terug naar de beginpagina de personages meer over dit stuk

Twee edele verwanten

two noble kinsmen
William Shakespeare
vertaling    Jan Jonk

 
Proloog Er klinkt een fanfare. De Proloog op.
ProloogEen maagdenvlies en een nieuw stuk op het toneel
daar vliegt men op af, en als het ook nog heel
goed is, betaalt men grif; een goed stuk mag -
waar schuchterheid bloost op de huwelijksdag
en rilt bij het aanstaand verlies – zijn als zij
die na het altaar en de eerste nacht gevrij
toch altijd eerbaar blijft en altijd meer
meisje dan echt genoten met meneer.
Zo mag het ons stuk vergaan: want het ontsprong
aan een geleerde, zuivere en goede bron:
een dichter is het, overal bekend,
geen is beroemder tussen Po en Trent:
de grote Chaucer heeft het verhaal verwoord,
en in zijn werken leeft het eeuwig voort.
Voor wie wat minder hoogdravend begint:
hoor toch het eerste boegeroep van het kind;
die goede man draait zich vast om in het graf
en roept van onder: ‘Wan dat domme kaf
van mij vandaan, waarom haalt me zo’n dichter
mijn faam neer, wat maakt hij mijn werk nog lichter
dan Robin Hood!’ En ja, dat vreesden we al,
want echt, het is een onmogelijk geval,
veel te hoog gegrepen, om naar zijn niveaus
te streven; wij zijn zwak, haast ademloos
in dit diep water. Dus verwachten wij
uw helpende hand, en draaien wij bij
om ons te redden: dan ziet u hier nog
een verhaal, minder dan van hem, maar toch
twee uur de moeite waard. Daarom: geniet,
en gun hem de rust. Als dit stuk ons niet
even vermaakt dan wordt het verlies weer veel,
en moeten we maar ophouden met toneel. Fanfare. Af
Eerste Bedrijf
Eerste toneel

Muziek. Hymen op met een brandende fakkel; vóór hem uit een jongen in een wit kleed, die zingt en bloemen strooit. Na Hymen, komt een jong meisje op met loshangend haar; zij draagt een guirlande van korenhalmen in de hand. Vervolgens verschijnt Theseus geflankeerd door twee andere jonge meisjes met kransen van korenhalmen op het hoofd. Daarna komt Hippolyta, de bruid, op, geleid door Pirithous, en nog een meisje dat Hippolyta een krans boven het hoofd houdt; ook deze heeft loshangend haar. Achter haar aan komt Emilia, die haar sleep ophoudt. Artesius en dienaren.
Jongen(Zingt tijdens de binnenkomst)
Rozen van hun doorns ontdaan
rood, dat bij een vorst zou staan,
die geur en teug;
anjelieren, zoet en fijn,
maagdelief, en echte tijm,
met zoete vleug;

sleutelbloem, het voorjaarskind,
die de Lente
met haar bleke bloemetjes ??
Primula’s die als wiegjes groeien
goudsbloemen die op graven bloeien
fraai ridderspoor
(Strooit bloemen) Lieve kinderen van Natuur
lig voor bruid en bruidegom
en zegen hen
Laat geen engel van de lucht
zangvogel
afwezig zijn.
Geen lasterkoekoek en geen kraai
geen onheilsraaf, geen kauw, geen gaai
geen schetterekster
strijke op het huis neer van die twee
of brenge tweedracht met zich mee
maar vlieg gauw weg.
Drie in het zwart geklede Koninginnen op, met zwart geverfde sluiers; zij dragen kronen die majesteit uitstralen. De eerste Koningin valt aan de voeten van Theseus; de tweede valt aan de voeten van Hippolyta; en de derde voor Emilia.

1e Koningin(tot Theseus)
Uit medelijden en beleefdheid, heer,
luister en hoor naar mij.
2e Koningin(tot Hippolyta) Om uw moeders zaak,
en waar u hoopt dat uw schoot vrucht zal dragen,
luister en hoor naar mij.
3e Koningin(tot Emilia)
Om de min van hem die Jupiter maakte
tot uw gewaardeerde echtgenoot, en om
uw zuivere maagdelijkheid, wees onze voorspraak
in onze ellende. Ja, die goede daad
zal uitwissen uit het zondenboek al
wat er van u staat genoteerd.
Theseus(tot de eerste Koningin)
Sta op, mevrouw.
Hippolyta(tot de tweede Koningin) Sta op.
Emilia(tot de derde Koningin) Kniel niet voor mij.
Want waar ik een vrouw in nood helpen kan,
verbindt mij dat tot haar.
(De tweede en de derde Koningin staan op)

Theseus(tot de eerste Koningin)
Wat is uw verzoek? Spreek voor allen hier.
1e KoninginOnze drie vorstenmannen vielen voor
de wrake van Creon; zij doorstonden reeds
de bek van de raaf, de klauw van de havik,
het gepik van de kraai op het slagveld van Thebe.
Hij laat ons niet toe hun lijken te branden,
hun as te be-urnen of de ergernis
van dood en walgen aan het heilig oog
van Phoebus te onttrekken, maar smet de wind
met de stank van onze mannen. Help, Hertog!
Aardzuiveraar, trek je gevreesde zwaard
dat de wereld goed doet; geef ons de lijken
van onze doden, dat we hen kerken kunnen;
weet in je grenzenloze goedheid ook,
dat die gekroonde hoofden van ons slechts
dit als dak hebben, zoals leeuw en beer,
het gewelf van al wat is.
Theseus Kniel toch niet meer;
ik werd geroerd door wat u zei en liet
uw knieën zich pijn doen. Ik heb het lot
van uw mannen gehoord: het bedroeft mij zo,
dat het in mij wraak wekt die hen wreken zal.
Vorst Capaneus was uw heer; de dag
dat hij u ging trouwen, in een seizoen
als het nu bij mij is, sprak ik uw bruidegom
aan het altaar van Mars; hoe mooi was u toen –
Juno’s mantel haalde het niet bij uw haar,
en omgaf haar niet zo fraai. Uw korenkrans
was toen nog niet gedorst; het Lot zag u
glimlachend toe. Hercules, onze neef –
door uw blik geveld – legde zijn knots ter zij;
hij viel neer op zijn Nemeïsche huid
‘want zijn kracht vloeide weg’. O leed, O tijd,
gevreesde slokop, die het al verslindt.
1e KoninginIk hoop dat een god
zijn genade in uw kracht vloeien liet,
- die de macht geschonken heeft om voor ons
op te komen.
Theseus Niet knielen, weduwe;
gebruik dat voor de gehelmde Bellona,
en bid voor mij, uw strijder.
De 1e Koningin staat op

Het duizelt mij.
Hij trekt zich terug

2e Koningin Geëerde Hippolyta,
gevreesde Amazone, u, die ooit
de geweerde keiler sloeg; met uw arm,
ever sterk als wit, maakte u ooit haast de man
onderdanig aan uw sekse, ware het niet,
dat die heer van u de wet der natuur
in stand houden moest, en u inbedde
binnen de perken die u te buiten ging,
en zo uw kracht en wil knotte; strijdster,
meedogenloos gepaard aan medelij,
die nu beslist meer macht heeft over hem
dan hij ooit over u, die hem beheerst,
zijn kracht, zijn liefde die de dienaar is
voor wat u wenst; model voor alle vrouwen,
vraag hem of wij, verschroeid door de hete krijg,
ons mogen afkoelen onder zijn zwaard;
zeg dat hij het boven onze hoofden houdt;
praat op een vrouwentoon; gewoon als een vrouw
als een van ons drieën; huil vóór u ophoudt.
Maak voor ons een knieval;
maar raak de grond niet langer aan, dan dat
een duif, wiens hoofd eraf gaat, nog beweegt;
zeg hem, wat u, met hem op het slagveld opgeblazen lag
zijn tanden naar de zon, een grijns naar de maan,
wat u zou doen.
Hippolyta Zeg maar niets meer, mevrouw:
ik zette mij even graag in voor uw zaak
als die waar ik mee bezig ben; nog nooit
was ik zo bereid. Mijn heer is aangedaan
door uw ellende; het heeft zijn aandacht, echt.
Ik spreek hem gauw.
3e Koningin(knielt voor Emilia) O, mijn verzoek werd ooit
in kou gemaakt, door heet verdriet gedooid,
en smelt nu tot druppels; dus drukt mijn leed
zich uit met diepe tranen.
Emilia Sta toch op;
uw leed staat u op het gelaat geschreven.
3e KoninginDaar leest u het niet; maar, door mijn tranen, daar,
als grind vertekend in een heldere beek,
daar kunt u ze zien. Mevrouw, ach toch, mevrouw!
Wie weten wil wat de aarde aan schatten bergt,
moet heel diep graven; wie vissen wil
naar mijn kleinste goed, moet zijn lijn verzwaren
om bij mijn hart te raken. O, pardon;
rampzalig lijden, dat de geest soms scherpt,
doet mij dwaas praten.
(ze staat op)

Emilia O, zegt u maar niets;
wie de regen die valt niet voelt of ziet,
weet niet wat nat of droog is. Als u soms
het voorbeeld van een schilder was, kocht ik u
om mij te leren van dodelijk leed,
hartzeer zoals u hier laat zien; maar ach,
als een echte zuster van onze sekse,
treft mij uw leed zo fel dat het van mij
af zal stralen op het hart van mijn broer
en dat tot enig meelij warmen zal,
al was het van steen. Heb vertrouwen dus.
TheseusOp naar de tempel dan; en laat niets weg
van de heilige ceremonie.
1e Koningin Die viering
duurt vast langer en is kostbaarder dan
de oorlog van uw smekers. Weet dat uw roep
naklinkt in ieders oor; wat u snel doet,
is niet overhaast; uw eerste gedachte
is meer dan naarstig overleg, uw beramen
meer dan handelen. Maar uw handelen
dwingt, vóór het toeslaat, net zoals de arend
de vis die hij vangt. Denk, Hertog, aan welk bed
die doden van ons rusten.
2e Koningin Aan ons leed,
hun onbekend.
3e Koningin Dat niet van doden is.
Zij die, dit leven moe, met gif of sprong,
met touwen, messen, zich de gruweldaad
zelf hebben aangedaan, hun schenkt de mens
genade in stof en schaduw.
1e Koningin Maar onze drie
krijgen bezoek van de blakende zon,
hoe goede vorsten zij bij leven ook waren.
TheseusInderdaad, en ik zal om uwentwil
uw dode heren laten begraven;
daartoe moet ik wat regelen met Creon.
1e KoninginMaar die arbeid moet eigenlijk gelijk.
Het moet nu gedaan; morgen is alles koel.
Want nutteloze arbeid beloont zichzelf
met eigen zweet; hij voel zich veilig, nu,
droomt niet, dat wij voor uw machtige arm staan,
ons hard makend voor het in onze ogen
heilig verzoek.
2e Koningin Nu zou u hem kunnen aanpakken,
dronken met zijn overwinning.
3e Koningin En zijn leger
vol brood en lui.
Theseus Artesius, jij die het beste weet,
wat voor keuze in deze het zuiverst is,
wat de onderneming verlangt, en hoeveel
dit soort zaken vraagt, leg direct beslag
op de juiste middelen, dan regelen wij
onze grootse levensdaad, die het lot
uitdaagt: het huwelijk.
1e Koningin(tot de andere Koninginnen) Weduwen, de handen ineen;
beweduwen wij ook ons leed; dit uitstel
doet onze hoop langzaam sterven.
Alle Koninginnen Vaarwel.
2e KoninginWij komen op een verkeerd moment; maar hoe
kiest leed, zoals een vonnis zonder pijn,
het best het moment voor een verzoek.
Theseus Maar, dames,
de dienst waartoe ik mij verplichten ga,
is de allergrootste ooit, betekent meer
voor mij dan al wat ik tot nu gedaan,
of ooit bereiken kan.
1e Koningin Wat duidelijk maakt,
dat ons verzoek geen kans heeft, als haar armen,
die Jupiter weg hielden bij een godenraad,
bij instemmend maanlicht jou omcirkelen
als kuras; geeft haar kersenpaar hun zoet
aan jouw zachte lippen, denk jij dan nog
aan vorsten, vorstinnen, rottend, betraand?
Of aan wat jij niet voelt, of aan wat Mars
zijn trom zou kunnen roeren? O, als jij
slechts één nacht met haar slaapt, dat dan elk uur
jou binden zal tot honderd, en dat jij
je niets meer zult herinneren dan dat
dat feestmaal jou zal aanbieden.
Hippolyta(tot Theseus) Hoewel
u bepaald niet zou staan te juichen, en
ik het echt niet graag vragen zou: ik zou,
als ik niet door onthouding - wat nog veel meer
verlang oproept - iets deed aan die buik vol van hen,
- wat onmiddellijk dient opgelost -, van alle vrouwen
schande over mij heen krijgen. (Zij knielt) Dus, heer,
zal ik kijken wat mijn bidden hier doet,
of ik neem aan dat het enige kracht heeft,
of ik concludeer dat het niets vermag:
stel wat tussen ons is wat uit, en hang
uw schild voor uw hart, rond de hals die ik
als mijn bezit beschouw, en die ik vrij
in dienst stel van die arme vrouwen.
Alle Koninginnen (tot Emilia) Help toch!
Kniel toch voor onze zaak.
Emilia(tot Theseus, knielend) Als u mijn zus
haar verzoek niet even krachtig inwilligt,
met dezelfde vlotheid en spontaneïteit
waarmee ze het doet, dan durf ik u voortaan
niets meer te vragen – ben ik zelfs te laf
om ooit een man te nemen.
Theseus Sta toch op.
Hippolyta en Emilia staan op

In alle ernst vraag ik mijzelf te doen
wat uw knielen van mij vraagt. Pirithous,
leid de bruid verder; gaat u de goden smeken
om succes, en kom dan terug; laat niets weg
uit de geplande viering. Koninginnen,
volg uw soldaat. (tot Artesius) Zoals eerder, ga heen,
en voeg u bij ons aan de oevers van Aulis
met de leger dat u ronselen kunt, en daar
voegen we ons bij de hoofdmacht voor een zaak
van nog groter gewicht. Artesius af
(tot Hippolyta) We hebben haast,
dus deze kus op je lippen gedrukt;
houd die als aandenken. Gaat u maar weer,
dan zwaai ik jullie uit.
(de trouwstoet vertrekt weer richting tempel)
(tot Emilia) Vaarwel mijn schone zuster. Pirithous,
laat niets weg van het feest; geen uur korter!
Pirithous Heer,
ik volg u direct; de feestelijke ceremonie
wacht tot u terug bent.
Theseus Als u maar weet, vriend,
dat u in Athene blijft. Wij zijn terug,
voor het eind van het feest, maar zorg u wel
dat het niet korter duurt. Nogmaals, tot ziens. (de optocht trekt weg)
1e KoninginZo maakt u waar wat van u wordt gezegd.
2e KoninginEn verdient u een goddelijke staat als Mars.
3e KoninginZo niet meer dan hem, want als sterveling
maakt u hartstochten tot iets dat slechts
van goden is – die zelf, naar wordt gezegd,
door hartstochten worden beheerst. Ja, dat
zouden wij ook moeten: beheerst door zinnen,
zijn wij geen mensen meer. Het beste, dames!
Dan nu aandacht voor jullie probleem. Trompetsignaal. Allen af
Tweede toneel

Palamon en Arcite op

ArciteVriend Palamon, mijn favoriete neef,
nog niet verstokt in de ondeugden die ons
het leven biedt, laat ons de stad uit gaan,
dit Thebe, en de verlokkingen hier,
vóór we de glans van onze jeugd verdoen;
men wijst ons net zo na als wij ons hier
onthouden als elders; want niet met de stroom
mee zwemmen, zou haast zinken betekenen,
een zinloos pogen; en als we iedereen
volgden, dan kwamen we vast in een kolk
waar we draaien of verdrinken; en als
we eruit komen, dan zwak.
Palamon Uw goede raad
wordt door veel bevestigd: wat voor een wrakken
zien we in Thebe niet rondlopen sinds wij
naar school gaan. Littekens en lompen
kreeg de soldaat, die als beloning
voor zijn dapperheid eer en goud had gedacht,
- wel verdiend maar nooit gekregen -, door vrede,
waar hij voor vocht, uitgelachen; wie offert
er nog aan het geminacht Marsaltaar?
Het doet pijn als ik dat soort mannen zie;
werd de grote Juno maar weer eens jaloers
als ooit, dan ging de soldaat weer aan het werk,
vrede verloste haar van onmatigheid,
herstelde haar goed hart, dat nu hard is, feller
dan strijd of oorlog ooit.
Arcite Weet u dat zeker?
Vind u dan alleen verlopen soldaten
in Thebes kronkelsteegjes? U begon
alsof u er allerlei ellende zag.
Gaat dan alleen de soldaat u aan het hart
waar niemand zich meer druk om maakt?
Palamon Iedereen
die ik behoeftig zie, maar toch vooral
hem die eervol zwetend door inspanning
met koelend ijs beloond wordt!
Arcite Dat is niet,
wat ik bedoelde; dat is het in Thebe
ontbreken van respect. Ik sprak van het Thebe,
waar het voor ons uiterst gevaarlijk is,
als we eerzaam blijven; waar ieder kwaad
er prachtig uitziet; waar al wat goed schijnt,
iets kwaads in zich heeft; waar niet precies zijn
zoals zij hier, vreemden betekent,
en zulk soort, pure monsters.
Palamon Wij kunnen toch
(als we maar niet leren van lompe apen)
ons handelen zelf beheersen. Want wat zal ik
iemands gang nadoen, als die niet aanslaat
waar ik zelf goed weet wat ik doe? Of zwijmelen ga
bij hoe iemand praten kan, als ik zelf
redelijk begrepen word – zelfs gered,
als ik de waarheid spreek? En wat dwingt mij
mijn nobele afkomst hem te volgen die
zijn kleermaker volgt, misschien wel tot die
hem vervolgen gaat? En zeg mij maar eens,
waarom mijn barbier uit de gunst is, dus
mijn kin ook, want die is net niet geknipt
naar het beeld van een gunsteling! En wat voor wet
bepaalt, dat ik mijn rapier los van mijn heup
in de hand moet houden, of op mijn tenen lopen
als de straat nog niet vuil is? Of ik ben
het leidpaard in het span, of een nietsnut,
die in tweede lijn trekt. Die paar wondjes, ach,
hoeven geen weegbree; wat mij openscheurt
tot op het hart –
Arcite Onze oom Creon.
Palamon Ja, die,
een teugelloos tiran, door wiens successen
men de hemel niet meer vreest, en er geen macht
nog is hoger dan misdaad; het geloof
verwordt tot ziekte, en het wispelturig lot
vergoddelijkt; wat zijn handlangers doen
schrijft hij gewoon toe aan zijn eigen kracht
en prestatie; eist mensen op ten krijg,
en ook nog hun buit en hun glorie; hij
deinst niet terug voor moord; hij doet nooit goed. Laat
mijn bloed, aan hem verwant, met bloedzuigers
uit mij halen; en die, tegennatuurlijk,
barstens vol, van mij af vallen.
Arcite Kom, neef,
weg van dit hof, dat wij niets meekrijgen
van die beruchte schande; onze melk
krijgt de smaak van de wei; wij moeten nu
slecht of ongehoorzaam zijn, niet naar het bloed
verwant tenzij in aard.
Palamon Absoluut, ja.
De echo van zijn schanddaden heeft de oren
van de hemelse gerechtigheid verdoofd:
het gehuil van weduwen zakt terug in hun keel,
en wil boven niet gehoord.
Valerius op
Valerius
ValeriusDe Koning ontbiedt jullie; maar wacht rustig,
tot zijn woede wat zakt. Toen hij zijn zweepsteel
ooit gebroken had en hij uit ging varen
tegen de paarden van de zon, ging Phoebus
fluisteren, bij zijn furie.
Palamon Een briesje beukt hem al;
maar wat is er?
ValeriusTheseus, die schrik zaait als hij dreigt, heeft hem
tot een duel uitgedaagd, en verklaard
Thebe te verwoesten; hij staat op het punt
de daad bij het woord te voegen.
Arcite Laat hem komen.
Wij vrezen de goden in hem, maar dat hij
ons angst inboezemt, niet echt. Maar wie haalt
zijn waarde tot eenderde terug – wij dus -,
als zijn handelen gestoord wordt door het besef
dat wat hij doet onjuist is.
Palamon Niet aan denken.
Wij willen nu Thebe dienen, niet Creon.
Toch was kritiekloos jegens hem zijn schandelijk,
ons verzetten verraderlijk; want wij
moeten standhouden naast hem die het moment
heeft bepaald van onze dood.
Arcite Inderdaad.
Loopt deze oorlog al, of gaat hij in
als Thebe zich niet schikt?
Valerius Het is al zover;
het officieel bericht kwam tegelijk
met de uitdager.
Palamon Dan naar de Koning nu -
als die een kwart zo eerbaar was als zijn vijand,
zou het bloed dat wij in de waagschaal stellen
als gezond aderlaten zijn, dus niet vergoten,
maar eerder voor winst geïnvesteerd. Maar wat,
bij handen verder dan het hart uitgestoken,
zal de klap aan schade doen?
Arcite Dat zal ons
de uitkomst zeggen, rechter die nooit dwaalt,
als we weten wat gebeurd is; daarom:
volgen wij waar ons lot ons heen wenkt. Allen af
Derde toneel

Pirithous op, Hippolyta en Emilia

PirithousNiet verder.
Hippolyta Tot ziens, heer. Groet hem van mij,
de grote vorst van ons, aan wiens succes
ik niet durf twijfelen; wat wens ik hem
een overvloed aan kracht, zo mogelijk ook
het kwalijk lot te tarten. Het ga hem goed;
wie zorgt vaart wel bij overvloed.
Pirithous Al hoeft
zijn oceaan mijn druppels niet, toch gaan
ze hun bijdrage leveren. (tot Emilia) Mijn beste,
moge de innemendheid die de hemel uitstort
in zijn topwerken in uw dierbaar hart
blijven tronen.
Emilia Dank u. Groet u van mij
onze broer de vorst, voor wiens krijgssucces
ik de grote Bellona bidden zal;
en waar vragen in onze aardse staat
niet zonder geven kan, bied ik haar aan
wat men mij adviseert. Ons aller hart
is in zijn leger, in zijn tent.
Hippolyta Zijn hart!
Ooit streden wij zelf, en wij huilen niet,
als vrienden de helm opzetten, naar zee gaan,
of spreken van baby’s aan de lans, - van vrouwen
die hun kinderen kookten – en dan opaten –
in het zilt dat zij bij het doden huilden; dus,
als u blijft om ons te zien spinnen, dan
houden wij u hier voor altijd.
Pirithous Vrede zij u
terwijl ik deze oorlog voer, waarna
er niet meer om gevraagd hoeft. Pirithous af
Emilia Wat lijkt hij
op zijn vriend! Sinds die weg is, heeft hij maar
weinig aandacht voor zijn hobby’s, waar hij
toch altijd zo in opging; hij gaf niets
om winst, maalde niet om verlies, maar speelde
de ene zaak in zijn hand, en stuurde de ander
in zijn hoofd, waarbij zijn geest allebei
aandacht gaf. Heeft u hem geobserveerd
sinds de vorst weg is?
Hippolyta Heel zorgvuldig, ja;
en, wat een kerel! Die twee deelden een tent
op plekken waar het heet aan toe ging, vol
ontbering en gevaar; staken wild water
over, dat zelfs ‘rustig’ heftig tekeer
ging, angstaanjagend zelfs, en vochten ook,
samen, waar de dood zelf zijn woonplaats heeft;
- werden er zelfs gered. Hun vriendenband,
zo hecht gevlochten, lang al, zo oprecht,
door vingers met een grote vaardigheid,
kan wat slijten, maar gaat nooit los. Ik denk
dat Theseus hier nauwelijks beslissen kan,
hij zijn hoofd zal breken, wie van u twee,
met beiden gelijk, zijn voorkeur heeft.
Emilia Er moet
een beste zijn, en ja, goed nagedacht,
waarom u niet. Lang geleden had ik
een speelkameraadje ooit, een vriendin;
u streed ver weg, toen zij het graf inging,
dat bed verrijkte; ze stierf aan de maan –
die bleek scheen bij het afscheid – toen wij elk
elf waren.
Hippolyta Dat was Flavina.
Emilia Ja.
Pirithous en Theseus zijn vrienden, ja;
hun basis is vaster, is meer gerijpt,
inniger verbonden door waardering,
en wederzijds besproeit men zogezegd
verstrengelde vriendschapswortels, maar ik
en zij waren onschuldige wezentjes,
zomaar vriendinnen, als de elementen
die niet weten waarom en hoe, maar toch
veel buitengewoons bewerken, zo ook
wij naar elkaar; wat zij graag wou, keurde ik
steeds goed, waar zij geen zin in had, wees ik af,
zonder verwijt; de bloem die ik wel plukte
en tussen mijn borstjes stak – die maar net
aan het ontluiken waren -, daar zocht ze er
graag nog een bij, en stak die dan in het wiegje
van onschuld, waar zij, als de feniks, dan
omkwamen in zoete geur; naar haar model
droeg ik mijn haartooi; en haar kledingstijl,
casual
, met zorg gekozen, volgde ik
als ik iets aparts droeg; en hoorde ik
een nieuw liedje, of neuriede ik soms
zomaar wat, dan bleef deze melodie
haar heel lang bij. En wat ik hier vertel,
dat blije onschuld onvolledig weet,
een onecht liefdekind, komt hier op neer,
dat ware liefde tussen meisjes meer
dan tussen man en vrouw is.
Hippolyta Al die haast,
die reppelpraat, dient enkel maar, dat u
nooit, als de maagd Flavina, houden zult
van iets dat ‘man’ heet.
EmiliaNee, absoluut niet.
HippolytaO, zusje toch,
Op dat punt geloof ik je net zo min -
al weet ik goed dat jij erin gelooft –
als dat ik een ziekelijke drang vertrouw
die walgt van verlang; maar als ik, zusje,
rijp was voor uw argumenten, dat had ik
genoeg om de arm los te laten van
de edele Theseus, voor wiens geluk
ik nu binnen kniel, met de zekerheid,
dat wij, meer dan zijn Pirithous, de troon
van zijn hart bezitten.
Emilia Ik geloof u met
respect, al blijf ik mijn eigen mening trouw. Beiden af
 
Vierde toneel

Hoorngeschal. Geluid van een veldslag achter het toneel; het signaal voor de terugtocht klinkt. Trompetsignaal. Dan komt Theseus op [door de deur aan de ene kant], als overwinnaar, [gevolgd door de Heraut en dienaren met Palamon en Arcite op draagbaren. Door de deur aan de andere kant] komen de drie koninginnen en vallen languit voor hem op de grond.

1e KoninginGeen ster zij u ongunstig.
2e Koningin De hemel en de aard
zij u eeuwig vriend.
3e Koningin Al het goede dat u ooit
zij toegewenst, daar sluit ik mij bij aan.
TheseusDe onpartijdige goden - die hemelhoog
op ons neerzien, hun kudde - zien wie dwaalt,
en straffen als zij willen. Zoekt u nu
de lijken van uw leiders, eer hen drieën
met hun regalia; en wat ontbreekt
aan wat hun toekomt, vullen wij wel aan.
Wij stellen mensen aan, die u en de uwen
met waardigheid bekleden, en wat wij
in de haast vergeten, recht trekken. Moge
de hemel gunstig op u neerzien. De koninginnen staan op en gaan af
Tot de bedienden, wijzend op Palamon en Arcite)

Wie zijn dat?
HerautMannen van stand, te oordelen naar hun
bewapening; volgens mensen uit Thebe,
zonen van zusters, neefjes van de vorst.
TheseusIk zag ze in de oorlog, bij Mars’ helm,
als een stel leeuwen, vol besmeurd met prooi,
hun weg hakkend door verbijsterd voetvolk.
Ik hield ze in de gaten, want ze waren
goddelijk om te zien. Welke gevangene
zei mij wie ze waren?
Heraut Met respect, heer,
Arcite en Palamon.
Theseus Die waren het, ja.
Zijn ze niet dood?
HerautEn ook niet levend; waren zij gevangen,
na hun laatste klappen, dan had men hen
wellicht nog bij kunnen brengen. Maar nee,
ze lijken te leven.
Theseus Zorg daar dan voor.
Duizendmaal droesem van hun soort overtreft
de wijn van anderen. Roep voor hun heil
al onze artsen op; wees niet krenterig,
maar gooi met onze duurste zalf; hun leven
is ons meer waard dan Thebe. Liever dan
hen zoals vanmorgen - nog ongedeerd,
gezond en fluks ter been - , had ik ze dood;
maar ik zag hen duizend keer liever door ons
gevangen dan door dood. Breng hen maar vlug
uit de ons goed-, hun slechtgezinde lucht,
en doe voor hen al wat u kunt – nee, meer,
waar ik zag hoe druk van vrienden, woede, angst,
liefdes prikkel, vuur voor vrouw of God,
een vrijheidsdrang, een koorts, een waandenkbeeld
een doel werd, voor ons wezen onbereikbaar
zonder geobsedeerd te zijn, een ziekelijk willen
dat de kracht van de rede overwon.
Laat, om ons en de grote Apollo,
onze besten hun best doen. Nu de stad in,
waar we orde gaan scheppen, en dan snel
ons leger naar Athene vóór gaan. Trompetsignaal. Allen af
Vijfde toneel

Muziek. De Koninginnen op; gevolgd door hun dienaren met de draagbaren waarop hun ridders liggen, in een plechtige begrafenisstoet, enz.

De drie Koninginnen (zingen)
Urnen, wierook, weggebracht;
Traan en treurnis, het licht wordt nacht;
Hoe rauwer dan dood klinkt ons gezucht;
Geur en hars en droeve wang,
Heilige glazen, tranenvang,
En kreten wild door de avondlucht
Kom, vertoon van droeve staat
Dat met vreugd niet samengaat,
Dat slechts rampspoed achterlaat,
Dat slechts rampspoed achterlaat.
3e KoninginDit pad leidt naar het familiegraf van u;
wees daarom nu weer blij; rust slaapt met hem.
2e KoninginHier is dat van u.
1e KoninginDit is het uwe. De hemel schijnt
wel duizend wegen voor naar een zeker eind.
3e KoninginDe wereld is een stad vol steegjes dicht opeen,
met dood als markt, en daar leidt alles heen.Allen af, elke groep door een andere deur