terug naar de beginpagina download meer over dit stuk

Klucht der vergissingen
comedy of errors
William Shakespeare
vertaling    Jan Jonk
 Eerste bedrijf
eerste toneel


Solinus, de Hertog van Ephesus op, met Egeon, de koopman van Syracuse, en verschillende bedienden

EgeonBewerk, Solinus, dan maar snel mijn val,
door een doodvonnis dat mijn leed einden zal.
HertogKoopman van Syracuse, smeek niet meer.
Streng, onpartijdig volg ik onze wet.
De bittere onenigheid die onlangs rees,
doordat uw Hertog zich zo wreed gedroeg
jegens correcte kooplui van ons land,
die, zonder guldens om zich vrij te kopen,
zijn straffe wet bezegelden met hun bloed,
bant medelijden van ons stram gezicht;
want, sinds de bloedige interne twist
tussen jouw roerige landslieden en ons,
is door de raden plechtig vastgelegd,
door die in Syracuse, èn bij ons,
ons beider steden de handel te verbieden;
ja, als iemand die in Ephesus is geboren
in Syracuse op markten en pleinen komt,
en ook, als wie geboortig uit Syracuse
Ephesus' baai betreedt, dat hij dan sterft,
zijn goederen, verbeurd, in de Hertogs hand komen,
tenzij hij duizend mark betalen kan
als losgeld en als boete voor zijn schuld.
Al jouw bezit, op het hoogste ingeschat,
bedraagt niet meer dan zo een honderd mark;
en dus veroordeelt jou de wet ter dood.
EgeonDan is dit mijn troost: als wat u zegt gebeurt,
wordt, na vandaag, door mij nooit meer getreurd.
HertogZeg, Syracuser, mij in het kort waarom
je jouw geboortestad verlaten hebt,
en wat je in Ephesus wel kwam doen.
EgeonGeen zwaardere taak kreeg ik ooit opgelegd,
dan u te spreken van onzegbaar leed;
maar, dat de wereld ziet, dat de natuur
mij aanzette, en geen misdadig plan,
zal ik u zeggen wat mijn leed mij laat.
Ik ben van Syracuse, en heb daar
een vrouw getrouwd gelukkig slechts voor mij,
en door mij, - totdat het lot ons trof.
Met haar leefde ik gelukkig; onze rijkdom
nam toe door zeer geslaagde reizen vaak
naar Epidamnum; toen stierf mijn agent;
bezorgdheid om mijn goederen, onbeheerd,
dwong mij uit haar zoete omarmen weg;
ik was nog geen zes maand weg bij mij vrouw,
toen zij zelf (al welhaast bezwijkend onder
de zoete straf die vrouwen dragen mogen)
geregeld had dat zij mij na zou komen,
en weldra kwam zij veilig waar ik was.
Ze was er nog niet lang, of zij werd daar
de blijde moeder van twee flinke zoons,
en, vreemd genoeg, leek de een zo op de ander,
dat slechts elk van hun namen anders was.
Op hetzelfde uur, en in hetzelfde huis
werd daar ook nog een arme vrouw verlost
van een tweeling, jongens, net zo gelijk.
Die kocht ik - de ouders waren heel erg arm -,
om hen dienaars te maken van mijn zoons.
Mijn vrouw, die uiterst trots was op haar stel,
drong dagelijks op onze thuisreis aan:
met tegenzin stemde ik toe; helaas, te snel
kwamen wij aan boord.
Het was nog geen mijl van Epidamnum af,
of de altijd-wind-gehoorzamende zee
bracht ons een gruwelijk voorspel van ons leed;
de hoop die we nog hadden duurde kort,
want het duister licht dat ons de hemel liet
gaf ons verschrikt gemoed enkel nog maar
het angstige besef van onvermijdbare dood,
al had ik die zelf ter plekke graag omhelsd;
maar het onophoudelijk huilen van mijn vrouw,
die vast voorhuilde om wat zij komen zag,
en het zielig schreien van mijn lieve kleinen,
die maar mee huilden, niet wetend waarom,
dwong mij uitstel te zoeken voor ons lot,
en dat was dit, iets anders was er niet:
de zeelui zochten redding in de sloep,
en lieten ons het al haast zinkend schip.
Het meest bezorgd om de jongste, had mijn vrouw
hem vastgebonden aan een hulpmastje,
dat zeelui vaak meevoeren voor bij storm;
aan hem zat een van de andere tweeling vast;
en zo had ik bij de andere twee gedaan.
De kinderen veilig zo, bonden wij ons,
met aandacht steeds voor wie wij zorgen moesten,
aan beide uiteinden van deze mast;
die dreef toen op de stroom in een stuk door,
zoveel we wisten, naar Corinthe toe.
Toen eindelijk de zon de aard bescheen,
de wolken oploste die ons zo plaagden,
en toen de zee door haar zo welkom licht
weer vlak geworden was, ontdekten wij
twee schepen in de verte, die ons naderden,
een uit Corinthe, de ander Epidaurus,
maar voor ze er waren - O, verlang meer niet;
raad het vervolg uit wat u in het vorige ziet.
HertogNou, oude man, ga door, breek niet zo af,
meevoelen mag toch, al is gratie uit!
EgeonHadden de goden zo gedaan, dan zou ik
ze onterecht ons ongenadig noemen.
De schepen waren nog maar tien mijl weg,
of wij sloegen op een machtige klip,
en de geweldige kracht waarmee dat ging
spleet het schip dat ons zo hielp geheel middendoor,
zodat in deze scheiding, niet van harte,
het Noodlot voor ons beiden hetzelfde liet,
een deel met vreugde, en een deel met smart.
Haar deel, de arme, schijnbaar wel een last
die minder zwaar was, maar niet minder droef,
werd sneller op de winden weggevoerd,
en ik zag ze alle drie aan boord genomen
door vissers uit Corinthe, dachten wij.
En later nam het andere schip ons op,
en horend wie het lot hen redden liet,
ontving men hun schipbreukelingen hartelijk,
en had de vissers van hun prooi beroofd,
ware niet hun bark zo slecht bezeild geweest;
en dus wendde men toen de koers naar huis.
Zo, hoort u, hoe ik mijn geluk verloor,
en hoe ik door toeval nog in leven bleef,
om droef te spreken van mijn ongeluk
HertogTer wille dan van hen om wie jij treurt,
wil mij vertellen, en wel in detail,
wat hen en jou tot nu is overkomen.
EgeonMijn jongste zoon, en toch mijn oudste zorg,
kwam, toen hij achttien was, steeds weer opnieuw
met vragen naar zijn broer, en smeekte mij,
of dat zijn dienaar, - die hetzelfde had,
zijn broer verloren, maar zijn naam bekend, -
samen met hem zijn tweelingbroer kon zoeken;
met het verlangen te zien wie ik graag mocht,
riskeerde ik het verlies van wie ik hield.
Vijf zomers was ik in ver Griekenland,
ik zwierf door al het gebied van Azië,
en op mijn thuisreis kwam ik in Ephesus,
geheel zonder hoop, maar met het vast besluit
geen stad van mensen onbezocht te laten;
hier loopt mijn levensrelaas dus ten eind,
ik zou blij zijn met mijn snelle dood, als mij
de moeite van mijn reizen zei: ze leven.
HertogRampzalige Egeon, door het lot gemerkt
tot ongeluk in zo een overmaat;
geloof me, ging het niet tegen onze wet,
tegen mijn kroon, mijn eed, mijn hoge plaats,
die een vorst, al wil hij, niet miskennen kan,
dan zou mijn hart jouw pleitbezorger zijn;
maar, al ben jij veroordeeld tot de dood,
- een vonnis, eens geveld, herroept men nooit,
dat brengt onze eer te veel in diskrediet -,
ik zal toch voor jou doen al wat ik kan;
dus, koopman, ik stel vast, dat je vandaag
nog hulp kunt zoeken die je leven redt;
klop aan bij al je vrienden in Ephesus,
bedel, of leen de geldsom bij elkaar,
en leef; zo niet, dan blijft je dood bepaald.
Bewaker, houd hem in het oog.
BewakerDat zal ik, heer.
EgeonZonder hoop gaat Egeon nu in nood,
hij stelt slechts uit zijn levenloze dood.
Allen af


 
 Tweede toneel

Antipholus van Syracuse op, de eerste koopman en Dromio.
1e KoopmanZeg dus, dat u van Epidamnum bent,
of uw koopwaar neemt men zo in beslag;
vandaag nog is een Syracuser koopman
gearresteerd omdat hij hierheen kwam,
en daar hij zich niet vrij kan kopen, sterft hij
volgens de wet van deze stad, nog voor
de moede zon in het westen ondergaat.
Hier is het geld, dat ik voor u bewaard heb.
Syr. Antiphol.Breng het naar ons hotel, naar de Centaur,
en blijf daar, Dromio, tot ik bij u ben;
binnen een uur is het middagmaal; tot dan
kijk ik eens hoe het toegaat in de stad,
wat er te koop is, en al de gebouwen,
dan kom ik terug, en leg ik me even neer,
ik ben moe en stram van al dat lange reizen.
Nou, ervandoor.
Syr. DromioEr zijn er die zich houden aan uw woord,
en inderdaad gaan, met zo'n grote poet.
Af
Syr. Antiphol.Dat is een trouwe knaap, heer, die mij vaak,
wanneer ik bedrukt ben door melancholie,
met al zijn grappen het humeur verlicht.
Wel, gaat u met mij wandelen in de stad,
en dan in mijn hotel een hapje eten?
1e KoopmanIk ben uitgenodigd, heer, bij zekere kooplui,
met wie ik goede zaken hoop te doen.
Neem het mij niet kwalijk; maar, als u dat wilt,
zie ik u graag om vijf uur op de markt;
nu roepen zaken mij echt elders heen.
Syr. Antiphol.Tot straks dan maar: ik slenter wel wat rond,
en kijk zo hier een daar eens in de stad.
1e Koopman Nou, ik wens u veel genoegen met uzelf.
Af
Syr. Antiphol.Hij die mij met mijzelf genoegen wenst
wenst mij juist dat wat ik niet krijgen kan.
Ik ben in de wereld als een druppel vocht
die in de oceaan een tweede zoekt,
erin springt, speurend naar zijn andere ik,
maar in zijn ijver zich spoorloos verliest;
en ik, die een moeder en een broeder zoekt,
verlies, al speurend, jammerlijk mijzelf.
Dromio van Ephesus op
 Hier is de almanak met mijn geboortedag:
wat is er? Hoe ben jij zo snel al terug?
Eph. DromioZo snel weer terug? Eerder te laat pas hier;
het haantje brandt aan, het varken valt van het spit,
de klok heeft al geslagen, al twaalf keer;
mijn meesteres één keer, maar wel op mijn wang;
ze kookt van woede, want het vlees is koud;
het vlees is koud, want u komt niet naar huis;
u komt niet thuis, want u heeft heel geen trek;
u heeft geen trek, want u heeft niet gevast;
wat vasten is, dat weet nu onze maag:
wij moeten boeten voor uw fout vandaag.
Syr. Antiphol.Man, spaar uw longen wat, en zeg eens, blaag,
waar is het geld gebleven dat ik u gaf?
Eph. DromioO, die zes stuiver die ik woensdag kreeg
voor het zadelriempje van mijn meesteres:
die gaf ik de zadelmaker, ik heb niets.
Syr. Antiphol.Ik ben niet zo in mijn hum voor grapjes nou:
geen doekjes eromheen, waar is dat geld?
Wij zijn hier vreemd, hoe komt het in u op,
niet zelf te passen op zo=n groot bedrag?
Eph. DromioDoet u aan tafel al die grapjes maar:
ik moest u vlug halen van mijn meesteres;
als ik terugkom, ben ik echt de klos,
want zij kerft vast uw fouten op mijn kop.
Waarom is niet, als mijn, uw maag uw klok,
die u naar huis slaat zonder boodschapper.
Syr. Antiphol. Kom, Dromio, die grapjes zijn misplaatst,
bewaar ze voor een blijder uur dan dit;
waar is het geld, dat ik je heb toevertrouwd?
Eph. DromioMij, heer? Maar u heeft mij nooit goud gegeven.
Syr. Antiphol.Kom, gekke vent, laat nou die grap maar gaan;
wat heb je met mijn opdracht, straks, gedaan?
Eph. DromioIk moest u enkel van de markt naar uw huis,
de Feniks, halen, heer, om daar te eten;
mijn meesteres en haar zus wachten op u.
Syr. Antiphol.Zo waar ik een Christen ben, geef antwoord nu,
waar is dat geld nu veilig opgeborgen,
of ik sla die knikker van u in, met steeds
maar grappen als ik daar geen zin in heb:
waar zijn die duizend daalder van mij heen?
Eph. DromioVan u daalde er al heel wat op mijn kop;
en van mevrouw daalde er wat op mijn schouders,
maar van u samen daalde er geen duizend.
Als ik u die weer alle terugbetaalde,
dan pakte u ze beslist niet rustig aan.
Syr. Antiphol.Van jouw mevrouw? Wie is dat dan, jij, slaaf?
Eph. DromioUw vrouw, mijn meesteres, heer, uit de Feniks;
die vast totdat u eens voor het eten thuis komt,
en wil dat u heel snel voor het eten thuis komt.
Syr. Antiphol.Mij ook nog voor de gek houden, nadat
ik het je verboden heb? Daar dan, jij, vlegel.
Eph. DromioWat wilt u nou, heer? Bij God, hou uw handen thuis.
Wilt u dat niet? Dan ga ik er maar vandoor.
Af
Syr. Antiphol.Wel, bij mijn ziel, met een of andere streek
heeft men die rotzak al mijn geld gepikt.
De stad zit, zegt men, boordevol bedrog,
de handige goochelaar misleidt het oog,
de duistere tovenaar verwart de geest,
de ziel-verderfster heks misvormt het lijf,
de kwakzalver die schreeuwt, de dief vermomd,
en nog veel meer waar zonde al toe leidt:
als dat waar blijkt, dan ben ik zo weer weg.
Naar de Centaurus ga ik, naar het duivelskind:
ik denk niet dat ik mijn geld ooit nog eens vind.
Af