Google



terug naar de beginpagina download meer over dit stuk

Koning Hendrik VI, deel 1

King Henry the sixth, part 1
William Shakespeare
vertaling    Jan Jonk
Eerste bedrijf
Eerste toneel - De Abdij van Westminster
Dodenmars. De begrafenisstoet komt binnen van Koning Hendrik V, omringd door de Hertog van Bedford, de regent van Frankrijk; de Hertog van Gloucester, Protector; de Hertog van Exeter, de Graaf van Warwick, de Bisschop van Winchester, en de Hertog van Somerset.
BedfordOmhang het zwerk met zwart, dag, wijk voor nacht.
Kometen, aanzeggers van het tijdsverloop,
laat uw blond haar aan de hemel flikkeren,
gesel er de boze, opstandige sterren mee,
die samenspanden voor Hendrik zijn dood -
te roemrucht, Hendrik Vijf, voor een lang bestaan.
Een zo groots vorst verloor ons Engeland nooit.
GloucesterVoordat hij kwam had Engeland nooit een vorst.
Voortreffelijk was hij, hij had terecht gezag:
zijn blinkend zwaard verblindde met zijn stralen;
met armenspanning wijder dan een draak:
zijn fonkelend oog, randvol met wraak en vuur,
dreef tegenstanders meer ontzet ter vlucht
dan middagzon die hun fel het gezicht in slaat.
Wat meer nog? Wat hij deed ontstijgt de taal:
hij hief de hand nooit, tenzij in zegepraal.
ExeterWij rouwen in zwart: maar waarom niet in bloed?
Hendrik zal nooit herleven, hij is dood.
Wij staan bij een kist van hout, zonder gevoel;
Doods overwinning, die oneervol is,
staan wij met staatsie te verheerlijken,
- gevangenen aan een zegekar geboeid.
Moeten wij dan de onheilssterren vloeken
die instemden dat zo onze glorie ging?
Of moeten wij de sluwe Fransen soms
voor tovenaars houden die uit angst voor hem
met magische spreuken zijn eind beraamden?
WinchesterDe Vorst der vorsten zegende onze vorst.
Voor Fransen zal de schrik van de oordeelsdag
niet zo verschrikkelijk zijn als hem te zien.
Van de Heer der heerscharen streed hij de strijd;
de kerk bracht hem voorspoed met haar gebed.
GloucesterDe kerk! Waar is die? Zonder hun gebed
was zijn levensdraad niet zo gauw vergaan.
U wilt enkel een zwakkeling op de troon,
die u als een schooljongetje sturen kunt.
WinchesterWat wij ook willen, als protector Gloucester
wens jij de vorst en het rijk in de hand te houden.
Jouw vrouw is trots; zij overheerst jou meer
dan God of vrome kerkmensen dat kunnen.
GloucesterSpreek niet van vroomheid, want jij houdt van het vlees,
jij gaat het hele jaar niet naar de kerk,
tenzij om tegen je vijanden te bidden.
BedfordHoud op met vechten; geef uw harten rust;
laat ons naar het altaar gaan; herauten, kom.
Begrafenisstoet af
Daar offeren we onze wapenen, voor goud,
want wapens helpen niet; met Hendrik dood,
wacht u nu, kroost, een heel ellendige tijd,
- als baby’s moeders traanogen gaan zuigen,
ons eiland voedster wordt van zilte tranen -
met enkel vrouwen over die om dood wenen.
Hendrik de Vijfde, jouw geest bezweer ik: schenk
dit rijk voorspoed, houd het ver van burgerkrijg,
bestrijd in de hemel ongunstige planeten.
Jouw ziel wordt vast een glorieuzer ster
dan Julius Caesar of de heldere -
Een Bode op
BodeDoorluchte lords, ik groet u alles zeer.
Slechte berichten breng ik u uit Frankrijk,
van nederlagen, bloedbad en verlies:
Guienne, Compiègne, Reims, Rouen, Orleans,
Parijs, Guysors, Poictiers, totaal verloren.
BedfordWat zeg je nou, man. Spreek bij het lijk van Hendrik
fluisterend, anders doet het verlies van die steden
hem uit zijn lood barsten en weer opstaan.
GloucesterIs Parijs verloren? Rouen ontruimd?
Als Hendrik weer tot leven werd gewekt,
dan gaf hij met dit nieuws opnieuw de geest.
ExeterHoezo verloren? En met welk verraad?
BodeNee, geen verraad, gebrek aan geld en mannen.
Men hoort wel fluisteren onder de soldaten,
dat er hier nogal wat verdeeldheid heerst:
dat in plaats dat de slag wordt voorbereid,
u het met uw legerleiders oneens bent;
de een wil een trage krijg die weinig kost;
de ander wil vliegen maar is vleugellam;
een derde vindt, dat er - zonder dat het iets kost,
met list en woord nog vrede komen kan.
Ontwaak, ontwaak, adel van Engeland!
Laat niet uw jonge roem door sloomheid tanen.
De lelies op uw wapens zijn geplukt;
de helft van Engelands schild is weggehakt.
Af
ExeterAls dit begraven ons geen tranen bracht,
dan vloeide er met dit nieuws een overvloed.
BedfordMij raakt het zeer: ik ben regent van Frankrijk:
geef mij mijn stalen jas: ik vecht om Frankrijk.
Weg met die vreselijke rouwkleding.
De Fransen geef ik wonden in plaats van ogen
om daar het hernieuwde leed mee te beschreien.
Nog een bode op
2e BodeLees deze brieven, lords, vol tegenspoed.
Heel Frankrijk is in opstand tegen ons,
op een paar hele kleine stadjes na:
de dauphin, Charles, is nu gekroond in Reims:
hem volgt de bastaard na van Orleans:
zijn zij kiest Reignier, Hertog van Anjou:
en Hertog Alençon kiest ook voor hem.Af
ExeterIs de Dauphin gekroond! Kiest men zijn zij!
O, waarheen vluchten wij bij zulk een smaad?
GloucesterWij vliegen enkel onze vijand aan.
Als jij versaagt, Bedford, vecht ik het uit.
BedfordWaarom betwijfel jij mijn strijdlust, Gloucester?
Ik heb een leger in mijn geest gemonsterd,
waar Frankrijk al door overrompeld is.
Nog een bode op
3e BodeOm uw rouw, edele Lords, nog te vermeerderen,
waarmee u Koning Hendriks baar bedauwt,
moet u berichten van een bloedige strijd
van de onverschrokken Talbot en de Fransen.
WinchesterDie Talbot heeft gewonnen, toch, of niet?
3e BodeO nee: waarin Heer Talbot verslagen is:
ik vertel het u uitvoerig in detail.
Toen die geduchte lord, op tien augustus,
zich terugtrok van het beleg van Orleans,
nog nauwelijks zesduizend strijders sterk,
werd hij door drieëntwintigduizend Fransen
geheel omsingeld en heftig bestookt.
Hij had geen tijd het leger op te stellen;
geen pieken voor rondom zijn schutterij;
dus sloegen ze zomaar wat scherpe palen
uit heggen zo hier en daar in de grond
om de aanval van de ruiters af te houden.
Meer dan drie uren duurde het gevecht;
onvoorstelbaar, wat de dappere Talbot
aan wonderen verrichtte met zwaard en lans;
honderden de hel in, niet één weerstond hem;
hier, daar, overal stoof hij woedend heen:
de Fransen riepen, dat de duivel vocht;
het hele leger staarde hem ontzet aan.
Bij die onverschrokkenheid schreeuwden toen
zijn soldaten luid ‘À Talbot! Talbot’,
en stortten zich in het heetst van het gevecht.
De overwinning was perfect geweest,
had Heer John Falstaff zich niet laf betoond.
In de hoofdmacht, in de tweede linie, om
de voorsten te verlichten en te volgen,
vluchtte lafhartig, zonder maar één slag.
Daarom werd het één grote puinhoop en bloedbad:
omsingeld waren zij door vijanden;
een laffe Waal, uit op de dauphins gunst,
stak Talbot toen met een speer in zijn rug,
hem die heel Frankrijk, hoofdmacht en al, ja,
het niet gewaagd had in het gezicht te zien.
BedfordIs Talbot dood? Dan dood ik ook mijzelf,
omdat ik lui in praal en nietsdoen leefde,
terwijl zo’n waardig leider hulp ontbeerde
en werd verraden aan zijn lage vijand.
3e
BodeO nee, hij is gevangen en hij leeft,
en Lord Scales met hem, en Lord Hungerford;
ook de anderen zijn gevangen of gedood.
BedfordGeen andere dan ik betaalt zijn losprijs:
ik sleur de Dauphin ruggelings van zijn troon;
en zijn kroon wordt het losgeld van mijn vriend;
vier van hun lords ruil ik voor een van ons.
Vaarwel, vrienden; ik spoed mij naar mijn taak;
ik steek in Frankrijk vreugdevuren aan
en vier daarmee het groot feest van Sint George.
Tienduizend krijgers neem ik die met mij gaan
Europa zal door hen te sidderen staan.
3e BodeDat heeft echt haast: Orleans wordt wel belegerd,
maar het Engels leger is verzwakt en moe;
de Graaf van Salisbury smeekt om versterking,
hij houdt zijn muitziek volk maar nauwelijks in,
daar het zo’n macht met weinigen moet bewaken.
Af
ExeterDenk aan de eed, Lords, die u Hendrik zwoer,
om de Dauphin volkomen te vernietigen,
of om hem neer te buigen onder uw juk.
BedfordDaar denk ik aan, en laat u hier alleen
om mij nu voor te bereiden tot de strijd.
Af
GloucesterIk spoed mij naar de Tower, om daar het geschut
en alle krijgsbehoeften te overzien;
dan roep ik de jonge Hendrik uit tot Koning.
Af
ExeterIk ga naar Eltham, naar de jonge vorst,
want ik ben benoemd tot zijn speciaal beschermer;
zijn veiligheid gaat mij het meeste aan.
Af
WinchesterElk heeft zijn ambt en plicht hier; alleen ik
bleef over; voor mij is er niets te doen;
maar lang blijf ik geen Pietje-Zonder-Baan.
Uit Eltham haal ik de koning: dat lukt wel:
en zet me aan het hoofdroer van het staatsbestel.
Af
Tweede toneel - Frankrijk. Voor Orleans.
Een hoornsignaal. Charles op, Alençon, en Reignier, met tromgeroffel en soldaten
CharlesTot op vandaag is Mars zijn ware loop
aan de hemel als op aarde niet bekend.
Pas straalde nog zijn glans op het Engels leger;
nu als overwinnaars lacht hij ons wel toe.
Maar welke stad van waarde is niet van ons?
Wij liggen hier gezellig voor Orleans,
met die Engelsen hongerbleek als spoken
die ons per maand één uur wat slap belegeren.
AlençoZe missen hun vette rundvlees en hun soep:
ze moeten als muildieren hun voederbak
voor hun mond gebonden krijgen, of ze zien
er zielig uit, net als verdronken muizen.
ReignierLaat ons het beleg breken: wat doen we hier niets.
Talbot is gevangen, die ons schrikbeeld was;
geen is er over dan leeghoofd Salisbury,
en die vreet kniezend zelf frustraties weg -
geen mensen en middelen meer voor verdere krijg.
CharlesAlarm, blaas alarm: we bestormen hen.
Voor de eer van de Fransen zonder hoop.
Mijn dood vergeef ik wie mij sterven liet,
als ik vlucht, of hij mij één pas wijken ziet.

Allen af
Strijdrumoer; ze worden met groot verlies door de Engelsen teruggeworpen.
Charles op, Alençon en Reignier.
CharlesOoit zoiets gezien? Wat heb ik me voor volk!
Honden! Doetjes! Lafaards! Nooit was ik gevlucht,
maar ze lieten me staan tussen vijanden.
ReignierMoordenaar Salisbury gaat me wild tekeer;
hij vecht als iemand die het leven moe is:
die andere Lords - als afgevaste leeuwen -
stortten zich op ons hongerig als hun prooi.
AlençonEen landgenoot van ons, Froissart, beschrijft,
hoe Engeland in Edward de Derde’s tijd
alleen maar Olivers voortbracht en Rolands.
En nu wordt dat nog krachtiger bewaarheid:
want het stuurt slechts Goliaths en Samsons uit
om hier te gaan vechten. Eén tegen tien.
En van die magere sprieten. Wie had verwacht
dat daar zo’n moed ik zat, en zoveel durf?
CharlesKom, wegwezen; het zijn dolle patjakkers,
en honger zal hen nog veel scherper maken:
ik ken ze wel: nog liever braken ze
de muren met hun tanden, dan te wijken.
ReignierEr is vast een raderwerk of truc die hun
de armen stuurt, als een klok, die maar blijft slaan;
want anders hielden ze het nooit zo vol als nou:
als het aan mij ligt, laten we ze begaan.
AlençonJa, nou.
De Bastaard van Orleans op
Bastaard Waar is de Prins Dauphin? Ik heb nieuws voor hem.
CharlesBastaard van Orleans, driedubbel welkom.
BastaardU kijkt wat somber, lijkt me, en heel bleek.
Komt dat soms van de tegenspoed van laatst?
Wees niet ontmoedigd, hulp ligt in het verschiet:
een heilige jonkvrouw breng ik mee, aan wie
een visioen uit de hemel opdracht gaf
een eind te maken aan dit lang beleg
en de Engelsen te drijven uit dit land.
Zij heeft profetiekracht over zich, meer dan
in het oude Rome de negen sibillen:
zij weet van wat was en wat komen zal.
Spreek, zal ik haar roepen? Geloof mijn woord,
daar valt niet aan te twijfelen, dat is waar.
CharlesRoep haar maar hier. [Bastaard af] Maar, als toets voor haar kunst,
moet jij, Reignier, doen of je Dauphin bent;
je moet haar streng en hautain ondervragen;
dan krijgen wij zo zich op wat zij kan.
De Bastaard van Orleans op, met Jeanne La Pucelle
ReignierBen jij het, schoonheid, die die wonderen doet.
PucelleBen jij het, Reignier, die mij denkt te bedriegen?
Waar is de Dauphin? Kom maar te voorschijn, zeg;
ik ken jou goed, al heb ik je nooit gezien.
Sta niet versteld: voor mij blijft niets verborgen.
Ik wil jou alleen spreken, onder vier ogen.
Terug, dus, heren, láát ons eventjes.
ReignierZe laat gelijk merken wie dat zij is.
PucelleIk ben de dochter van een herder, Dauphin,
mijn geest is kunst of wetenschap geheel vreemd.
Het heeft de Hemel en Maria slechts behaagt,
te schijnen op mijn zo eenvoudige staat.
Terwijl ik zorgde voor mijn lammetjes
en mijn huid door de zon verschroeien liet,
verscheen genadig mij de Moeder Gods,
die me, in een visioen vol majesteit,
beval het eenvoudige beroep te laten
en mijn land van verdrukking te bevrijden;
en zij beloofde hulp, en vast succes.
In volle glorie toonde zij zichzelf;
en waar ik voorheen zwart en donker was,
goot zij de heldere gloed over mij uit
en zegende mij met schoonheid, zoals u ziet.
Vraag al het mogelijke wat u weten wilt,
en ik geef u zonder nadenken een antwoord:
toets mijn moed in de strijd, als je dat durft,
en je zult zien dat ik mijn sekse ontstijg.
Weet wat je wilt: ik help je uit de nood,
als jij mij aanneemt als je strijdgenoot.
CharlesWat sta ik verbaasd hier van jouw ferme taal.
Ik wens slechts dit bewijs van al jouw moed:
meet je in een tweegevecht met mij, en als
jij overwint, dan zijn jouw woorden waar;
zo niet, dan zweer ik elk vertrouwen af.
PucelleIk ben bereid: hier is mijn vlijmscherp zwaard,
aan weerszijden met vijf lelies gesierd,
dat ik uit een hoop oud ijzer gehaald heb,
in Tourain in de kerk van Sint Katherine.
CharlesKom, in Gods naam; geen vrouw heb ik ooit geducht.
PucelleMijn leven lang ben ik voor geen man gevlucht.
Zij vechten, en Jean La Pucelle heeft de overhand.
CharlesHoud op, houd op, jij bent een Amazone,
en strijden doe je met Deborahs zwaard.
PucelleGods moeder helpt mij, of ik was te zwak.
CharlesWie jou ook helpt, jij bent nu hulp voor mij.
Onstuimig brand ik met verlang naar jou.
Jij overwon in één keer hart en hand.
Voortreffelijke, als je zo heet, Pucelle,
laat mij jouw dienaar zijn en niet jouw vorst:
ik die jou aldus smeekt ben de Dauphin.
PucelleIk onthoud mij van de min en van beloven:
mijn is een heilig ambt, van boven;
heb ik mijn vijanden vanhier verdreven,
dan zag ik graag dat u mij loon zou geven.
CharlesKijk op je slaaf genadig zolang neer.
ReignierDie heer van mij praat toch wel heel erg lang.
AlençonHij vraagt haar vast te biechten tot op het hemd;
want anders kont het gesprek zo lang niet duren.
ReignierZullen we het onderbreken, want hij kent geen maat?
AlençonMisschien wordt hij meer maatje dan wij weten;
die vrouwen lokken heel sluw met de tong.
ReignierMylord, waar bent u? Wat was u van plan?
Gaan wij nog weg uit Orleans, of niet?
PucelleNou, echt niet, onbetrouwbaar kettervolk!
Vecht tot de laatste snik; ik sta u bij.
CharlesHet is zoals zij zegt: wij vechten het uit.
PucelleIk ben benoemd tot gesel van de Engelsen;
ontzetten zal ik de stad, nog deze nacht:
nu ik mij in de strijd begeef, verwacht
een Maartenszomer, en ijsvogelweer.
Een cirkel in het water is de roem,
die nooit ophoudt zich uit te strekken tot
het wijd verspreiden toch tot niets vervloeit.
Met Hendriks dood, loopt Engelands kring tot niets;
vervloeit is al de roem die hij omsloot.
Nu ben ik als dat fiere schip, dat ooit
Caesar voort droeg, en met hem zijn geluk.
CharlesWerd Mohammed ooit door een duif bezield?
Maar dan bezielt jou hier een adelaar.
Geen Helena, moeder van Constantijn,
kwam jou nabij, geen dochter van Philippus.
Lichtster van Venus, die op de aarde viel,
hoe kan ik je vereren naar jouw waarde?
AlençonLaat dat getreuzel; nu de stad ontzet.
ReignierDoe wat je kunt, dame, red onze eer;
eeuwige roem, als je Orleans bevrijdt.
CharlesDirect beproefd; onmiddellijk aan het werk:
mij geen profeet meer, als zij leugens spelt!

Allen af


Derde toneel - Londen. Vóór de Tower.
De Hertog van Gloucester op, met zijn dienaren - in blauwe jassen.
GloucesterIk kom vandaag de Tower inspecteren;
sinds Hendriks dood wordt er hier veel geklauwd.
Waar zijn de wachters, dat hier niemand staat?
Open de poorten; dit is Gloucester hier.
1e Wachter[binnen] Wie is dat die daar zo gebiedend klopt?
1e DienaarDat is de edele Hertog Gloucester.
2e Wachter[binnen] Wie hij ook is, jullie mogen er niet in.
1e DienaarPraat men zo tegen de Heer Protector, schorem?
1e Wachter[binnen] De Heer protect hem, is ons antwoord, heren:
wij doen niet anders dan ons opgelegd.
GloucesterWie legde je iets op boven mijn wil?
Geen is Protector van het Rijk dan ik.
Open die poorten, mijn verantwoording.
Moet ik door vuile stalknechten getart?
Gloucesters dienaren bestormen de poort; van binnen nadert commandant Woodville
Woodville[binnen] Wat een lawaai. Wat zijn dat voor verraders?
GloucesterIs dat uw stem die ik hoor, mijn commandant?
Gloucester wil naar binnen; open de poort.
Woodville[binnen] Dat mag ik niet, rustig aan, mijn edele heer;
de Kardinaal van Winchester verbiedt het:
van hem heb ik het uitdrukkelijk bevel,
jou noch één van jouw mensen toe te laten.
GloucesterVind je hem, mijn bange Woodville, meer dan mij?
Die trotse kerkvoogd, drieste Winchester,
die onze vorige koning nimmer mocht.
Jij bent geen vriend van koning of van God.
Open de poort, of ik sluit jou heel gauw dicht.
DienarenOpen de poorten voor de Lord Protector:
we breken ze open, als u niet snel komt.
Winchester komt aan de poort naar de Protector toe, met mannen in bruine jassen
WinchesterZo, eerzuchtige Humphrey, wat betekent dit?
GloucesterBen jij dat, kaalkruin, die mij buitensluit?
WinchesterJa zeker, eedverkrachter vol verraad
- en geen Beschermer - van vorst of van staat,
GloucesterTerug, bewezen samenzweerder, jij,
die onze dode vorst vermoorden wou,
die hoeren toestemming tot zonde geeft:
jou gooi ik in je brede kardinaalshoed
als jij doorgaat met uit de hoogte doen.
WinchesterNou, terug jij: ik ga hier geen stap opzij:
zij dit Damascus, en jij moordenaar Kaïn;
dood je broer Abel maar, als je dat wilt.
GloucesterIk wil jou niet doden, enkel maar verjagen.
Als in een doopkleed wil ik jou hiervandaan
dragen met jouw scharlaken mantel om.
WinchesterDoe wat je durft, ik tart je in het gezicht.
GloucesterWat? Daag jij mij uit en tart jij mij zo?
Het zwaard, mannen, al is het een plaats van rust -
de blauwen tegen bruinen. Paap, uw baard;
die grijp ik vast, en ik ros u stevig af.
Jouw kardinaalshoed stamp in met mijn voet;
hoogwaardigheidsbekleders, Paus ten spijt,
ik sleur je aan je kin hier neer en op.
WinchesterWinchester-gansje! Nee, toch, wat een strop!
Sla ze hiervandaan! Waarom zo lang gewacht?
Ik jaag je hier weg, jij, wolf in schapenvacht.
Weg, bruinjassen! Weg, paarse hypocriet.
Op dit punt drijven de dienaren van Gloucester de mannen van de Kardinaal terug; te midden van het rumoer komt de Mayor van Londen binnen, met zijn gerechtsdienaren
MayorHeren toch! Jullie als hoogste magistraten,
elkaar zo zwart maken, en nog wel vechten!
GloucesterRustig, Mayor, jij kent mijn grieven maar slecht:
Beaufort stoort zich heel niet aan God of vorst,
beschouwt de Tower als zijn eigendom.
WinchesterGloucester hier is een vijand voor de burgerij,
stuurt steeds op oorlog aan, en nooit op vrede,
belast uw vrije beurzen veel te ruim;
is er op uit godsdienst te doen verdwijnen,
want hij is de Beschermer van het rijk,
en wil wapens hier uit de Tower om zich
te kronen en de vorst nu af te zetten.
GloucesterIk antwoord jou niet met woorden, maar met slagen.
Ze beginnen weer te vechten
MayorGeen middel blijft mij in dit luid gemeen
dan een openbaar bevel tot vrede en rust.
Kom, beambte, net zo hard als dat je kunt.
BeambteEen ieder die hier vandaag gewapend is gekomen, tegen Gods vrede in en die van de Koning: wij gelasten en bevelen u, in naam van zijne hoogheid, om terug te keren naar uw aller woonplaats; en niets meer in de hand te nemen of te bezigen, geen zwaard, wapen of dolk, op straffe van dood.
GloucesterIk wil de wet niet breken, Kardinaal;
maar we hebben het er nog uitvoerig over.
WinchesterWij zien elkaar beslist, en het zal u rouwen;
jouw hartenbloed betaalt mij voor vandaag.
MayorIk roep de M.E. als u nou niet gaat.
Die Kardinaal is trotser dan de duivel.
GloucesterTot ziens, lord Mayor: jij doet wat je moet doen.
WinchesterO, onmens Gloucester, pas toch op je hoofd,
want ik zal het hebben, en dat duurt niet lang.
Gloucester en Winchester, ieder met hun dienaren, naar verschillende kanten af
MayorVeeg alles schoon, dan kunnen wij vertrekken.
Mijn God, wat krijgen zij dat voor elkaar:
Ik vecht zelf nog niet in geen veertig jaar.

De Mayor met gevolg af
Vierde toneel - Orleans
Hoofdkanonnier van Orleans op met zijn zoon
Hoofdkanonnier Je weet, dat Orleans belegerd wordt,
dat Engeland al de voorsteden bezet.
JongenDat weet ik, vader; vaak heb ik mijn schot
op hen gericht, maar miste ik mijn doel.
Hoofdkanonnier Maar nu toch niet, zoon; als je naar mij luistert:
ik ben de hoofdkanonnier van de stad;
ik moet iets dan dat mij hier eer verschaft.
Spionnen van de Vorst berichtten mij,
dat de Engelsen, in voorsteden verschanst,
door een getralied venster in die toren
- dat niemand weet - altijd de stad overzien,
en dan bezien hoe zij ons met geschut
of aanval het beste tot last kunnen zijn.
Om ons van al dat ongerief te ontdoen,
heb ik een stuk geschut daarop gericht
en kijk ik al drie dagen of ik ze zie.
Hou jij nu wacht, want ik kan niet langer blijven.
Als je iets ziet, dan meld het me gelijk;
je kunt me vinden bij de commandant.
Af
JongenMaak u geen zorgen, vader; wees gerust,
ik val u vast niet lastig, als ik ze zie.

Af
Salisbury en Talbot op, in de bovenste kamer van de toren, met Heer William Glansdale, Heer Thomas Gargrave en anderen
SalisburyTalbot, mijn vreugd, mijn leven, weer terug!
Hoe werd je in gevangenschap behandeld?
En hoe is het je gelukt je los te kopen?
Vertel me dat in het torenkamertje.
TalbotDe Graaf van Bedford had een krijgsgevangene,
een dapper man, Graaf Ponton de Santrailles;
tegen hem ben ik uitgeruild en vrijgekocht.
Maar eerst
wilden ze uit hoon mij uitwisselen
tegen een soldaat van een veel lagere rang:
wat ik boos van de hand wees: liever dood
dan mij zo uiterst laag geschat te zien.
Om kort te gaan, ik kwam vrij zoals ik wou.
Maar die verrader Falstaff raakt mijn hart
- die kon ik met mijn blote vuisten wurgen,
als ik hem nu eens in mijn macht ontving.
SalisburyJij zegt ons niet hoe je behandeld werd.
TalbotMet schimp en spot en smadelijke hoon.
Men stelde mij op het marktplein ten toon
dat het gepeupel mij eens goed kon zien;
dit is de schrik der Fransen, zei men hun,
de vogelschrik, die onze kinderen bang maakt.
Ik scheurde me van mijn bewakers los,
groef met mijn nagels stenen uit de grond
en smeet wie mij zo aangaapten die toe.
Men vluchtte ook voor mijn zo grimme blik;
angst voor een plotse dood joeg allen weg.
In ijzeren wanden vond men mij niet veilig;
de angst voor mijn naam ging wel ver:
men dacht dat ik stalen staven splijten kon
en deurposten breken van adamant.
Dus koos men scherpschutters voor mijn bewaking,
die bij mij langs kwamen, om de minuut;
en als ik maar eventjes mijn bed uit was,
stonden ze al voor een schot door het hart klaar.
De jongen op met een lontstok, en weer af
SalisburyWat erg toch, dat u zoveel lijden moest;
maar weldra zullen we ons ten volle wreken.
Nu is het etenstijd in Orleans:
door deze tralies hier kan ik ieder tellen
en zien hoe dat de Fransman zich versterkt:
kom kijken, dat te zien doet je heel goed.
Heer Thomas Gargrave, en Heer William Glansdale,
uw mening hoorde ik graag precies, waar wij
de volgende beschieting het best op richten.
GargraveDaar waar de adel staat, de Noorderpoort.
GlansdaleIk dacht eerder op het bolwerk van de brug.
TalbotIk vind dat de stad uitgehongerd moet,
of door schermutselingen uitgeput.
Op dit punt schieten ze, en Salisbury en Gargrave vallen
SalisburyO Heer, wees ons genadig, arme zondaars!
GargraveO Heer, wees mij genadig, ik, ellendige!
TalbotWelk toeval zit ons plotseling zo tegen?
Spreek, Salisbury - als je nog praten kunt:
hoe gaat het, spiegel van het soldatenvak?
Eén oog is weg, en je gezicht ook half.
Vervloekte toren! Vervloekte onheilshand,
die dit rampzalig treurspel heeft bedacht.
Dertien slagen heeft Salisbury gewonnen,
aan Hendrik Vijf leerde hij het oorlogsvak;
zolang nog één trompet klonk, een trom sloeg,
liet zijn zwaard nimmer af te slaan in het veld.
Leef jij nog, Salisbury? Al praat je niet,
smeek de hemel om genade met één oog;
met één oog ziet de zon de wereld rond.
Wees, hemel, voor geen sterveling ooit genadig,
als Salisbury bij u genade derft.
Heer Thomas Gargrave, heb jij nog wat leven?
Zeg eens wat tegen Talbot; kijk hem aan.
Draag zijn lijk weg; ik help het mee begraven.

Men draagt het lijk van Gargrave weg
  Laat dit je levensgeest tot troost zijn, Salisbury,
dat jij niet sterven zult zolang -
hij wenkt mij met de hand en lacht mij toe,
als wou hij zeggen: ‘Als ik dood zal zijn,
vergeet mij niet te wreken op de Fransen.’
Plantagenet, nou en of; en dan, als Nero,
speel ik luit, als ik de steden branden zie.
Mijn naam alleen al zaait in Frankrijk angst.
Krijgsrumoer, en donder en bliksem
Welk een tumult? Wat roert zich in de hemel?
Vanwaar dit krijgsrumoer en dit lawaai?
Een bode op
BodeMylord, mylord, de Fransen vallen aan:
de Dauphin, en een zekere Jeanne de Pucelle,
een nieuwe ster, een heilige profetes,
komt met een grote macht de stad ontzetten.
Op dit punt richt Salisbury zich op en kreunt
TalbotHoor toch hoe Salisbury daar in doodsnood kreunt;
het kwelt hem dat hij zich niet wreken kan.
Fransen, ik zal voor jullie een Salisbury zijn.
Een meid of een meisje, dolfijn of hondshaai,
met paardenhoeven trap ik je hart fijn
en maak ik je hersenmassa tot brij.
Brengen wij Salisbury nu naar zijn tent,
en dan zien wat die duffe Fransen durven.
Krijgsrumoer. Allen af, met het lijk van Salisbury
Vijfde toneel - Voor Orleans
Op dit punt wederom krijgsgedruis; Talbot achtervolgt de Dauphin, en drijft hem voort; dan komt Jeanne La Pucelle op, die Engelsen voor zich uit drijft; zij gaat achter hen aan af. Dan komt Talbot op
TalbotWaar is mijn kracht, mijn dapperheid en moed?
Ons Engels leger wijkt; ik houd het niet hier;
een vrouw in pantserkleding jaagt het voort.
La Pucelle opDaar komt ze weer. Ik wil me met jou meten;
duivel of duivels moer, ik krijg je klein:
ik krijg je aan het bloeden, ja, jij bent een heks,
en ik geef je ziel direct aan wie jij dient.
PucelleKom, kom, ik ben het die jou vernederen moet.
Op dit punt vechten ze
TalbotLaat u toe, Hemel, dat de hel zo wint?
Mijn moed zwelt zo dat ik mijn borst barsten ga,
al breken ook mijn armen van mijn schouders,
ik ga erop bij de arrogante trut.
Ze vechten weer
PucelleTot ziens, Talbot; jouw uur is nog niet daar:
ik moet Orleans eerst nog bevoorraden.
Korte schermutselingen; dan trekt ze de stad binnen met soldaten
Haal mijn dan in: ik spot met al jouw kracht.
Monter jouw uitgehongerd volk maar op;
help Salisbury zijn testament te maken:
ons is de zege: en vele zullen volgen.
TalbotMijn brein tolt als een pottenbakkerswiel;
ik weet niet waar ik ben, niet wat ik doe:
door angst, geen kracht, drijft ons, als Hannibal,
een heks terug, en wint zoals ze wilt.
zo drijft rook bijen, en stank duiven ook
uit al hun korven en hun huizen weg.
Men noemde ons Engelse honden om de felheid;
nu rennen wij als welpen jankend weg.
Kort strijdgedruis
Hoor, landslieden! Opnieuw ten strijde nu,
of scheur de leeuwen uit het Engels wapen;
zweer uw stijl af: zet er maar schapen neer:
geen schaap rent half zo laf weg voor de wolf,
geen paard of os ontvlucht de luipaard zo
als jullie voor die vaak bedwongen schurken.
Strijdgedruis. Een nieuwe schermutseling
Het heeft geen zin: Terug naar jullie schansen:
Salisbury’s dood is jullie aller schuld,
want niemand gaf uit wraak één slag terug.
Wat we ook deden, wat we konden doen,
Pucelle trekt de stad in, Orleans.
O, kon ik sterven nu, naast Salisbury!
Uit schande sla ik de handen voor mijn hoofd.
Talbot af. Krijgsrumoer; aftocht
Zesde toneel - Orleans
Hoornsignaal. Op de wal op: La Pucelle, Charles, Reignier, Alençon en soldaten
PucelleLaat onze vaandels op de muren wapperen;
ontrukt is Orleans aan de Engelsen.
Jeanne de Pucelle heeft haar woord gehouden.
CharlesGoddelijkst wezen, dochter van Astraea,
hoe zal ik je eren voor dit groot succes?
Wat jij belooft is als Adonis’ tuinen,
vandaag in bloei, en morgen vol met vrucht.
Wees trots, Frankrijk, op deze, uw, profetes,
want de stad Orleans is terug veroverd:
groter geluk viel de staat nooit ten deel.
ReignierWaarom klinkt er helemaal geen klokgelui?
Laat, Dauphin, burgers vreugdevuren maken,
en feesten en eten op de open straat
en het geluk vieren dat God ons gaf.
AlençonHeel Frankrijk vult zich nu met blijdschap, vreugd,
als men verneemt hoe wij als mannen waren.
CharlesHet is Jeanne, niet wij, die deze zege won:
en daarom zal ik mijn kroon delen met haar,
en alle priester-monniken in mijn rijk
moeten in processie eindeloos haar roem zingen.
Een grootser piramide bouw ik voor haar
dan die van Rhodope van Memphis ooit;
Tot haar gedachtenis wordt na haar dood
haar as in een urn veel kostbaarder dan
het rijk juwelenkistje van Darius
rondgedragen op hoogtijdagen straks
voor alle Franse vorsten en vorstinnen.
Dan zij onze leuze niet meer: Saint Denis;
Frankrijks heilige zal zijn: Jeanne de Pucelle.
Kom naar binnen: een vorstelijk onthaal
besluit de gouden dag van zegepraal.
Hoorngeschal. Allen af