Google



terug naar de beginpagina download meer over dit stuk

Midzomernachtsdroom
A mid summer nights dream
William Shakespeare
vertaling    Jan Jonk
 Eerste Bedrijf
 Eerste toneel
 Theseus op, en Hippolyta, Philostrates, en dienaren
TheseusOns huwelijksuur, mooie Hippolyta
 nadert nu snel; vier dagen is het nog maar
 tot nieuwe maan: maar, O, hoe langzaam neemt
 de oude af! Zij tempert mijn verlangen,
 zoals door stiefmoeder of douairière
 het kindsdeel langzaam wegteert van de zoon.
HippolytaVier dagen baden zich snel weg in nacht;
 vier nachten dromen snel de tijd voorbij;
 dan zal de maan, gelijk een zilveren boog
 nieuw spannen aan de hemel, aanschouwt zij
 ons plechtig feesten 's nachts.
TheseusPhilostrates,
 spoor de Atheense jeugd aan tot vermaak,
 wek hen die kwiek van geest en lustig zijn;
 zwartgalligheid hoort bij een begrafenis;
 en ruw volk past niet in de huwelijksstoet.
Philostrates af
 Hippolyta, mijn zwaard dong naar jouw hand,
 en won je hart doordat het je verwondde;
 maar trouwen zal ik je in grande majeur:
 met grootse pracht en praal, uitbundigheid.
 Egeus op, en zijn dochter Hermia, en Lysander en Demetrius
EgeusGegroet Theseus, onze vermaarde Hertog!
TheseusBedankt, Egeus. Wat breng jij voor nieuws?
EgeusHet zit mij tot hier, en alles komt door haar,
 mijn kind, mijn eigen dochter Hermia.
 Kom hier, Demetrius. Mijn edele Heer,
 hìj heeft mijn toestemming om haar te trouwen.
 Kom hier, Lysander. Wel, mijn waarde Hertog,
 hìj heeft het hartje van mijn kind betoverd.
 Lysander, jij schrijft van die mooie versjes,
 ruilt kettinkjes met haar, mijn lieve kind:
 zingt in de maneschijn onder haar venster
 heel stilletjes van liefdes loze listen;
 jij hebt haar hart gestolen met vals spel,
 een lokje haar, een ring en glitterspul,
 sierspelden, bloemen, suikergoed (de boden,
 die een nog week hart vaak niet kan weerstaan):
 hoe sluw heb jij mijn dochters hart gegapt;
 van wie goed luisterde (naar mìj) heb jij
 een stijfkop en een kreng gemaakt. Stel, Hertog,
 dat zij hier, nu, waar uwe Hoogheid bij is,
 zegt niet te willen trouwen met Demetrius,
 dan eis ik op het oude Atheense recht:
 'Zij is van mij, ìk zeg waar zij zal gaan';
 en dat zal zijn ofwel naar deze heer,
 of naar haar dood, wat volgens onze wet
 in dat geval onmiddellijk gebeurt.
TheseusWel, Hermia, spreek. Wees toch verstandig, kind,
 uw vader hoort een god voor u te zijn:
 een god die ooit uw schoonheid schiep, voor hem
 bent u een vorm in was, die door zijn hand
 gestalte kreeg; hij heeft de macht, het figuurtje
 te breken, of te laten als het was.
 Demetrius is toch een zeer waardig man.
HermiaLysander ook.
TheseusOp zich heeft u gelijk;
 maar hier, zonder uw vaders instemming,
 moet u de ander zien als veel meer waard.
HermiaIk wou dat vader met mijn ogen keek.
TheseusBekijk het ook eens uit uw vaders oogpunt.
HermiaIk smeek u hierbij om vergeving, Hoogheid.
 Ik weet niet welke kracht mij vleugels geeft,
 of hoe ik het durf om hier, in al mijn eenvoud,
 voor zo'n gezelschap deze vraag te stellen,
 maar ik bid uwe Hoogheid mij te zeggen,
 wat nu het ergste is dat mij kan treffen
 als ik Demetrius mijn hand ontzeg.
TheseusDan wacht de dood, of moet u levenslang
 het gezelschap afzweren van elke man.
 Kijk, dus, naar uw jeugd en uw onstuimigheid,
 en stel vast waar uw wensen liggen, Hermia.
 Als u niet buigt voor wat uw vader kiest,
 kunt u dan wel het nonnenkleed verdragen,
 eeuwig weggestopt in een kloostergang;
 uw leven lang een dorre zuster zijn,
 die zacht bezingt de koude, kuise maan.
 Gezegend zij, die haar warmbloedigheid
 zo'n maagdelijke pelgrimstocht laat gaan;
 de roos wier blad men plukt leeft zoeter voort
 dan die, verwelkt op maagdelijke doorn,
 groeit, leeft en sterft in heilige eenzaamheid.
HermiaZo wil ik groeien, leven, sterven, Heer,
 liever dan weggeven mijn maagdelijkheid
 aan deze heer, wiens opgedrongen juk
 mijn ziel nooit als haar meerdere zal erkennen.
TheseusDenk rustig na; en bij de nieuwe maan,
 de dag, waarop het woord van eeuwige trouw
 bezegeld wordt tussen mijn lief en mij,
 bereid u op die dag voor op de dood,
 omdat u zich niet stoort aan vaders wil,
 òf het ja-woord aan Demetrius - zijn wens -,
 òf een gelofte op Diana's altaar,
 tot eeuwige onthouding, leven zonder man.
DemetriusHermiaatje, geef toe; Lysander, trek in
 jouw zwakke aanspraak op mijn zeker recht.
LysanderDemetrius, u heeft haar vaders liefde;
 laat mij die van Hermia: trouw met hem.
EgeusBelachelijk; ja, mijn liefde heeft hij;
 al wat van mij is zal mijn liefde hem geven;
 zij is van mij, en dus heb ik het recht
 om alles te vermaken aan Demetrius.
LysanderIk ben van even goede stand als hij,
 en even rijk; mijn liefde is veel grootser;
 fortuin heeft ons gelijkelijk bedeeld,
 misschien mij rijker dan Demetrius;
 maar, wat mijn mooie woorden overtreft:
 zij houdt van mij, de schone Hermia.
 Waarom mag ik niet pleiten voor mijn recht?
 Demetrius (en dit recht in zijn gezicht)
 heeft Nedars schone dochter, Helena,
 het hof gemaakt, haar hart gewonnen; nu
 dweept dat lieve kind met hem, verafgoodt hem,
 die schandelijke, trouweloze kerel.
TheseusIk moet zeggen, dat ik er wat van heb gehoord;
 ik had hem daar nog over willen spreken,
 maar eigen zaken namen mij zo in beslag:
 het is me ontschoten. Maar, Demetrius, kom;
 kom, Egeus; jullie gaan met mij mee:
 een hartig woordje wacht u allebei.
 U, schone Hermia, vind toch de kracht
 u aan te passen aan uw vaders wil;
 want anders eist de wet, die wij geenszins
 kunnen verzachten, dat u sterven moet,
 of leven in de ongehuwde staat.
 Kom, mijn Hippolyta; wat is er, lief.
 Demetrius en Egeus, kom toch mee;
 u moet iets voor mij doen voor het huwelijksfeest,
 en dan is er nog iets dat ik met u
 bespreken wil ten aanzien van uzelf.
EgeusWij volgen u dienstwillig en bereid.
Allen af, behalve Lysander en Hermia
LysanderWat is er, lief? Wat zijn uw wangen bleek?
 Hoe zijn de rozen daar zo snel verbleekt?
HermiaWellicht gebrek aan regen, die ik hun graag
 als stortvloed uit mijn ogen schenken wou.
LysanderIn elk boek dat ik ooit gelezen heb,
 in elk verhaal dat mij ooit is verteld,
 nooit vond de ware liefde een effen pad,
 't was altijd wel 'verschil van afkomst, stand' -
HermiaO ramp! Te hoog wie dienen moet zo laag.
LysanderOf 'ongepast', gezien de leeftijdskloof.
HermiaO gruw! Te oud verloofd met een, zo jong.
LysanderOf anders lag het aan de vriendenkeus.
HermiaO hel! Te minnen wie een ander kiest.
 Lysander
Of, als men met de keus akkoord kon gaan,
 dan lag wel oorlog dwars, of ziekte en dood,
 en stierf de liefde heel snel weg, als klank,
 vlood als een schaduw, was kort als een droom,
 plots als het weerlicht in koolzwarte nacht,
 dat hemel en aarde blootgeeft met één klap,
 en, vóór een mens nog zeggen kan: 'Kijk nou',
 wordt opgeslokt door gulzige duisternis.
 Zo snel vervalt het stralendste geluk.
HermiaAls ware liefde steeds zo wordt verstoord,
 dan staat het als een voorschrift in het lot.
 Onze beproeving lere ons geduld,
 daar het een kruis is dat elk mens ontmoet;
 het hoort bij liefde als zuchten, droom en pijn,
 als wens en traan, volgers van de arme min.
LysanderDat klinkt verstandig; luister, Hermia:
 ik heb een oude tante, een weduwe
 met heel wat geld, en zonder kinderen -
 haar huis staat zeven mijlen van Athene -,
 die mij behandelt als haar enige zoon.
 Daar, lieve Hermia, kan ik met je trouwen,
 want zover kan de harde Atheense wet
 ons niet vervolgen. Als je van me houdt,
 sluip morgenavond dan weg van jouw thuis;
 en in het bos, een mijl buiten de stad -
 waar wij twee samen met Helena ooit
 de ochtend van de Mei hebben gevierd -,
 daar zal ik op je wachten.
HermiaMijn Lysander,
 ik zweer bij de sterkste boog van Cupido,
 en bij zijn beste pijl met gouden hoofd,
 bij de onschuld die men tussen duiven vindt,
 bij dat wat liefde voedt en harten bindt,
 en bij het vuur dat Dido heeft verbrand,
 toen die Trojaan ontrouw werd op het strand,
 bij alle eden die een man ooit brak
 (veel meer in aantal dan een vrouw ooit sprak),
 dat op de plaats die jij van mij verwacht
 ik ongetwijfeld zijn zal, morgennacht.
LysanderHoud woord, mijn lief. En daar is Helena.
 Helena op
HermiaWelkom, schone Helena! Waarheen zo vlug?
HelenaNoemt u mij mooi? Neem dat woord maar mooi terug.
 Uw schoonheid velt Demetrius. O, Schone!
 Een leid-ster is uw oog, en zoetere tonen
 zingt u dan herder hoort van leeuwerik,
 als meidoorn uitbot en de wederik.
 Ziekte besmet; was dat met charme ook,
 ik ging pas als de uwe in mij ontlook:
 mijn oog kreeg dan uw blik, mijn oor ging krank
 dan aan uw stem, mijn tong aan zoete klank.
 Had ik heel de aarde, maar Demetrius niet,
 het was voor hem dat ik u alles liet.
 Leer mij al uw maniertjes, al uw blikken
 waarmee Demetrius zich heeft laten strikken.
HermiaIk frons afkeurend, maar zijn liefde blijft.
HelenaO Frons, leer mijn glimlach die vaardigheid.
HermiaIk geef hem standjes; hij mij liefdes zegen.
HelenaO, kon mijn bidden zulk een vlam bewegen.
HermiaHoe meer ik haat, des te meer volgt hij mij.
HelenaHoe meer ik min, des te meer haat hij mij.
HermiaDat hij verliefd is, is toch niet mijn schuld!
HelenaHet is uw schoonheid; was dat maar mijn schuld!
HermiaO, wees getroost; mij zien is van de baan;
 Lysander vlucht met mij hier snel vandaan.
 Voor ik Lysander zag, leek mij Athene
 een paradijs; dat is voorgoed verdwenen.
 O, welk een zoetheid heeft mijn lief geraakt:
 hij heeft een hemel tot een hel gemaakt!
LysanderHeleen, u zij ons volgend plan ontvouwd:
 als morgennacht Phoebe zichzelf aanschouwt,
 haar zilveren aanschijn, spiegelend op de zee,
 dauwdruppels parelend op het blad beneê,
 - geen minnaar op de vlucht wordt 's nachts gestoord -
 dan sluipen wij door de Atheense poort.
HermiaEn in het bos, daar op het bloemtapijt
 waar wij ons zo vaak hebben neergevlijd
 en spraken van de min bij ons ontloken,
 daar heb ik met Lysander afgesproken:
 en dan: vaarwel, Athene; op naar beemden
 vol nieuwe vrienden in het verre vreemde.
 Vaarwel, speelkameraad; bid voor ons bei;
 't lot brenge jou Demetrius aan je zij!
 Houd woord, Lysander; arme ogen, smacht:
 uw minnevoedsel komt pas morgennacht. Hermia af
LysanderZeker, mijn Hermia. Heleen, tot gauw;
 ik hoop: Demetrius valt ook op jou!
Lysander af.
HelenaWat trekt het lot de een toch altijd voor!
 Wij gaan voor mooisten van Athene door.
 Maar wat dan nog? Demetrius denkt van niet;
 Hij wil niet weten wat elk ander ziet.
 Wanneer hij dwaalt, geboeid door Hermia's blik,
 dan, afgod van mijn zinnen, dwaal ook ik.
 Wat laag en arm is, maar een kleinigheid,
 geeft liefde vaak weer vorm en waardigheid:
 zij ziet steeds met het hart, niet met het oog;
 dus Cupido is blind, met vleugels, boog.
 De liefde vindt een rijp beraad onjuist;
 vleugels, en blind zijn, staat voor onbesuisd.
 Daarom noemt men de Liefde vaak een kind,
 daar hij zich, kiezend, vaak bedrogen vindt.
 Zoals jongens, voor de gein, beloften breken,
 zo ziet ook Amor zijn woord vaak verbleken;
 want vóór Demetrius op Hermia viel,
 kreeg ik de stortvloed van zijn hart en ziel.
 en nog maar net verhit door Hermia's gloed,
 spatte zijn eed uiteen en smolt zijn vloed.
 Als ik hem zeg, dat Hermia vluchten gaat,
 dan snelt hij naar het woud, morgenavond laat,
 haar achterna; het is wel een dure prijs
 voor dankjewel, als ik hem daarheen wijs.
 Maar smart en heil zijn niet te duur gekocht,
 als ik hem steeds maar zien kan op zijn tocht. Af