou,
precies wat, en wanneer; of hem zweren doen
dat geen Italiaanse ooit mijn geluk
en zijn eer roven zou; of hem kon zeggen,
met mij om zes uur 's morgens, 's middags, 's avonds
verenigd te zijn in gebed, want dan
ben ik voor hem in de hemel; vóór ik hem
die afscheidskus kon geven, die ik gevat had
tussen twee lieve woordjes, komt mijn vader,
en schudt, bar en boos als de noordenwind,
al onze knopjes vóór het ontluiken af.
Een hofdame op
Hofdamebr> de koningin wenst u te spreken.
InnogenWat ik u vroeg te doen, doe dat maar gauw. -
Ik kom naar haar toe.
PisanioDat doe ik, mevrouw.
Allen af


 
Vijfde Toneel
-Rome. Het huis van Philario.

Philario op, Iachimo, een Fransman, een Nederlander en een Spanjaard.
IachimoGeloof me, heer, ik heb hem in Brittannië gezien; zijn aanzien was toen al aan het groeien, en er werd verwacht dat hij zo een waardig man zou worden als hij later werd genoemd. Maar ik had hem toen best kunnen beschouwen zonder de hulp van verwondering, zelfs al had de lijst van zijn voortreffelijkheden aan zijn zijde gehangen, zodat ik ze stuk voor stuk kon lezen.
PhilarioU spreekt van hem toen hij veel minder dan nu toegerust was met dat wat hem volkomen maakt, zowel van buiten als van binnen.
FransmanIk heb hem in Frankrijk gezien: we hadden er daar heel wat die zo recht in de zon konden kijken als hij.
IachimoHet feit dat hij met de dochter van de koning getrouwd is, waarbij hij meer naar haar waarde gewogen dient te worden dan naar die van hem zelf, geeft hem ongetwijfeld een veel grotere reputatie dan die welke hij verdient.
FransmanEn dan zijn verbanning.
IachimoJa, en de bijval van hen die onder haar banier deze jammerlijke scheiding betreuren werkt bijtengewoon samen om hem nog meer op te hemelen; al was het alleen om haar oordeel te verdedigen, dat zich anders bij de eerste de beste aanval al gewonnen had moeten geven, als zij een bedelaar had genomen - al was die van veel mindere rang. Maar hoe komt het, dat hij zijn intrek bij u genomen heeft? Wat buigt zich kennismaking toch vreemd naar onder.
PhilarioZijn vader en ik waren krijgsmakkers; hem heb ik vaak niets minder dan mijn leven te danken gehad. - Hier komt de Brit net aan. Laat hem zo hoffelijk door u ontvangen worden als een vreemdeling van zijn rang recht heeft te verwachten van edelen van uw ervaring.
Posthumus op
 Ik verzoek u allen kennis aan te knopen met deze edelman, die ik als een vriend van mij aan u aanbeveel. Hoe waardig hij dat is, laat ik u liever zelf ontdekken dan het in zijn bijzijn te vertellen.
FransmanMijn heer, wij hebben elkaar toch in Orleans gekend.
PosthumusEn sindsdien sta ik bij u in het krijt voor uw beleefdheden, waarvoor ik, hoe ik ze ook vergeld,
u altijd verschuldigd zal blijven.
FransmanMijn heer, u overschat mijn armzalige beleefdheden: ik was blij, dat ik mijn landgenoot en u kon verzoenen: het zou jammer geweest zijn, als het tussen u beiden tot een gevecht gekomen was, met dat dodelijk plan dat ieder van u toen koesterde, en dat om een zo onbetekenende en alledaagse reden.
PosthumusNeem me niet kwalijk, heer, maar ik was nog jong toen ik die reis maakte, en ik weigerde het liefst te accepteren wat mij werd gezegd, dan dat ik mij, bij al wat ik deed, liet leiden door de ondervinding van anderen: maar ook naar mijn rijper oordeel (als ik u niet ontrief door te stellen dat het rijper is) was de onenigheid niet zo onbetekenend.
FransmanToch wel, om door het zwaard beslecht te worden, en dan nog wel door twee heren die elkaar ongetwijfeld totaal zouden hebben omgelegd, of allebei gevallen waren.
IachimoIs het soms onbescheiden om te vragen waar het geschil om ging?
FransmanZeker niet, dacht ik: het was een openlijke woordentwist, die zonder bezwaren verder verteld kan worden. Hij leek veel op de onenigheid die gisterenavond ontstond, toen elk van ons de lof zong van de meisjes van ons land; deze heer hield toen staande - en was bereid dat met zijn bloed te willen bevestigen -, dat die van hem mooier was, met meer deugdzaamheid en verstand, kuiser, standvastiger en voortreffelijker, en minder gauw te verleiden dan de meest uitgelezen Franse dames.
IachimoDat soort dame leeft niet meer; of de opvatting van deze heer is bij deze al versleten.
PosthumusZij heeft dat soort deugd nog altijd, en ik geloof dat nog vast.
IachimoU moet haar niet zo boven onze Italiaanse meisjes uitsteken.
PosthumusAls men mij weer zo uitdaagt als toen in Frankrijk, zou ik niets van haar lof afdoen, en ik zou zeggen dat ik haar lief was, niet haar vriendje.
IachimoEven mooi, even goed - een soort gekoppelde vergelijking - zou al iets te mooi en te goed zijn geweest voor een dame in Brittannië. Als ze anderen die ik heb ontmoet overtreft zoals die diamant van u vele andere die ik heb gezien overstraalt, dan zou ik nog niet willen geloven dat zij velen overtreft in deugdzaamheid; maar ik heb de kostbaarste diamant die er bestaat nooit gezien, en u de deugdzaamste dame niet.
PosthumusIk roemde haar naar mijn schatting: en dat doe ik ook met mijn steen.
IachimoEn hoe hoog schat u die dan?
PosthumusMeer dan de wereld bezit.
IachimoOf die weergaloze liefde van u is dood, ofwel ze wordt overtroffen door een klein steentje.
PosthumusDat ziet u verkeerd: de een kan verkocht worden of weggegeven, als er maar genoeg rijkdom is voor de koop, of verdienste voor het geven. Dat andere is niet iets dat men verkoopt, het is louter een geschenk van de goden.
IachimoDat de goden u hebben gegeven?
PosthumusDat ik met hun genade houden zal.
IachimoHet kan dan wel zijn dat zij u van rechtswege toebehoort, maar u weet dat er ook wel eens vreemde eenden vallen in buurmansvijver. Ook die ring van u kan gestolen worden; dus van uw twee onwaardeerbare schatten is de ene maar zwak en kan de andere iets overkomen; een slimme dief, of een in dit opzicht bekwame hoveling zou het kunnen wagen zowel de eerste als de laatste te ontvreemden.
PosthumusEr is in dat Italië van u geen hoveling zo bekwaam dat hij de eer van mijn echtgenote zou kunnen veroveren, al noemt u haar zwak in het bewaren of verliezen daarvan: ik twijfel er absoluut niet aan, dat u hier een heleboel dieven hebt; en toch ben ik niet bang voor mijn ring.
PhilarioLaten we het daarbij houden, heren.
PosthumusJa, van harte. Deze edele Signore behandelt mij niet als een vreemdeling - en daar dank ik hem voor; wij zijn direct goede vrienden.
IachimoAls ik vijf keer zo lang met uw schone vrouwe zou kunnen praten, dan had ik al aardig wat vaste voet bij haar; ik zou haar terugdringen, tot aan toegeven, stel dat ik bij haar kon komen en iets zou kunnen.
PosthumusNee, nee.
IachimoDaarvoor zou ik de helft van mijn vermogen durven wedden tegen uw ring, al is die iets minder waard is: maar ik zet dit weddenschap eerder in tegen uw goed vertrouwen dan haar goede naam. En om uit te sluiten, dat u er door gekrenkt wordt: ik zou dit durven ondernemen tegen welke vrouw ter wereld ook.
PosthumusUw zelfvertrouwen is wel erg roekeloos; en ik twijfel er niet aan, dat u bij uw poging ondervinden zult wat u verdient.
IachimoEn wat is dat dan?
PosthumusEen afwijzing: al verdient uw poging, zoals u dat noemt, veel meer: ook een afstraffing.
PhilarioZo is het wel genoeg, heren; dit kwam te plotseling op, - laat het sterven zoals het geboren werd, en ik hoop dat jullie elkaar eerst beter leren kennen.
IachimoEn toch had ik graag mijn hele vermogen en dat van mijn buren erbij verwed, dat ik waar kan maken wat ik gezegd heb.
PosthumusEn welke dame wou u uitkiezen om lastig te vallen.
IachimoDie van u, die volgens u de standvastigheid zelve is. Ik wil tienduizend dukaten verwedden tegen uw ring, dat - geef mij maar eens een aanbeveling aan het hof waar uw dame is, met geen ander voordeel dan de gelegenheid om haar twee keer te spreken, en ik breng vandaar die eer van haar mee die u zo veilig bewaard denkt.
PosthumusTegen uw goud zet ik net zoveel goud is: mijn ring is mij even dierbaar als mijn vinger: hij is er een deel van.
IachimoU bent een liefje, en daarom weet u goed wat u doet. Al kocht u vrouwenvlees voor een miljoen per gram, u kunt het toch niet tegen bederf beschermen; maar ik zie dat u wat bijgelovig bent, en wat angstig.
PosthumusAch, u kletst ook altijd maar door; ik hoop, dat u het ernstig bedoelt.
IachimoIk weet heel goed wat ik zeg, en ik zweer dat ik bereid ben te ondernemen wat er gezegd is.
PosthumusO ja? Ik zal mijn diamant in pand geven tot u terugkomt: daar zullen we een onderlinge afspraak over maken. De voortreffelijkheid van mijn geliefde vrouw overtreft de onwaardige gedachte van u, hoe ontzagwekkend die ook moge zijn. Ik daag u uit tot deze weddenschap: hier is mijn ring.
PhilarioIk wil er niet om wedden.
IachimoBij de goden, die is al aanvaard. Als ik u geen afdoend bewijs breng, dat ik het zoetste lijfelijk deel van uw lief heb genoten, dan zijn mijn tienduizend dukaten van u, en uiteraard ook uw diamant: moet ik terug, en laat ik haar eer zo ongeschonden zoals u vertrouwt, dan is zij uw juweel, dan is dit juweel van u, en dan is mijn goud van u: alles onder de voorwaarde, dat ik uw aanbeveling ontvang voor een onbelemmerde toegang.
PosthumusDie voorwaarden neem ik aan, laten wij dat onderling schriftelijk vastleggen. Alleen dit moet u nog met mij overeenkomen: als het avontuurtje met haar doorgaat, en u mij onweerlegbaar aantoont dat zij bezweken is, ben ik niet verder uw vijand; dan is zij geen twist tussen ons meer waard. Als zij zich niet laat verleiden, en u niet het tegendeel kunt bewijzen, dan zult u, om uw kwalijke bedoeling en om uw aanslag op haar eerbaarheid, mij met uw zwaard rekenschap moeten geven.
IachimoUw hand - dat is zo afgesproken: We zullen dit alles in wettelijke vorm laten noteren; en dan, onmiddellijk naar Brittannië, anders vat de onderneming kou, en sterft zij. Ik ga mijn goud halen, en laat onze wederzijdse weddenschap op papier zetten.
PosthumusIn orde.
Posthumus en Iachimo af
FransmanGaat dat volgens u ook echt door?
PhilarioIachimo zet beslist door. Laat ons hen maar volgen.
Allen af


 
Zesde toneel
-Brittannië. het paleis van Cymbeline.

Koningin op, hofdames, en Cornelius
KoninginPluk die bloemen gauw, vóór de dauw optrekt.
Wie heeft het lijstje bij zich?
1eHofdameIk, mevrouw.
KoninginGa maar vlug.
Hofdames af
 En, dokter, heeft u die gif-flesjes bij u?
CorneliusNatuurlijk, hoogheid; hier zijn ze, mevrouw:
Hij geeft haar een klein doosje
 maar neemt u het mij niet kwalijk, als ik u vraag
(gestuurd door mijn geweten), waarom u
deze zwaargiftige stoffen van mij wou,
die langzaam aanzetten tot sluipend sterven,
heel traag, maar dodelijk.
KoninginWat raar, dokter,
dat je mij zoiets vraagt. Ben ik niet sinds lang
jouw leerling? Heb jij mij niet geleerd hoe ik
geurtjes maak? Hoe ik destilleer? Inmaak? Zo,
dat onze grote koning mij vaak vleit
om mijn middeltjes. En, eenmaal zover,
kan ik toch wel (of zie jij me als een duivel),
mijn kennis enigszins uitbreiden gaan
met nog wat proeven? Ik probeer de kracht uit
van die spullen van jou op wezens die
het hangen niet eens waard zijn (niet op mensen),
kijk hoe heftig ze werken, en gebruik dan
tegengiften op hen, en doorgrond zo
hun aard en uitwerking.
CorneliusUwe hoogheid gaat
met al die proeven zich nog het hart verharden:
En al dat onderzoek naar hoe het werkt
daar krijgt u nog eens wat van.
KoninginWees maar niet bang.
Pisanio op
 [Terzijde] Daar komt een gladde schelm; op hem neem ik
mijn eerste proef: hij is vóór zijn meester,
en een vijand van mijn zoon. Wel, wel, Pisanio?
Ik heb u even niet meer nodig, dokter,
u kunt wel gaan.
Cornelius [Terzijde] Ik vertrouw u niet, mevrouw;
maar u zult wel niemand kwaad doen.
Koningin[Tot Pisanio] Hoor eens even.
Cornelius[Terzijde] Daar hou ik nou niet van. Ze denkt dat zij
bizar sluipend vergif heeft; maar ik ken haar;
zo'n boze slang vertrouw ik zulk dodelijk sap
toch zeker nooit toe. Dat wat zij nu heeft
bedwelmt de zinnen eventjes, verdooft ze wat;
misschien probeert ze het eerst op hond en kat,
en dan wat hoger: maar er is geen gevaar,
al geeft het spul een zekere schijn van dood,
het legt de levensgeesten even stil,
om frisser op te leven. Zij gelooft
in dat verkeerd effect; vertrouwt mij meer
hoe meer ik haar zo bedrieg.
KoninginJe kunt gaan, dokter,
tot ik je weer roepen laat.
CorneliusDan ga ik beleefd.
Af
KoninginZij huilt steeds, zeg je? Denk je ook niet,
dat ze langzaam kalmeert, en goede raad
die verdwaasdheid verdringen laat? Aan het werk:
als jij mij meldt dat zij van mijn zoon houdt,
dan zweer ik je dat je op dat moment
even groot bent als je meester: groter, want
zijn geluk ligt sprakeloos, en zijn naam
zieltoogt. Terug kan hij niet, en hij kan niet
blijven waar hij is: veranderen van staat
is één ellende ruilen voor een andere,
en elke dag die komt komt weer in hem
een dag werken verzieken. Wat wou je ook,
zo steunen op wie al aan het vallen is;
zich niet kan oprichten, geen vrienden heeft,
al is het maar om te steunen?
De Koningin laat het kistje vallen. Pisanio raapt het op.
 Jij weet niet
wat je daar opraapt: houd het maar voor de moeite:
het is iets dat ik zelf gemaakt heb; het heeft de koning
wel vijf maal van de dood gered. Ik ken
geen sterker middel. Ja, neem het toch mee;
het is een voorschot op een groter loon
dat ik je geven wil. Zeg je mevrouw
hoe het voor haar staat, als kwam het van jezelf;
bedenk wat een kans je krijgt als je van kant ruilt,
en je houdt je meesteres, èn mijn zoon,
die aan je denken zal. De koning krijg ik
wel zover dat hij je de post geeft die
jij graag hebt: en dan ik, vooral ik ja,
die je tot deze zaak heb aangezet,
zal jou rijkelijk belonen. Roep mijn dames:
denk aan mijn woorden.
Pisanio af
 Een slimme doordouwer.
Schrikt nergens van; doet wat zijn meester zegt,
en zal haar steeds herinneren aan haar eed
van trouw jegens haar man. Ik gaf hem iets,
dat, àls hij het gebruikt, haar zal beroven
van haar liefdeboden: en als zij zelf
niet inbindt, zal zij dat binnenkort ook
moeten slikken.
Pisanio weer op, met de hofdames
 Zo, zo, heel goed, heel goed:
breng die viooltjes, primula's, madeliefjes
maar naar mijn kamer; tot ziens, dan, Pisanio;
denk aan wat ik zei.
De Koningin en de hofdames af
PisanioDat doe ik, ja;
maar ooit ontrouw zijn aan mijn goede heer,
dan wurg ik mezelf; reken niet op meer.
Af


 
Zevende toneel
-Dezelfde plaats

Innogen op, alleen
InnogenEen vader wreed, een stiefmoeder heel vals,
een dwaas die naar een getrouwde dame dingt
wier man verbannen is: - ja, O, die man,
mijn hoogste kroon van smart! En dan, zo=n rij
die mij erom pest. O, was ik maar geroofd
als mijn twee broers: blije ik! Maar het ergste is
het verlangen naar grootsheid. Zalig zijn zij,
de armen, die hun eenvoudige wens vervuld zien,
wat hun troost kracht geeft. - Wie komt daar aan? Ach!
Pisanio en Iachimo op
PisanioMevrouw, hier is een edelman uit Rome
met een brief van mijn meester.
IachimoHuil niet, mevrouw:
de dappere Leonatus gaat het goed;
hij groet uwe hoogheid vriendelijk.
Hij overhandigt een brief
InnogenDank u, heer:
u bent hier hartelijk welkom.
Iachimo[Terzijde] Wat is haar buitenkant toch uiterst rijk!
Als haar geest even kostbaar is, is zij
alleen Arabië's vogel; en ben ik
mijn weddenschap kwijt. Overmoed, help mij!
En, Driestheid, wapen mij van top tot teen,
of ik moet al vluchtend vechten, als de Parth;
dan maar direct weg.
Innogen[Leest] Hij staat heel hoog in aanzien; en ik ben hem grenzeloos dank verschuldigd. Verleen hem dienovereenkomstig uw gunst, en verricht datgene wat u is toevertrouwd -
Dat is wat ik hardop lees.
Maar door het overige wordt zelfs de kern
van mijn hart verwarmd, en het dankt hem daarvoor.
U bent zo welkom, edele heer, als ik u
met woorden zeggen kan, en u zult dit zien
in alles wat ik doen kan.
IachimoDank u, schoonheid. -
Wat! Zijn de mannen gek? Kregen zij geen ogen
om de hemelboog te zien, de rijke oogst
van zee en land, die onderscheiden tussen
de vuurbollen boven, en tweelingstenen
op een strand vòl, en kunnen wij dan geen
verschil maken, met dit soort aanblik daar,
tussen mooi en lelijk?
InnogenWaarom die bewondering?
IachimoHet ligt niet aan het oog: aap en baviaan
gaan tegen de een tekeer, en bekkentrekken
naar de ander. En ook niet aan het verstand:
als het om 'mooi' gaat, zal een idioot
zelfs wijs oordelen; en niet aan het verlangen.
De slonzigheid, geplaatst naast schone glans,
zou eer verlangen leegheid op doen geven
dan tot eten verlokken.
InnogenWat wil hij eigenlijk?
IachimoIs lust voldaan -
dat zat maar onvervuld verlangen, vat
dat, vol, blijft lopen, - eerst het lam verslindt
en dan snakt naar afval.
InnogenMaar, beste man,
bent u bezeten? Ziek soms?
IachimoGoed, mevrouw:
[Tot Pisanio] Wilt u eens gaan kijken, vriend,
waar toch mijn dienaar blijft: ik liet hem buiten;
hij is hier vreemd en weet niets.
PisanioIk wilde hem juist
tegemoet gaan, vriend.
Af
InnogenHoe gaat het met mijn man? Nog heel gezond?
IachimoHeel goed, mevrouw.
InnogenEn is hij opgewekt? Dat hoop ik echt.
IachimoBijzonder opgeruimd: geen vreemdeling
is daar zo vlot en vrolijk: men noemt hem
de Britse feestneus.
InnogenToen hij hier nog was
was hij veel eerder ernstig, en wist vaak
zelf niet waarom.
IachimoErnstig zag ik hem nooit.
Hij trekt daar met een Fransman op, een zeer
eminent monsieur, die thuis naar het schijnt
een Gallisch meisje heeft. Hij blaast en puft,
zucht zwaar; dan lacht die uitgelaten Brit
(uw man, dus) uit volle borst, en roept >O,
ik barst haast, als ik bedenk, hoe die man die
- uit eigen ervaring, boeken, verhalen -
weet wat een vrouw is, ja, absoluut niet
anders kan zijn, zijn vrijheid smachten doet
naar zekere slavernij.
InnogenZegt mijn man dat?
IachimoO, ja, met tranen in het oog van het lachen:
het is een genot er bij te zijn, als hij
die Fransman plaagt: ja, hemel, menig man
doet vaak wat fout.
InnogenMaar hij toch niet, hoop ik.
IachimoHij niet; toch moest hij 's hemels gunst wat meer
in dank aanvaarden, rijk in hemzelf, - in u,
die ik als van hem zie, buiten elk bereik.
Ik móet wel vol verbazing staan, maar moet
ook meelij hebben.
InnogenEn waarmee dan, heer?
IachimoDiep meelij met twee wezens.
InnogenBen ik er een?
U kijkt naar mij: wat ziet u in mij ellende
die uw deernis verdient?
IachimoDieptreurig! Mij
weghouden van de stralende zon, en troosten
in de kerker met een kaarsenpit?
InnogenAlstublieft,
geef toch eens met meer duidelijkheid antwoord
op mijn vragen. Waarom meelij met mij?
IachimoOmdat anderen nu
(ik zei haast) genieten gaan van uw - Maar
aan de goden is het recht van wraak, mij
past het niet ervan te spreken.
InnogenU schijnt
iets van mij te weten, of over mij;
waar angst voor iets verkeerds meer schade doet
dan dat iets echt gebeurt - bij zekerheid
komt hulp vaak veel te laat, of men voorkomt
als men iets tijdig weet - vertel mij toch,
wat u aanzet, en stopt.
IachimoHad ik deze wang
en liet ik daar mijn lippen langs; deze hand,
wier steeds aanraken van wie voelt de ziel
tot eed van trouw dwingt; dit object, dat het wild
bewegen van mijn oog invangt, en het hier
in vuur zet; en zou ik dan, daardoor verdoemd,
lippen aflebberen van wie elk bestijgt
zoals naar het Capitool; meepakken, met handen
gehard door valsheid ieder uur (door valsheid
als door arbeid); dan gluren in een oog
gemeen en glansloos als het walmend licht
dat door stinkend vet wordt gevoed: dat hoort
alle helleplagen ineens te krijgen,
zo'n ommekeer in begeren.
InnogenMijn man
is Brittannië vast vergeten.
IachimoEn zelf
- niet ik met mijn neiging tot fantaseren -
verklaart hij zijn anders-zijn laag; uw charmes
toveren dit bericht enkel op mijn tong
uit mijn stilzwijgend binnenste.
InnogenNiet meer.
IachimoO, dierbaarste: uw zaak raakt mij in het hart
met deernis die mij ziek maakt! O, een vrouwe,
zo schoon, en al verbonden aan een rijk
wat een vorst dubbel groots maakt, die haar man
met hoertjes delen moet, betaald met geld
uit uw kas voor hem; met gore koppelaars
die doen in al wat ziekelijk is en rot
maar wel voor veel geld! Uitgezwoten tuig
dat zelfs vergif vergiften zou. Neem wraak,
of wie u baarde was geen koningin,
en u verzaakt uw afkomst.
InnogenHoezo, wraak?
Hoe zou ik me moeten wreken? Als dit waar is
(en ik heb een hart dat zelfs mijn beide oren
nog niet zo gauw misleiden), is dit waar,
wat moet ik dan wreken?
IachimoMoet ik van hem
leven als Diana's priesteres, heel koud
in bed, terwijl hij wipt met schaamteloos volk,
en u hoont, op uw kosten - Neem daar wraak.
Ik wijd mijzelf aan al wat u zoet wenst,
en, edeler dan die vluchteling van uw bed,
zal ik mij trouw betonen aan uw min,
in alle stilte.
InnogenKom, Pisanio, vlug!
IachimoLaat mij mijn dienst bezegelen op uw mond.
InnogenWeg, ik noem mijn oren schuldig, die zo lang
naar jou luisterden. Als jij eerbaar was,
had je dit verteld uit deugdzaamheid, niet
met het doel dat jij zocht, laaghartig, bizar.
Jij krenkt een edelman, die net zo ver
van jouw verhaal is als jij van eer, en
valt een dame lastig die vreselijk baalt
van jou, de duivel zelf. Pisanio, kom nou!
De koning mijn vader zal horen van
jouw tekeergaan: als hij het goed vindt, dat
zich een onbeschofte vreemdeling aan zijn hof
gedraagt als in een Rooms bordeel, en ons
zijn geile fantasieën openbaart,
dan heeft hij een hof waar hij niets om geeft, en een dochter
die hij bepaald niet respecteert. Pisanio!
IachimoGelukkige Leonatus! Ik mag wel zeggen:
het vertrouwen dat jouw vrouwe in jou stelt
verdient jouw trouw, en jouw integriteit
haar vol vertrouwen. Leef gezegend lang!
De vrouw van de allerbeste man waar ooit
een land zich op beroemen kon. En u,
zijn lief, past bij die beste man. Vergeef me.
Ik zei dit om te zien of dat uw trouw
ook diep geworteld is, en ik schets uw man
opnieuw, zoals hij is: trouw en oprecht
als geen, zo'n ernstige heiligheid, dat hij
hele volksstammen aan zich toveren kan:
elk hart behoort hem half.
InnogenU krabbelt terug.
IachimoAls een god afgedaald troont hij bij mensen;
hij heeft een waardigheid die hem apart maakt,
meer dan een sterveling haast. O, wees niet boos,
verhevenste, dat ik het heb gewaagd,
te zien of u een vals verhaal zou pakken
- hetgeen de wijsheid van uw keuze eerde
voor zo'n uitzonderlijk man, die nooit - weet u -
verkeerd zal gaan. Mijn vriendschap jegens hem
deed mij u wannen, maar de hemel schiep u,
onvergelijkbaar,al zonder kaf. Vergeef mij.
InnogenGoed, heer. Mijn hofinvloed staat u ten dienst.
IachimoIk dank u zeer. Vergeten had ik haast,
u om een dienst te vragen, klein maar toch
gewichtig en van groot belang: uw man,
mijzelf en andere edellieden zijn
bij het plan betrokken.
InnogenWat is het dan?
IachimoMet zo'n twaalf man uit Rome, en uw man
(de beste veer uit onze wiek) hebben wij
gelapt voor een geschenk voor onze keizer:
namens de anderen heb ik dat gekocht
in Frankrijk: prachtig zilverwerk, juwelen,
kostbaar gezet, alles van grote waarde,
en als vreemdeling hier ben ik heel bezorgd,
om het veilig op te bergen: wilt u het
voor mij bewaren?
InnogenMet alle plezier:
ik zet mijn eer in dat ze veilig zijn,
het gaat ook mijn man aan; ik zal ze bewaren
in mijn slaapkamer.
IachimoHet zit in een kist,
bewaakt door mijn knechten; ik ben zo vrij
die naar u toe te sturen, voor één nacht:
morgen vaar ik weer weg.
InnogenO, nee, nee, nee.
IachimoJa, alstublieft; of ik doe mijn woord tekort
door langer weg te blijven. Uit Gallië
kwam ik overzee, want ik wilde en zou
uwe hoogheid zien.
InnogenIk dank u voor uw moeite;
maar morgen niet weg.
IachimoIk moet, mevrouw.
En als u daarom nog zin hebt uw man
te schrijven, doe dat dan vanavond nog:
ik ben al veel te lang hier: het geschenk
moet ik op tijd afleveren.
InnogenIk schrijf hem.
Stuur die kist maar, ik zal er goed op passen,
u krijgt haar zeker terug: van harte welkom.
Allen af