terug naar de beginpagina de personages meer over dit stuk

Richard 2

richard 2
William Shakespeare
vertaling : Jan Jonk

Eerste bedrijf
Eerste toneel
Richard op, de Graaf van Gloucester, alleen
RichardNu, na onze winter vol gramstorigheid,
is het stralend zomer, met zo'n zon van York;
en het duister zwerk dat zwaar hing op ons Huis
ligt diep begraven in de oceaan.
Nu siert de overwinningskrans ons hoofd;
ons wapen hangt gebutst boven de haard,
ons streng 'te wapen' werd een vriendelijk woord,
ons krijgsrumoer is zoete speelmuziek.
De frons van grimme Krijg is gladgeplooid;
en nu bestijgt hij geen gepantserd paard
tot schrik en angst van wie hem tegenstreeft,
maar hupt hij in een damesslaapvertrek
op het zacht versierend spelen van een luit.
Maar ik, voor dit soort sporten niet gebouwd,
noch voor verliefde blikken in een spiegel,
ik, met mijn ruwe bouw, geen uitstraling
voor het speels lichtvoetig jongemeisjesvolk,
ik, zó wat dat betreft te kort gedaan,
qua uiterlijk bedrogen door Natuur,
misvormd, onaf - ver voor mijn tijd moest ik
de drukke wereld in, niet eens half klaar,
ik ben zo'n stuk van niks, zo zonder vorm,
dat honden blaffen, als ik langs ze hink -
ja, ik, nu het vrede is met herderszang,
heb geen zin om mijn tijd hier te verdoen,
mijn schaduw door de zon te zien verlengd,
te brommen over mijn wanstaltigheid.
En dus, omdat ik niet voor minnaar deug
- waarmee ik deez' mooie tijd bekorten kon -,
heb ik besloten schurk te zijn, en al
wat deze wereld fijn noemt te gaan haten.
Gekonkeld heb ik, vallen voorbereid,
met droomverhalen, vlugschrift, dronken praat,
om mijn broer Clarence 'n dodelijke haat
te geven voor de Koning, en die hem:
is Koning Edward even waar, oprecht,
als ik verraderlijk, gemeen en vals,
dan sluit de kring zich om Clarence vandaag
door een voorspelling, die zegt dat een 'G'
al Edwards erven moord zal brengen, wee -
duik in mijn ziel, gedachten, hier komt Clarence.
Clarence en Brakenbury op, vergezeld van bewakers

Dag, broer; waarom die wapens en die wacht
rond uw genade?
Clarence Zijne Majesteit,
bekommerd om mijn veiligheid, bepaalt,
dat ik zo naar de Tower wordt geleid.
RichardEn waarom dat?
Clarence Omdat mijn naam George is.
RichardHelaas, mijn heer, daar kunt u niets aan doen:
hij zou uw peten moeten arresteren.
Misschien is zijne majesteit van plan
u nieuw te laten dopen in de Tower.
Maar, zeg waarom, Clarence; mag ik dat weten?
ClarenceAls ik het zelf wist, Richard; maar ik verklaar,
dat ik het niet weet. Maar, naar ik hoor,
luistert hij naar voorspellingen en dromen,
en plukt uit het alfabet de letter ‘G’;
een wichelaar, zegt hij, heeft voorspeld, dat een ‘G’
zijn kinderen zou onterven, met veel wee.
Omdat mijn naam ‘George’ met een ‘G’ begint,
volgt het in zijn denken, dat ik dat ben.
Dit, naar ik hoor, en andere hersenspinsels
brachten zijne hoogheid er toe mij te pakken.
RichardZo gaat het, als de vrouw de man regeert:
de koning zendt u nu niet naar de Tower.
Mylady Grey, zijn vrouw, is het, Clarence,
die hem verleidt tot zulk een uiterste.
Was zij het niet, en die eerwaarde heer,
Anthony Woodeville, haar broeder daar,
die hem Lord Hastings naar de Tower deed sturen,
waaruit hij, juist vandaag, ontslagen is?
ClarenceEr is geen mens meer veilig, behalve dan
verwanten van de koningin, en het schuim
dat tussen hem en mevrouw Shore verkeert.
Heeft u dan niet gehoord, hoe nederig
Lord Hastings bij haar smeekte, voor zijn vrijheid?
RichardNederig bij hare godheid jammeren
kreeg de Lord Chamberlain zijn vrijheid terug.
Ik zeg u, het is meen ik voor ons zaak,
als wij de gunst des konings willen behouden,
haar dienaren te zijn, in haar livrei.
Sinds onze broer dat mens en die versleten,
jaloerse weeuw tot edelvrouwen sloeg,
zijn zij de meters van de monarchie.
BrakenburyU, edele heren, neemt u mij niet kwalijk,
maar Zijne Majesteit heeft strikt bepaald,
dat geen vertrouwelijk met zijn broer mag spreken,
van wat voor rang of stand hij ook moge zijn.
RichardDat is juist; als het u behaagt, mijn Brakenbury,
dan luister rustig mee naar dit gesprek.
Het gaat niet om hoogverraad; maar dat de Koning
wijs is en vroom, zijn nobele Koningin
niet meer echt jong is, mooi, en niet jaloers,
dat Shore’s vrouw hele mooie voetjes heeft,
een kersenmond, een lieve blik, een meer dan aangename stem,
de Koningin haar verwanten edelen maakt.
Wat zegt u, heer, ontkent u dit wellicht?
BrakenburyIk heb met dat alles niets van doen, mylord.
RichardNiets doen met mevrouw Shore? Ik zeg je, man,
wie iets met haar wil doen (behalve één)
deed dat maar het beste in het geheim, alleen.
BrakenburyWie is die een dan niet, mylord?
RichardHaar man, kerel! Had jij mij willen vangen?
BrakenburyVergeef me, uw edele, als ik u vraag,
niet meer te spreken met de nobele Hertog.
ClarenceWij kennen uw last, Brakenbury, en luisteren.
RichardVerworpen door de koningin luisteren wij.
Tot ziens, broer. Ik ga naar de Koning,
en alles wat u mij wilt laten doen -
zelfs Koning Edwards weduwe ‘zuster’ noemen - :
ik zal het doen, om u weer vrij te krijgen.
Die grove smaad mijn broeder aangedaan
raakt mij intussen dieper dan u denkt. Hij omhelst Clarence huilend
ClarenceHet is ons geen van beiden aangenaam.
RichardAch, uw gevangenschap duurt echt niet lang.
Houd ondertussen moed.
Clarence Het moet; tot ziens. Clarence, Brakenbury en wacht af
RichardGa het pad op dat u nooit terug zult gaan;
Onnozele Clarence, zo veel hou ik van jou,
dat ik je ziel heel snel naar de hemel stuur -
als de hemel dat geschenk van ons aanneemt.
Maar wie is dat? De pas ontslagen Hastings?
Lord Hastings op
HastingsEen goede morgen, mijn doorluchte heer.
RichardU evenzo, waarde Lord Chamberlain:
u bent recht welkom in de vrije lucht.
Hoe heeft u uw gevangenschap gedragen?
Hastings Geduldig, zoals gevangenen wel moeten;
Maar ik zal leven, heer, om hem te danken,
die de reden was voor mijn gevangenschap.
RichardO, ongetwijfeld; dat zal Clarence ook:
want uw vijanden zijn ook die van hem.
HastingsHoe jammer, dat de adelaar wordt gekooid,
terwijl de gier en havik vrijuit roven.
RichardIs er nog nieuws in de wereld?
HastingsGeen slechter nieuws in de wereld dan aan het hof:
de koning voelt zich ziek, zwak en zwaarmoedig,
zijn artsen maken zich om hem zwaar zorg.
RichardNou, bij Sint Jan, wat is me dat slecht nieuws.
Hij leeft ook al zo lang op zondigheid;
de koning heeft ook veel te veel gesnoept:
daaraan te moeten denken doet steeds pijn.
Waar is hij, in zijn bed?
HastingsJa.
RichardGaat u maar voor, ik volg u zo meteen. Hastings af
Het loopt af, hoop ik, maar hij mag niet eerder dood,
vóór George per extra-post ten hemel vaart.
Ik ga hem zijn haat voor Clarence nog wat aanzetten,
met leugens hard als staal en wel gegrond;
en als mijn diepste opzet niet mislukt,
leeft Clarence niet nog één dag verder meer:
dan neme God koning Edward in zijn genade,
en late de aarde aan mij om in te woelen.
Want dan zal ik Warwicks jongste dochter huwen -
haar vader en haar man heb ik gedood,
wat zou het. Ik maak het met dat kind weer goed,
als ik haar vader wordt en ook haar man,
hetgeen ik niet zozeer uit liefde wil,
maar om een ander diep verborgen doel,
dat ik door haar huwelijk bereiken zal.
Maar nu verkoop ik, voor ik de beer schoot:
nog ademt Clarence, leeft vorst Edward voort;
met die weg, zal ik eens kijken hoe het scoort. Af



Tweede toneel

Het lijk van Koning Hendrik de Zesde wordt binnengedragen, begeleid door hellebaardieren, gevolgd door Lady Anne, als rouwdraagster, vergezeld door Tressel, Berkeley en andere heren
.
AnneZet neer, zet neer, uw eerbiedwaardige last,
- hoe kan eer met een lijkwade bedekt -,
terwijl ik als een treurende beween
de plotse val van dappere Lancaster.
Arm, steenkoud aanschijn van een heilig vorst,
de bleke as van het Huis van Lancaster,
gij, bloedeloze restant van vorstenbloed:
is het wettig, uw geest op te roepen hier,
om aan te horen het weeklagen van Anne,
vrouw van uw Edward, van uw vermoorde zoon,
vermoord door hem die deze wonden sloeg.
Zie, in de vensters, waarlangs uw leven vlood,
giet ik vergeefs de balsem van mijn blik.
Vervloekt de hand die deze gaten bracht;
vervloekt het hart, dat daar het hart toe had;
vervloekt het bloed, dat bloed hieruit liet stromen.
Een gruwelijker lot treffe de onverlaat,
die ons ellendig maakt door jou te doden,
dan ik aan adders toewens, spin of pad,
elk kruipend gifgedierte dat nu leeft.
Krijgt hij ooit een kind, laat het misvormd dan zijn:
een wangeboorte, dan al goed te zien,
wiens lelijk, tegennatuurlijk uiterlijk
de blije moeder met verbijstering slaat;
laat dat het erfgoed van zijn boosheid zijn.
En heeft hij ooit een vrouw, moge zij dan
ellendiger worden door zijn dood dan ik
ben door mijn jonge echtgenoot, en jij.
Kom mee naar Chertsey met uw heilige last,
waar we hem vanuit Sint Paul begraven gaan;
wanneer de last te zwaar wordt, rust dan steeds,
dan weeklaag ik om koning Hendriks lijk.
Richard op
RichardStop, wie dat lichaam dragen, zet het neer.
AnneWelk zwarte magiër roept die duivel op,
die dit vroom christelijk werk verstoren wil.
RichardSchurken! Zet neer dat lijk, of, bij Sint Paul,
ik maak een lijk van hem die zich verzet.
Hellebaardier Ga terug staan, heer, en laat de baar er door.
RichardBeschaamde hond, blijf staan als ik beveel.
Omhoog die hellebaard, weg van mijn borst,
of, bij Sint Paul, ik sla je in het stof
en schop je, bedelaar, om je overmoed.
AnneWat, sidderen jullie? Allemaal soms bang?
Ik val u niet af, want u bent sterfelijk,
en ‘Salisbury mensen oog verdraagt de duivel niet.
Verdwijn, gruwelijke afgezant der hel!
Jij hebt slechts macht over zijn sterfelijk lijf:
zijn ziel kun jij niet hebben; dus, verdwijn.
RichardBij God, lieve heilige, vloek niet zo bars.
AnneBij God, weg, boze duivel, kwel ons niet;
jij hebt de heerlijke aarde je hel gemaakt,
vol vloeken, en jammerlijk weegeklaag.
Vind je het fijn, je wandaden te zien,
zie hier een staaltje van je slachterswerk.
Zie, heren, zie, al dode Hendriks wonden
openen hun verstarde wond en bloeden weer.
Schaam je, schaam je, vuil stuk wanstaltigheid,
want jouw aanwezigheid onttrekt dit bloed
uit lege vaten waar geen bloed meer huist:
onmens, jouw tegennatuurlijke daad
verwekt een stortvloed, even onnatuurlijk.
O God, die dit bloed schiep, O, wreek zijn dood;
O aard, die dit bloed drinkt, O, wreek zijn dood;
sla, hemel, bliksemend, die moordenaar dood,
of, aarde, open u wijd, verslind hem levend,
zoals gij het bloed zwelgt van die goede vorst,
door deze hel-gestuurde arm geslacht.
RichardMevrouw, u kent de wetten niet der liefde,
die goed voor kwaad geeft, zegening voor vloek.
AnneJij, schurk, jij kent geen wet van God of mens.
Het wildste beest kent nog barmhartigheid.
RichardMaar ik niet, en daarom ben ik geen beest.
AnneO, wonderbaar, als duivels waarheid spreken!
RichardNog vreemder, als een engel zo kwaad is.
Sta toe, gij, goddelijk volmaakte vrouw,
dat ik van alle misdaden mijzelf
punt voor punt vrijpleit, waar ik van word verdacht.
AnneSta toe, jij, pest en kwaad verspreidend man,
dat ik van duivelswerk jouw vervloekte zelf
punt voor punt aanklaag, dat al is bekend.
RichardU, schoner dan tong zeggen kan, geef mij
ruimschoots de tijd te spreken voor mijzelf.
AnneJij, bozer dan het hart denken kan, niets kan
jou vrijpleiten dan het hangen van jezelf.
RichardDie wanhoopsdaad beschuldigde mijzelf.
AnneEn die daad van vertwijfeling vergeeft
dat jij verdiende wraak neemt op jezelf
dat je anderen onverdiend de dood in joeg.
RichardWat als ik hen niet heb vermoord?
AnneDan zijn ze niet vermoord:
maar dood zijn ze, jij, duivelslaaf, door jou.
RichardIk heb hem niet gedood, uw man.
AnneDan is hij nog in leven.
RichardHij is wel dood, geveld door Edwards hand.
AnneEen grove leugen: Koningin Margaret zag
jouw moordend wapen roken met zijn bloed,
het zwaard dat jij ooit ook richtte op haar borst,
net nog verijdeld door je eigen broers.
RichardIk werd geprikkeld door haar lastertong,
die op mijn onschuldige schouders hun schuld laadde.
AnneJij werd geprikkeld door je bloedige geest,
die aan niets anders denkt dan slachtpartij.
Heb jij de Koning niet gedood?
Richard Ik geef het toe.
AnneJij geeft het toe, egel! Dan geve God,
dat jij verdoemd bent om die boze daad.
O, hij was vriendelijk en deugdzaam, zacht.
RichardGoed voor de Hemelkoning die hem heeft.
AnneHij is in de hemel, waar jij nooit zult komen.
RichardLaat hij mij danken dat ik hem er heen hielp,
daar was hij beter op zijn plaats dan hier.
AnneVoor jou is geen plaats beter dan de hel.
RichardJa, nog één plaats, als u die horen wilt.
AnneMisschien een kerker.
RichardUw slaapkamer.
AnneDe kamer waar jij ligt schenkt maar slecht rust.
RichardDat is waar, mevrouw, totdat ik naast u lig.
AnneDat hoop ik.
RichardDat weet ik. Maar, mijn lieve Lady Anne,
om vanuit dit spitsvondige woordenspel
terug te komen tot bedaarder toon:
is de aanstichter van die al te snelle dood
van Hendrik en Edward Plantagenet
niet even schuldig als de uitvoerder?
AnneJij was de oorzaak, en het vervloekt vervolg.
RichardUw schoonheid was de oorzaak van het vervolg:
uw schoonheid, die mij in mijn slaap bezocht,
dat ik de hele wereld doden zou
voor één uur leven in uw lieve hart.
AnneIk zeg je, moordenaar, als ik dat dacht,
scheurden mijn nagels het schoon van bei mijn wangen..
RichardMijn oog zou die vernieling niet verdragen:
u zou haar niet verdoen, stond ik er bij.
Zoals de wereld zich aan het zonlicht laaft,
zo ik aan haar; zij is mijn dag, mijn leven.
AnneNacht kome over jouw dag, dood over jouw leven.
RichardVervloek jezelf niet, schoonheid; jij bent beide.
AnneWas ik dat maar, om mij op jou te wreken.
RichardDit is een strijd, geheel tegen de natuur,
je wreken op de man die van jou houdt.
AnneHet is een goede strijd, met recht en rede,
mij op de moordenaar wreken van mijn man.
RichardWie jou, mevrouw, beroofde van je man,
wilde je helpen aan een betere man.
AnneBeter dan hij ademt er geen op de aarde.
RichardHij leeft, die je meer bemint dan dat hij kon.
AnneNoem hem.
Richard Plantagenet.
Anne Dat was hij toch.
RichardDezelfde naam, maar een betere natuur.
AnneWaar is hij?
Richard Hier. Zij spuwt naar hem
Waarom spuw jij naar mij?
AnneWas het maar dodelijk vergif voor jou.
RichardNooit kwam vergif uit een zo lieve plaats.
AnneNooit hing vergif aan een zo vieze pad.
Weg, uit mijn ogen! Je maakt mijn blik ziek.
RichardJouw blik, Lady, deed mijn ogen ontsteken.
AnneWas het maar een basilisk, die jou dood sloeg.
RichardWas dat maar zo, dan stierf ik hier gelijk;
want nu hij doodt, wordt ik een levend lijk.
Jouw oog onttrok het mijne zilte tranen,
bracht het mijne schaamte met wat kleuterdruppels;
deze ogen, nooit vol tranen om verlies,
niet, toen mijn vader York en Edward huilden
om Rutlands jammerkreet, toen over hem
Clifford met donkere blik zijn zwaard verhief;
noch, toen jouw dappere vader als een kind
het droef verhaal bracht van mijn vaders dood,
herhaaldelijk huilde en snikte, stoppen moest,
- al wie het hoorde had de wangen nat,
als bomen, beregend. Tijdens die rouw
weerhield mijn mannenoog een laffe traan,
en wat die smart toen niet naar buiten kreeg
vermocht uw schoonheid, maakte het blind van tranen.
Nooit heb ik vriend of vijand iets gesmeekt:
mijn tong heeft nooit één vleiend woord geleerd;
maar nu jouw schoonheid als prijs wordt gesteld,
smeekt mijn trots hart, en reikt mij woorden aan. Zij kijkt hem honend aan
Leer je mond niet zo’n hoon; hij werd gemaakt
niet om te smalen, Lady, maar te kussen.
Als jouw wraakzuchtig hart niet kan vergeven,
dan leen ik jou dit scherp gepunte zwaard;
drijf het maar gauw in deze trouwe borst,
en laat de ziel uit die jou zo bemint,
ik ontbloot haar voor de dodelijke slag,
en smeek je op mijn knieën om de dood.
Hij knielt; hij ontbloot zijn borst; zij steekt het zwaard
naar hem uit.
Wacht niet, - ik heb koning Hendrik gedood -
maar het was jouw schoonheid die mij daartoe drong.
Stoot toe, - ik stak de jonge Edward dood -
maar het was jouw hemels aanschijn dat mij dreef. Ze laat het zwaard vallen
AnneSta op, huichelaar; al zag ik je graag dood,
toch wens ik niet dat ik jouw beul zal zijn.
RichardVraag dan, dat ik mijzelf dood, en ik doe het.
AnneDat heb ik al.
Richard Maar, ja, toen was je kwaad:
zeg het nog eens, en terstond zal deze hand,
die uit liefde voor jou doodde wie jij liefhad,
veel trouwere liefde doden om jouw liefde;
aan beider dood ben jij dan medeplichtig.
AnneHoe graag kende ik jouw hart.
RichardDat ligt hier op mijn tong.
AnneIk vrees dat beide vals zijn.
RichardDan is geen man oprecht.
AnneNu goed, steek eerst uw zwaard maar weg.
RichardZeg dat je vrede sluit.
AnneDat hoor je wel hierna.
RichardHeb ik dan hoop op leven?
AnneIk hoop dat elk zo leeft.
RichardWil deze ring dan dragen.
AnneOntvangen is niet geven.
RichardZie hoe mijn ring jouw vinger hecht omsluit:
zo ook omvat jouw borst mijn arme hart;
draag beide dan, want beide zijn van jou.
En als jouw arme, toegenegen dienaar
jouw genadige hand één gunst kan afsmeken,
verzeker je zijn eeuwige geluk.
AnneWelke dan?
RichardLaat, alstublieft, deze zo droeve taak
aan wie de meeste redenen heeft tot rouw,
en keer terstond terug naar Crosby-hof,
waar ik u, nadat ik deze nobele vorst
in het Chertsey klooster plechtig heb begraven,
en het graf besproeid met tranen van berouw,
bezoeken zal met de gepaste eerbied.
Wilt u, om redenen u onbekend,
mij deze gunst verlenen.
AnneUit heel mijn hart, en het verheugt mij zeer,
te zien, dat u berouw gekregen hebt.
Tressel en Berkeley, kom met mij mee. Tressel en Berkeley, met Anne, af
RichardHeren, neem het lichaam op.
HerenNaar Chertsey, edele heer?
RichardNee, naar Whitefriars; wacht daar op mijn komst. Heren en Hellebaardiers met het lijk af
Werd ooit een vrouw met zoveel vuur gevrijd?
Werd ooit een vrouw met zoveel vuur gewonnen?
Ik zal haar krijgen, maar haar niet lang houden.
Wat! Ik, die haar man gedood heb en zijn vader,
haar vangen in het felste van haar haat,
haar mond vol vloeken, haar ogen betraand,
bij het bloedend lijk, getuige van haar haat,
met God, met haar geweten, alles tegen, -
ik, zonder vrienden die mijn aanzoek steunen
dan huichelende blikken en de bare duivel, -
ik win haar toch - de wereld tegen niets!
Ha!
Denkt zij al niet meer aan die dappere vorst,
Edward, haar heer, die ik, drie maand gelee,
in wilde drift bij Tewkesbury heb gedood?
Geen minzamer, geen aardiger edelman,
door de Natuur bedeeld met alles wat zij had,
jong, dapper, wijs en beslist koninklijk,
geeft ons de hele wereld nimmer meer.
En toch wenst zij haar blik op mij verlagen,
die deze lieve vorst knakte in zijn bloei,
en haar tot weduw’ maakte in het droeve bed.
Op mij, wiens al het niet haalt bij Edwards helft.
Op mij, die hinkt en zo wanstaltig is?
Mijn hertogdom tegen een arme stuiver,
dat ik me steeds vergist heb in mijzelf.
Al kan ik het zo niet zien, zowaar ik leef,
zij houdt mij voor een wonderknappe man.
Ik moet beslist nu naar een spiegel uitzien,
en twintig kleermakers in dienst nemen
om kleren te ontwerpen die mij staan:
nu ik bij mezelf weer iets in achting stijg,
zal het mij een zorg zijn als dat ook wat kost.
Maar eerst het graf in met die kerel ginds,
en dan, heel treurend, naar mijn liefje terug.
Schijn, schone zon, tot ik een spiegel koop,
dat ik mijn schaduw zien kan, als ik loop. Af



Derde toneel

Koningin Elizabeth op, Lord Rivers, Lord Grey en de Markies van Dorset

Rivers Houd moed, mevrouw, zijne Majesteit zal snel
weer zo gezond zijn als hij vroeger was.
GreyAls u bezorgd bent, maakt dat hem nog slechter.
Toon u, om Gods wil, daarom welgemoed,
en beur hem op door een opgewekte blik.
ElizabethAls hij dood ging, welk onheil zo mij treffen?
GreyNiets ergers dan dat u zó’n man verliest.
ElizabethHet verlies van zo een man omvat al het onheil.
GreyGod heeft u met een wakkere zoon gezegend,
die u zal troosten, als hij is gegaan.
ElizabethHij is jong, en, ach, zolang hij jeugdig is,
wordt hij aan Richard Gloucester toevertrouwd,
een man die mij niet mag, en geen van u.
Rivers Is er bepaald, dat hij Protector wordt?
ElizabethHet is besloten, maar nog niet bepaald;
maar zo gaat het, wanneer de Koning valt.
Buckingham en Stanley, Graaf Derby, op
GreyHier zijn de graven Buckingham en Derby.
BuckinghamWij wensen uwe Hoogheid goede morgen.
StanleyGod geve uw majesteit weer vreugd als vroeger.
ElizabethGravinne Richmond, waarde Heer van Derby,
zegt vast geen ‘amen’ op uw goede wens;
maar, Derby, ook al is zij dan uw vrouw
en mag ze mij niet zo, weet, dat ik u
niet haat om al haar opgeblazenheid.
StanleyIk smeek u, hecht toch geen geloof aan al
wat lastertongen van haar kwaadspreken,
of, als men haar terecht van iets beschuldigt,
beschouw het dan als haar zwakheid, die veeleer
door een ziekte komt, en niet op kwaad gestoeld is.
Rivers Heeft u de vorst vandaag gezien, Heer Derby?
StanleyGraaf Buckingham en ik zijn net terug
van een bezoek aan zijne majesteit.
ElizabethEn, heren, is er uitzicht op herstel?
BuckinghamGoede hoop, mevrouw; hij is heel opgewekt.
ElizabethGod sterke hem. Nog iets met hem besproken?
BuckinghamZeker; hij wenst, dat er verzoening komt
tussen de Hertog Gloucester en uw broers,
en tussen hen en mylord Chamberlain;
en heeft hen naar zijn kamer laten komen.
ElizabethKwam het al maar goed - maar dat zal nooit meer zijn;
het geluk straalt ons, vrees ik, het felste toe.
Richard op en Hastings

Richard Zij doen mij onrecht, en dat duld ik niet!
Wie heeft er bij de Koning zo geklaagd,
dat ik haatdragend ben en hen niet mag?
Zij tonen, bij Sint Paul, maar weinig liefde,
die hem met zulke praatjes de oren vullen.
Omdat ik niet kan vleien, mooi kan praten,
glimlachen, stroopsmeren, aaien en kruipen,
op zijn Frans knippen, hoffelijk als een aap,
ziet men mij voor een bittere vijand aan.
Kan een gewoon mens niet heel vreedzaam leven,
maar moet zijn eerlijk hart zo fel bespot
door zijige, sluwe, stokende janhagel.
GreyTot wie in deze groep richt zich uw Genade?
RichardTot jou, die eerlijkheid noch deugd bezit.
Wanneer heb ik jou gewond? Of jou gekrenkt?
Of jou? Of jou? Of wie ook van jullie groep?
Krijg allemaal de pest maar! Zijne Hoogheid
(die God beter behoudt dan u zich wenst),
heeft nauwelijks nog rust om te ademen,
zoals u hem met lage klachten lastig valt.
ElizabethBroer Gloucester, u ziet deze zaak verkeerd:
de Koning laat, gedreven door zichzelf,
en niet door andere klagers aangezet,
vast met het oog op de wrok in uw hart,
die zich naar buiten toont door uw gedrag
jegens mijn kinderen, broeders en mijzelf,
u bij zich roepen, opdat hij het waarom
van uw haat hoort, en daaraan iets kan doen.
RichardDat weet ik niet; de wereld is te slecht,
de roodborst rooft, waar de adelaar zich niet waagt.
Sinds alle schooiers edellieden werden,
zijn er heel wat edelen die schooier zijn.
ElizabethWe weten wel wat u bedoelt, broer Gloucester.
Het steekt u, dat ik, met vrienden, ben bevorderd.
God geve, dat wij u nooit nodig hebben.
RichardGod geeft nu, dat wij u zeer nodig hebben:
door uw toedoen is onze broer gekerkerd,
lig ik in ongenade, wordt de adel
zeer geminacht, terwijl er dagelijks
zeer hoge posten worden uitgedeeld
aan wie gisteren nog niet één nobel waard was.
ElizabethBij Hem, die mij uit mijn tevredenheid
tot deze bange hoogte heeft verheven,
ik heb zijne Majesteit nooit opgezet
tegen de Hertog Clarence, maar ben steeds
zijn pleitbezorger en voorspraak geweest.
Mylord, u doet mij smadelijk onrecht aan,
mij te betrekken in uw laag verdenken.
RichardU kunt ontkennen, dat het niet door u kwam,
dat Lord Hastings in de gevangenis zit.
Rivers Dat kan ze zeker, mylord, want -
RichardDat kan, Lord Rivers; ach, wie weet dat niet?
Ze kan nog meer dan dat ontkennen, heer:
ze kan u helpen aan een vette post,
en dan ontkennen dat ze er iets voor deed,
en stellen dat het uw verdienste was.
Wat kan zij niet? Ze kan - trouwens, zij kan -
Rivers Wat, kan zij trouwen?
RichardWat kan zij trouwen? Trouwen met een vorst;
een vrijgezel, een knappe jongeling:
uw grootmoeder deed niet zo’n beste keus.
ElizabethMylord Gloucester, al veel te lang verdraag ik
uw ruwe schelden en uw bittere spot;
bij de hemel, ik meld zijne Majesteit,
wat ik aan grofheid van u dulden moet.
De oude Koningin Margaret op

Veel liever was ik dienstmaagd op het land,
dan een grote koningin met dit beding,
mij zo te laten honen, smaden, spotten:
het is niet erg leuk, Engelands vorstin te zijn.
Margaret[Terzijde] Ik bid God, dat dat niet erg nog minder wordt:
mij komt jouw eer en troon en staatsie toe.
RichardDreigt u mij nu, dat u het de Koning zegt?
zeg het hem, houd u niet in: al wat ik zei
dat zal ik voor de Koning staande houden:
ik durf het te wagen, al wacht mij de Tower;
het is sprekenstijd; mijn pijn doet niet meer zeer.
MargaretJij, duivel! Ik voel die nog al te goed:
jij doodde mijn man Hendrik in de Tower,
en Edward, mijn arme kind, bij Tewkesbury.
RichardVoor u vorstin was, voor uw man nog koning,
was ik een pakpaard van zijn grootse plannen;
verdelger van zijn trotse tegenstanders;
een ruimhartig beloner van zijn vrienden:
ik verspilde bloed, dat hij koning werd.
Margaret[Terzijde] Ja, veel beter bloed, dan van hem of jou.
RichardEn al die tijd trok u en uw man, Grey,
partij steeds voor het huis van Lancaster:
en ook u, Rivers. Viel uw echtgenoot niet
bij Saint Albans in Margaretha’s slag?
Laat mij het u herinneren, als u het bent vergeten,
wat u hiervoor was, en wat u nu bent;
ook, wat ik ben geweest, en wat ik ben.
Margaret[Terzijde] Een schurk, een moordenaar; en dat nog steeds.
RichardClarence verliet zijn vader Warwick ooit,
ja, brak zijn eed - wat Jezus hem vergeve -
Margaret[Terzijde] En moge God dat straffen.
Richard... voor Edward te gaan vechten voor de kroon:
als loon is de arme heer nu opgesloten.
God, was mijn hart van steen als dat van Edward,
of dat van Edward zacht als dat van mij.
Ik ben te kinds-goedhartig voor deze wereld.
Margaret[Terzijde] Hup, schaam je in de hel, verlaat deze wereld,
jij boze geest: daar is jouw koninkrijk.
Rivers Mylord Gloucester, in die zo drukke tijd,
waar u op wijst, opdat wij vijand zijn,
toen volgden wij de vorst, de soeverein:
zo zouden wij u, als u koning was.
RichardIk koning zijn? Dan liever marskramer!
Zelfs daaraan denken, ligt heel ver van mij.
ElizabethZo weinig vreugde, heer, als u verwacht
indien u koning zijn zou van dit land:
zo weinig vreugde, ja, geloof mij maar,
heb ik, al ben ik zelf de Koningin.
Margaret[Terzijde] Hoe weinig vreugde vindt de Koningin:
want dat ben ik, en ik ken heel geen vreugd.
[Te voorschijn tredend]
Hoor, ruziënde piraten, in uw strijd
bij het delen van wat u mij hebt geroofd:
Wie van u siddert niet, die mij hier ziet,
zo niet als onderdaan voor uw koningin,
dan als rebel voor wie u hebt afgezet.
Ha, fijne schurk, wend je gezicht niet af.
RichardJij, rimpelheks, wat doe jij voor mijn ogen?
MargaretIk kom hier spreken van jouw euveldaden:
dat doe ik hier, voordat ik je laat gaan.
RichardBen jij hier niet op straf des doods verbannen?
MargaretDat is juist, maar, ja, verbanning doet meer pijn
dan dat dood geven kan als ik hier blijf.
Jij bent mij een man schuldig, en een zoon;
en jij een koninkrijk; u allen trouw.
Het leed dat ik draag is rechtens dat van u,
de vreugden die u roofde zijn van mij.
RichardDe vloek die vader uitsprak over jou,
toen jij zijn strijdhoofd kroonde met papier,
en met jouw hoon zijn oog tot stromen dwong,
en het toen droogde met een doek, gedoopt
in het onschuldig bloed van mooie Rutland -
zijn vloeken toen, jou toegeslingerd ooit
uit bitterheid, zijn op jou neergekomen,
en God, niet wij, vergeldt jouw bloedige daad.
ElizabethGod is gerecht, hij wreekt onschuldigen.
HastingsDie baby doden was het gruwelijkst,
het wreedste dat op aarde ooit is gehoord.
Rivers Toen het hen verteld werd huilden zelfs tirannen.
DorsetGeen mens die daarvoor niet Gods wraak voorspelde.
Buckingham Northumberland die het zien moest huilde tranen.
MargaretWat? Was u al aan het hakken voor ik kwam,
klaar om elkander naar de strot te vliegen,
en keert u al uw haat nu tegen mij?
Had Yorks gevreesde vloek zo’n macht bij God,
dat Henry’s dood, dat mijn lieve Edwards dood,
het verlies van hun rijk, en dat mijn verbanning
de boete is voor dat vervelend jong?
Dringt een vloek door de wolken heen ten hemel?
Laat, grauw zwerk, dan mijn zwaar vervloeken door:
door brassen, niet in krijg sterve uw Koning,
zoals door moord de onze, om hem te kronen.
Edward, jouw zoon, de nieuwe Prins van Wales,
voor Edward, mijn zoon, eerder Prins van Wales,
hij sterve jong, door net zo’n gruweldaad.
Jij, koningin, voor mij, die dat ooit was,
overleef je rijk, als ik, onzalige:
beween in ouderdom je kinderen, dood,
en zie een ander, zoals ik jou nu,
getooid met jouw recht, zoals jij met het mijne;
lang voor jij sterft, sterve je groot geluk,
en sterf, na veel uren van smart en pijn,
geen moeder, vrouw, of Engelands Koningin.
Rivers en Dorset, jullie waren erbij,
ja, en jij ook, Lord Hastings, toen mijn zoon
bloedig werd doorstoken. Ik smeek tot God,
dat geen van jullie zijn tijd uit kan leven,
maar u een plots onheil wegrukken zal.
RichardStop je bezwering, uitgezakte heks.
MargaretMet niets voor jou? Blijf, hond, want luisteren zal je.
Als de hemel nog een ramp op voorraad heeft
groter dan die ik jou toewensen kan,
laat zij die houden tot je zonden rijp zijn,
en hun gramstorigheid dan neersmijten
op jou, die de vrede op aarde verstoort.
Worm wroeging knage eeuwig aan je ziel;
verdenk je vriend voor het leven van verraad,
en noem een aartsverrader beste vriend;
geen slaap sluite dat dodelijk oog van jou,
tenzij die jou gaat folteren met een droom
vol gruwelijke duivels uit de hel.
Behekst, wanstaltig wezen, wroetend zwijn,
jij, die door jouw geboorte bent bestempeld
als slaaf van de Natuur, als zoon der hel;
jij, schandvlek van je moeders droeve schoot,
verfoeide wanvrucht van je vaders lendenen,
jij, vod van eer, jij, diep verachte -
RichardMargaret!
Margaret Richard!
Richard Hé!
Margaret Ik riep je niet.
RichardO, neem mij dan niet kwalijk, want ik dacht,
dat jij mij al die bittere woorden toeriep.
MargaretDat deed ik wel, maar een antwoord hoef ik niet.
O laat mij nu mijn vloek ten einde brengen.
RichardDat zal ik doen; het eindigt op ‘Margaret’.
ElizabethDaarmee spreek jij een vloek tegen jezelf.
MargaretWassen vorstin, valse opsmuk van mijn lot:
wat strooi jij suiker op die bolle spin,
wiens dodelijk web jou rondom heeft gestrikt?
Dwaas, dwaas; jij wet het mes dat je zal doden.
Eens komt de dag, dat jij mij naast je wenst,
om die gebulte gifpad te vervloeken.
Hastings Waanprofetes, breek af die dolle vloek,
dat ons geduld je niet te schade komt.
MargaretSchande op u allen, want het mijne is op.
Rivers Wie u uw plicht leerde, diende u goed.
MargaretOm mij te dienen, dat ware uw plicht:
weet, ik regeer, u bent mijn onderdanen.
O, dien mij goed, en leer uzelf die plicht.
DorsetTwist niet met haar; ze is niet goed bij haar hoofd.
MargaretStil, jonge markgraaf: u bent flink brutaal;
uw versgemunte rang is pas in omloop.
O, wist de jonge adel wat het is,
die kwijt te raken en in smart te leven.
Wie hoog staat wordt door menige storm geschud,
en als hij valt, spat hij in stukken uiteen.
RichardEen goede raad! Luister daarnaar, markgraaf.
DorsetDat slaat op u, mylord, net zo als mij.
RichardVeel meer; maar ja, ik werd zo hoog geboren:
in cedertoppen zit ons haviksnest;
het dartelt met de wind, trotseert de zon.
MargaretEn maakt zo’n zon tot duister, ja; zie dat,
mijn zoon, nu in de schaduw van de dood,
wiens flonkerstralen jouw zo duistere wraak
in eeuwige duisternis omsluierd heeft.
Uw broedsel huist nu in ons haviksnest;
O God, die dat ziet, laat het toch niet toe:
laat wat bloed won, in bloed verloren gaan.
BuckinghamStil, schaam u toch, dat is niet christelijk.
MargaretKom mij niet aan met schande of christelijkheid:
onchristelijk hebben jullie mij behandeld,
en schandelijk hebt u mijn hoop geslacht.
Woede is mijn christelijkheid, mijn leven schande;
en in die schande leve mijn woede eeuwig.
BuckinghamHoud op, houd op!
MargaretDoorluchte Buckingham, ik kus je hand,
ten teken van vriendschap en van verbond:
het ga jou en je nobele Huis steeds goed;
jouw kleding is niet met ons bloed bespat,
jij valt buiten het bereik van mijn vervloeking.
BuckinghamMaar iedereen toch hier; geen vloek reikt verder
dan tot de lippen van wie hem lucht doet zijn.
MargaretIk ben overtuigd dat die ten hemel stijgen
en daar God wekken uit zijn vredige rust.
O, Buckingham, pas op die hond daarginds!
Wanneer hij kwispelt, bijt hij; en, bijt hij,
dan woedt zijn giftand door tot aan de dood.
Heb niets met hem te doen; pas op voor hem;
getekend is hij met hel, zonde, dood,
en al hun dienaars zijn in zijn gevolg.
RichardWat zegt zij daar, mylord van Buckingham?
BuckinghamNiets waar ik echt op let, genadig heer.
MargaretWat, hoon jij mij voor mijn vriendelijk advies,
aai jij de duivel waar ik je voor waarschuw?
Denk hier een andere keer maar eens aan terug,
als hij jouw hart met smart in tweeën splijt,
en zeg dan, die arme Margaret heeft het voorspeld.
Leef, elk van u, aan zijn haat onderworpen,
hij aan de uwe, en allen aan die van God. Af
BuckinghamMij rijst het haar ten berge bij haar vloeken.
Rivers Het mijne ook; wat loopt zij nog vrij rond?
RichardIk wijs haar niets na; want, bij Gods heilige moeder,
zij heeft te veel geleden; en ik heb spijt
van mijn deel dat ik haar heb aangedaan.
ElizabethIk heb haar niets misdaan, zover ik weet.
RichardU hebt de vruchten van haar leed geplukt.
Ik was te vurig om iets goeds te doen
voor iemand die daar nu te koel van denkt;
en ja, wat Clarence deed wordt goed betaald:
men sluit hem in een hok, en mest hem vet.
Moge God vergeven wie daar schuld aan hebben.
Rivers Een deugdzaam en diep-christelijk besluit,
te bidden voor wie ons gepijnigd hebben.
RichardZo doe ik steeds - [Spreekt tot zichzelf] en steeds met goede reden;
vervloekte ik nu, dan had ik mijzelf vervloekt.
Catesby op
CatesbyMevrouw, zijne Majesteit vraagt of u komt,
en uwe Hoogheid ook, en u, mylords.
ElizabethIk kom, Catesby. Heren, komt u dan mee?
Rivers Wij volgen uwe hoogheid. Allen af, behalve Richard
RichardIk doe het kwaad, en roep het eerst om wraak:
ik heb het kwaad heimelijk in gang gezet
en leg het als zware last op andere schouders.
Clarence, die ik zelf in duisternis liet werpen,
beween ik bij die vele onnozele halzen,
zoals bij Derby, Hastings, Buckingham;
zeg hen, dat de Vorstin en haar trawanten
de Koning ophitsen tegen mijn broer.
Ze geloven dat, en zetten mij dus aan
tot wraak op Rivers, Dorset en op Grey.
Zuchtend houd ik dan een Bijbeltekst hen voor,
en zeg dat God ons goed doen vraagt voor kwaad:
en zo bekleed ik steeds mijn naakte boosheid
met vodden die ik steel uit de Heilige Schrift,
en lijk ik heilig, waar ik de duivel speel.
Twee moordenaars op

Maar stil, dat zijn mijn beulen, die ik daar zie.
Wel, dappere, stoute, vastberaden makkers;
zijn jullie klaar om het klusje op te knappen?
1e MoordenaarJa, edele heer, en komen om de volmacht,
die ons toegang verschaft tot waar hij is.
RichardGoed dat je het zegt; die heb ik ergens hier.
Kom, als u het hebt gedaan, naar Crosby-hof -
wat ik nog zeggen wil, doe uw beulswerk snel,
wees onverbiddelijk: laat hem niet aan het woord,
want Clarence praat heel vlot, en kan misschien
jullie hart vermurwen, als je naar hem luistert.
2e MoordenaarGeen zorg, mylord, we staan daar niet te kletsen.
Wie praat, werkt slecht; wees er van overtuigd,
de handen gaan aan het werk, niet onze tong.
RichardEen dwaas huilt tranen, jullie molenstenen.
Ik mag jullie wel: en nu meteen aan het werk.
Kom, opschieten.
Beiden We gaan al, edele heer. Allen af



Vierde toneel

Clarence en bewaker op
BewakerWat ziet u er vandaag bedrukt uit, hoogheid.
ClarenceO, ik heb een vreselijke nacht gehad,
vol enge dromen, gruwelijke beelden;
zo waar ik een gelovig Christen ben,
ik zou niet graag nog eens zo’n nacht doorstaan,
nog voor geen wereld vol aan blije dagen,
zo akelig, zo angstig de hele tijd.
BewakerWat droomde u dan, mylord? Vertel het mij.
ClarenceIk dacht dat ik uit de Tower was ontsnapt,
en op een schip zat naar Bourgondië;
mijn medepassagier was mijn broer Gloucester,
die me uit mijn hut lokte voor een wandeling
aan dek; we keken richting Engeland,
en spraken van de duizend zware tijden
uit de oorlog tussen York en Lancaster
die wij hadden verduurd. Bij het wandelen
op het gladde dek, dacht ik, gebeurde het plots,
dat Gloucester struikelde, en in zijn val
mij, die hem vast wilde houden, overboord
stootte, in het woeste water van de zee.
O God! Hoe pijnlijk leek verdrinken mij;
het klotsend water, akelig in mijn oor;
het gezicht van grimme dood vlak voor mijn oog!
Ik zag, dacht ik, wel duizend griezelwrakken;
tien duizend man door vissen aangeknaagd;
goudklompen, reuzenankers, hopen parels,
onschatbare stenen, kostbare juwelen,
verspreid over de bodem van de zee.
Er lagen er in schedels, en in het gat
waar eens de ogen huisden, zaten nu
- ten spot haast van de ogen - flonkerstenen,
die het glibberig slijk der diepten tegenlonkten,
en lachten om het gebeente daar verspreid.
BewakerHad u de tijd dan toen u sterven ging
die geheimen van de diepte te bezien?
ClarenceZo leek het mij; en vaak probeerde ik
de geest te geven, maar de nijdige zee
weerhield mijn ziel, wou haar niet laten gaan
naar de open ruimte van de vrije lucht,
maar deed haar stikken in mijn borst die hijgde
en bijna barstte om haar in zee te braken.
BewakerSliep u met deze zware doodsstrijd door?
ClarenceMijn droom liep na mijn leven verder door.
Toen brak de storm pas echt los in mijn ziel:
mij bracht, meen ik, over de sombere stroom
de norse veerman van wie dichters schrijven
naar het koninkrijk van eeuwigdurende nacht.
De eerste die mijn vreemde ziel daar groette
was mijn roemruchte schoonvader, graaf Warwick,
die luide sprak: ‘Wat straf voor laag verraad
heeft het duister rijk klaar voor die valse Clarence?’
Daarmee verdween hij. Toen zweefde er een schim
als van een engel langs, met lichtend haar
bevlekt met bloed; en hij schreeuwde het uit:
‘Clarence is hier: valse verrader Clarence,
die mij in het veld bij Tewkesbury doorstak!
Grijp hem vast, Furies! Sleep hem naar de folter!’
Dan vloog een legioen boosaardige duivels
rondom mij heen, en piepte in mijn oor,
zo akelig, dat ik, met dat geluid,
rillend ontwaakte, en nog een hele tijd
alleen maar denken kon dat ik in de hel was,
zo gruwelijk-indrukwekkend was mijn droom.
BewakerGeen wonder, heer, dat u beangstigd was;
ik word al bang, vind ik, als u het vertelt.
ClarenceBewaker, ach, wat ik daar allemaal deed,
dat nu tegen mijn eigen ziel getuigt,
deed ik voor Edward; waar is nu mijn loon?
God, als mijn bidden u niet gunstig stemt,
maar gij mijn misdaden toch wreken wilt,
dan richt uw wrake slechts op mij alleen;
spaar mijn onschuldige vrouw, mijn arme kinderen.
Bewaker, blijf wat bij me, alsjeblieft:
ik wil graag slapen, maar mijn ziel is bang.
BewakerDat doe ik, heer; God geve uw hoogheid rust.
Brakenbury, de plaatsvervanger, op
BrakenburyLeed stoort de tijd van waken en van rusten,
maakt nacht tot ochtend, en de middag nacht.
Een vorst kent slechts als heerlijkheid zijn titel,
uitwendige glans voor inwendig gezwoeg;
voldoening die men hem toedicht kent hij niet;
vaak drukt een wereld zorgen hem terneer:
zodat zijn hoge stand van lage naam
in niets verschilt dan in een ijdele faam.
De twee moordenaars op
1e MoordenaarHé, wie is daar?
BrakenburyWat wil jij, kerel? En hoe kwam jij hier?
2e MoordenaarIk wou met Clarence spreken, en ik kwam hier te voet.
BrakenburyWat, zo kortaf?
1e Moorden. Dat is beter dan langdradig. Laat hem onze opdracht zien, en geen gepraat. Brakenbury leest
BrakenburyHier staat dat ik de edele Hertog Clarence
volgens bevel u overhandigen moet.
Ik vraag niet, wat hiervan de bedoeling is,
want voor dat doel wil ik onschuldig zijn.
Hier zijn de sleutels, en daar slaapt de Hertog.
Ik ga de Koning nu direct berichten,
dat ik mijn ambt zo aan u overdroeg.
1e Moorden. Gaat u maar, kerel; dat is heel wijs. Tot ziens. Brakenbury en Bewaker af
2e MoordenaarNou, zal ik hem doorsteken, terwijl hij slaapt.
1e MoordenaarNee, dan zegt hij dat het een laffe daad was, als hij wakker wordt.
2e MoordenaarMaar, hij wordt toch pas wakker bij het Laatste Oordeel.
1e MoordenaarNou, dan zegt hij dan, dat we hem in zijn slaap hebben doorstoken.
2e MoordenaarDat je dat ‘Oordeelsdag’ heb gezegd, heeft bij mij een soort gewetensangst opgeroepen.
1e MoordenaarWat, ben je bang?
2e MoordenaarNiet om hem te doden - er ligt een bevel - maar om verdoemd te worden voor moord; daartegen kan geen bevel mij verdedigen.
1e MoordenaarIk dacht dat jij vast besloten was geweest.
2e MoordenaarDat ben ik nu ook - om hem te laten leven.
1e MoordenaarIk ga wel terug naar de Hertog van Gloucester en vertel het hem.
2e MoordenaarO, alsjeblieft, blijf nog even hier: ik hoop dat deze vergevingsgezindheid van mij bijtrekt. Tot nu toe houdt het altijd maar twintig tellen aan.
1e MoordenaarHoe voel je je nou?
2e MoordenaarEr zit nog een klein beetje bezinksel geweten hier binnenin mij.
1e MoordenaarDenk aan onze beloning, als de daad gedaan is.
2e MoordenaarVerdomd, hij sterft! Ik had die beloning vergeten.
1e MoordenaarWaar is je geweten nou dan?
2e MoordenaarO, in de beurs van de Hertog van Gloucester.
1e MoordenaarAls hij zijn beurs opent om ons te betalen, dan vliegt jouw geweten eruit?
2e MoordenaarDat geeft niets; laat het maar gaan. Er zijn er maar weinig, of geen, die het bij zich willen laten wonen.
1e MoordenaarMaar, als het eens bij jou terugkwam?
2e MoordenaarDan wil ik er niets mee te maken hebben; het maakt een man tot lafaard. Een man kan niet stelen, of het beschuldigt hem; een man kan niet vloeken, of het valt hem in de rede; een man kan niet naast zijn buurvrouw liggen, of het verraadt hem. Het is een beschaamde, blozende geest, die oproer stookt in zijn hart. Het vult een man vol zwarigheid; ik heb door zijn schuld eens een beurs vol goud teruggegeven, die ik toevallig gevonden had. Het maakt een man die ermee geplaagd wordt tot een bedelaar; het wordt uit steden en dorpen verdreven als iets gevaarlijks; en iedereen die een goed leven wil hebben verlaat zich het liefst op zichzelf, en probeert zonder dat ding te leven.
1e MoordenaarVerdomd, het trekt me net bij de mouw, en probeert me over te halen de hertog niet om te brengen.
2e MoordenaarStop de duivel in je hoofd, en geloof hem niet: die wil zich alleen bij je indringen om je aan het zuchten te krijgen.
1e MoordenaarIk ben sterk van natuur; mij krijgt hij er niet onder.
2e MoordenaarGesproken als een flinke kerel die zijn reputatie eer aan doet! Kom, zullen we aan het werk?
1e MoordenaarSla hem op zijn bolle kop met het gevest van je zwaard en smijt hem dan in het malvezijvat hiernaast.
2e MoordenaarWat een voortreffelijk idee! Dan maken we een sopje van hem.
1e MoordenaarStil, hij wordt wakker.
2e MoordenaarSlaan!
1e MoordenaarNee, eerst een praatje met hem maken.
ClarenceWaar ben je, bewaker? Geef me een beker wijn.
2e MoordenaarU zult zo direct wijn genoeg hebben, mylord.
ClarenceGrote goden, wie ben jij?
2e Moordenaar Een man, zoals u.
ClarenceMaar niet als ik, een koningszoon.
1e MoordenaarU niet als wij, trouw aan de troon.
ClarenceJe stem is donder, maar je blik is schuw.
1e MoordenaarMijn stem is van de vorst, mijn blik van mij.
ClarenceHoe duister, en hoe dodelijk spreek je daar.
Jullie ogen dreigen mij; waarom zo bleek?
Wie zond je hierheen? Waar kom je voor?
BeidenOm - om - om -
Clarence Mij te doden?
Beiden Ja, ja.
ClarenceJe hebt nauwelijks het hart me dat te zeggen,
dus kun je het hart niet hebben het te doen.
Waarmee, mijn vrienden, heb ik je gekrenkt?
1e MoordenaarOns hebt u niets gedaan, maar onze koning.
ClarenceHij zal zich weer met mij verzoenen gaan.
2e MoordenaarNooit weer, mylord; bereid u op de dood.
ClarenceKoos men jullie uit de hele mensheid uit
om onschuld te vermoorden? Wat heb ik misdaan?
Waar is de bewijslast waaruit ik schuldig blijk?
Waar is het onderzoek der wet, dat zijn bevinden
de rechter, fronsend, voorlegt? Of wie sprak
het bittere doodvonnis van de arme Clarence?
Vóór mij de loop van het recht veroordeeld heeft,
is het hoogst onwettig mij met dood te dreigen.
Zo u hoopt op vergeving van uw schuld
door Christus’ kostbaar bloed, voor ons vergoten,
zeg ik u, ga, en sla geen hand aan mij:
verdoemenis wacht de daad die u gaat doen.
1e MoordenaarWat wij gaan doen, dat doen wij op bevel.
2e MoordenaarEn dat bevel komt recht van onze Koning.
ClarenceVerdwaasde knechten! De Vorst aller Vorsten
heeft in de tafel van Zijn wet bevolen
‘gij zult niet doodslaan’. Wilt u Zijn gebod
dan honen en dat van een mens volbrengen?
Pas op! Hij houdt Zijn wrake in Zijn hand
en slingert die op het hoofd dat Zijn wet breekt.
2e MoordenaarDiezelfde wrake slingert Hij op jou,
voor valse meineed, en daarbij voor moord:
jij ontving het sacrament, dat je in het gevecht
zou strijden van het Huis van Lancaster.
1e MoordenaarEn als verrader aan de naam van God
brak je die eed, en sloeg trouweloos jouw staal
in het hart van het zoontje van jouw soeverein.
2e MoordenaarDie jij beschutten en verdedigen zou.
1e MoordenaarWat houd jij Gods gestrenge wet ons voor,
als jij die zelf zo zwaar geschonden hebt?
ClarenceHelaas, voor wie deed ik die boze daad?
Voor Edward, voor mijn broeder, voor zijn zaak.
Hij stuurt u niet, om mij daarvoor te doden,
want die schuld drukt hem even zwaar als ik.
Als God Zijn wrake wil voor deze daad,
dan, weet, doet Hij dat in het openbaar;
neem niet de strijd af van Zijn krachtige arm.
Hij behoeft geen wetteloze kronkelweg
om al wie Hem beledigd heeft te doden.
1e MoordenaarWie maakte jou tot bloedig uitvoerder,
toen je in zijn frisse bloei Plantagenet,
de vorstentelg, doorstootte tot hij stierf?
ClarenceMijn broedermin, de duivel, en mijn woede.
1e MoordenaarJouw broedermin, jouw fouten, onze plicht
roepen ons op jou hier te gaan vermoorden.
ClarenceAls jullie mijn broer mogen, haat mij niet:
ik ben zijn broer, en ik mag hem heel graag.
Als jullie zijn gehuurd voor loon, ga terug,
en meld je, namens mij, bij mijn broer Gloucester,
die jullie beter voor mijn leven loont,
dan Edward voor de melding van mijn dood.
2e MoordenaarU hebt het mis: uw broeder Gloucester haat u.
ClarenceO nee, hij houdt van mij, ik ben hem dierbaar;
ga toch van mij naar hem.
1e Moordenaar Dat doen we vast.
ClarenceZeg hem, dat, toen onze edele vader York
ons drieën zegende met zijn krijgersarm,
en ons bezwoer elkaar steeds te beminnen,
hij niet voorzag dat het tot een breuk zou komen:
herinner Gloucester dat, en hij zal huilen.
1e MoordenaarJa, molenstenen, zoals hij ons dat leerde.
ClarenceSpreek toch van hem geen kwaad, want hij is goed.
1e MoordenaarAls sneeuw in oogsttijd.
U vergist zich echt:
hij heeft ons hier gestuurd om u te doden.
ClarenceDat kan niet waar zijn: hij weende om mijn lot,
hij klemde mij aan het hart, en zwoer al snikkend,
dat hij zijn best zou doen, dat ik snel vrijkwam.
1e MoordenaarDat doet hij ook, wanneer hij u bevrijdt
van aardse slavernij voor hemelvreugd.
2e MoordenaarVerzoen u, heer, met God, want u moet sterven.
ClarenceHeeft jullie ziel nog zoveel vroom gevoel,
dat zij mij raadt mij met God te verzoenen,
en zijn jullie voor eigen ziel zo blind,
dat je Gods krijg wilt zoeken door een moord?
Heren, bedenk: wie u heeft aangezet
om dit te doen, zal om die daad u haten.
2e MoordenaarWat doen we nou?
Clarence Spijt krijgen, red je ziel.
1e MoordenaarSpijt? Nee, dat is voor een lafaard en een vrouw.
ClarenceGeen spijt is woest, beestachtig, als de duivel.
Als u een vorstenzoon was, wie van u,
beroofd van vrijheid zoals ik nu ben,
zou, als twee moordenaars als jullie kwamen,
niet pleiten voor zijn leven? U zou smeken,
als u in nood was zoals ik.
[Tegen de 2e moordenaar]
Mijn vriend, ik bespeur wat meelij in jouw blik:
O, kom, wanneer jouw oog geen vleier is,
kom toch aan mijn kant staan, en pleit voor mij;
geen bedelaar wijst een vorst die bedelt af.
2e MoordenaarKijk achter u, mylord!
1e MoordenaarNeem dit! En dat! [Hij doorsteekt hem] En is dit niet genoeg,
ik verdrink u in het malvezijvat ginds. Af, met het lichaam
2e MoordenaarEen bloedige daad, gewetenloos voltrokken.
Hoe graag, als eens Pilatus, waste ik nu
mijn handen schoon van deze gruwelmoord.
1e Moordenaar op
1e MoordenaarWat is er, waarom help je mij nou niet?
De Hertog zal er van horen hoe laf jij bent.
2e MoordenaarHoorde hij maar, dat ik zijn broer gered had.
Neem jij dat bloedgeld maar, en zeg wat ik zeg,
want ik heb berouw, dat de Hertog is vermoord. Af
1e Moorden. Nou, maar ik niet: ga, lafaard dat je bent.
Wel, ik stop dat lijk maar ergens in een gat,
totdat de Hertog het begraven laat.
Eerst gauw mijn geld, en dan hier snel vandaan,
want dit komt uit; dan is het met mij gedaan. Af