Google



terug naar de beginpagina de personages meer over dit stuk

Storm

tempest
William Shakespeare
vertaling : Jan Jonk

Eerste bedrijf
Eerste toneel - Op zee, aan boord van een schip; donder en bliksem, en geluid van storm.
Een kapitein en een bootsman op.

Kapitein Bootsman!
BootsmanHier, kapitein: alles goed?
KapiteinJa: spoor de matrozen aan: gelijk aanpakken, of we lopen aan de grond: schiet op, schiet op. Af
Matrozen op
BootsmanHei, schatjes; pak aan, pak aan, mijn schatjes! Hop, hop. Strijk het marszeil. Luister naar het fluitje van de kapitein. Blaas je te barsten wind, als er maar ruimte is.
Alonso op, Sebastian, Antonio, Ferdinand, Gonzalo en anderen.
AlonsoBeste bootsman, hoor eens. Waar is de kapitein? Gedraag u als mannen.
BootsmanWilt u alstublieft beneden blijven.
AntonioWaar is de kapitein, Bootsman?
BootsmanHoort u hem niet? U loopt ons in de weg: blijf in uw hutten: u helpt de storm.
GonzaloJa, vriend, rustig maar.
BootsmanAls de zee bedaart. Wegwezen. Wat kan die stortzeeën een koning schelen? De kajuit in: stil, val ons niet lastig!
Gonzalo Goed, maar weet wie je aan boord hebt.
BootsmanNiemand die mij liever is dan mijzelf. U bent toch van de autoriteiten; als u deze elementen tot zwijgen kunt krijgen en alles kunt sussen, dan raken we geen touw meer aan; gebruik uw gezag; als u dat niet kunt, ga dan God maar danken dat u zo lang heeft geleefd, en bereid u in uw hut voor op het ergste, als dat komt. Kom op, mannen! Uit de weg, zeg ik. Af
GonzaloDie kerel geeft me echt weer hoop: volgens mij heeft hij geen verdrinkingsmoedervlek; hij heeft een echte galgentronie. Goed Noodlot, laat dat ophangplan nog even zo; maak het touw van zijn bestemming onze ankerkabel, want die we nu hebben geeft weinig houvast. Als hij niet voor de galg geboren is, dan ziet het er slecht voor ons uit. Allen af
Bootsman weer op
BootsmanStrijk de bramstreng! Schiet op, lager, lager. Bijdraaien met het grootzeil! [Geschreeuw beneden in het schip] De pest met dat gejank; het is nog harder dan het weer of ons werk.
Sebastian, Antonio en Gonzalo opnieuw op

Wat doen jullie hier nou alweer? Moeten we het opgeven, en verdrinken? Willen jullie echt naar de kelder?
SebastianKrijg de klere, lallende, vloekende, oneerbiedige hond.
BootsmanGa zelf eens werken.
AntonioAan de galg, jij, straathond, hoerenzoon, onbeschofte herriemaker. Wij zijn minder bang voor verdrinken dan jij.
GonzaloIk sta er voor in dat hij niet verdrinkt, al was het schip niet sterker dan een notendop, en zo lek als een lopend vrouwtje.
BootsmanHoog aan de wind, aan de wind! Twee zeilen bij; naar zee wenden; weg van de kust.
Matrozen op, doornat
MatrozenAlles voorbij, bidden, bidden, alles voorbij.
BootsmanWat, en dat zonder een neutje?
GonzaloDe vorst bidt met de koning; laat ons ook,
ons lot is toch hetzelfde.
Sebastian Ik neem het niet.
AntonioZe jatten ons het leven, die dronkaards:
hé, bullebak, voor mijn part kwam het getij
tien keer over je heen voor je verdronk.
Gonzalo Hij komt toch aan de galg, al zweert het water
dat het hem minstens opslokken zal.
[Verwarde geluiden onder in het schip]
"God zij genadig."-
"We barsten." - "Vaarwel, vrouw en kinderen!"-
"Vaarwel, broer!"- We vergaan, vergaan, vergaan!"
Antonio Laat ons met de koning ten onder gaan.
SebastianLaat ons afscheid van hem nemen. Antonio en Sebastian af
GonzaloNou gaf ik duizend mijlen zee voor één bundertje woeste grond, zandgrond met heide, brem, wat dan ook. Gods wil geschiede. Maar ik stierf liever droog! Allen af
 




Tweede toneel
- Het eiland. Voor Prospero's kluis.
Prospero en Miranda op
MirandaWanneer u met uw tovermacht, Papa,
de wateren wild hebt opgezweept, kalmeer ze.
Uit de hemel kwam haast stinkend pek,
als niet de zee, hoog, tot de wolkenwang
het vuur uitsloeg. O, ik heb meegeleden
met wie ik lijden zag! Een prachtig schip
(dat vast een nobel schepsel in zich had)
spatte geheel uiteen. O, dat gehuil,
dat brak mijn hart. Arme zielen, vergaan.
Was ik een god met macht geweest, dan had ik
de zee doen zinken in de aard, ja, voor zij
het mooie schip zo had verzwolgen, en
de lading zielen binnenin.
Prospero Rustig maar,
niet bang meer zijn; vertel uw medelijden,
dat niemand lijdt.
Miranda O, wat een dag.
Prospero Geen leed.
Al wat ik heb gedaan, deed ik voor jou,
voor jou, mijn lieve; jou, mijn dochter, die
niets weet van eigen afkomst, en ook niet
waar ik vandaan kom, dat ik niet grootser ben
dan Prospero, meester in een nietige kluis
en je eenvoudige vader.
Miranda Meer dan dat
heb ik nooit hoeven weten.
Prospero Het is nu tijd,
dat ik je meer vertel. Help even mee,
dan leg ik mijn tovermantel af. Zo dan. Hij doet zijn mantel af
Rust daar, mijn kunst. Geen tranen meer, stil maar.
Om een boot zo eng te moeten zien vergaan,
dat dat je hart met meelij heeft vervuld,
had ik met al mijn tover al voorzien
en het zo geregeld, dat geen enkele ziel -
ja, nee, dat er geen haartje is gekrenkt
van alle schepsels die jij in die boot
hebt horen schreeuwen, hebt zien zinken. Stil.
Nu komt het verhaal van vader.
Miranda U bent vaak
begonnen over mij, maar hield dan op
en liet mij almaar vragen wat ik wou,
maar zei steeds: 'Stop, nog niet'.
Prospero Het uur is daar,
zet dit moment je beide oren open,
luister en let goed op. Herinner jij
nog iets van voor de tijd in deze kluis?
Ik denk niet dat je het kunt, want jij was toen
niet eens drie jaar.
Miranda O zeker wel, mijn heer.
ProsperoWat dan? Een ander huis, of een persoon?
Van elk beeld in je geest spreek mij, dat nu
de herinnering in je hart bewaart.
Miranda Het is ver,
en eerder als een droom dan zekerheid
wat mijn herinnering staaft. Maar had ik niet
vier vrouwen, vijf, die mij verzorgden toen?
ProsperoZeker, en meer, Miranda. Hoe kan het zijn,
dat dit nog voortleeft in je geest? Wat meer
zie je in de duistere diepte van de tijd?
Als je nog iets weet voor je hierheen kwam,
dan weet je ook hoe misschien.
Miranda Dat weet ik niet.
ProsperoTwaalf jaar geleên, Miranda, twaalf jaar,
toen was jouw vader Hertog van Milaan,
een machtig vorst.
Miranda Maar u bent toch mijn vader.
ProsperoJouw moeder, de deugd zelve, heeft verklaard
dat jij mijn dochter was; jouw vader was
de Hertog van Milaan; zijn enige kind,
zijn erfgenaam, was van zijn bloed.
Miranda O hemel!
Dat wij daar weg moesten, was dat verraad,
of zegening?
Prospero O allebei, mijn kind.
Verraad zoals je zei dreef ons daar weg,
en zegening bracht ons hier.
Miranda O wat een zorgen
moet u om mij toen toch hebben gehad,
van wat ik mij herinner. Maar ga door.
ProsperoMijn broer, jouw oom, ene Antonio,
- luister toch eens, dat ooit een broeder zo
doortrapt kan zijn, mij het dierbaarst naast mijzelf
in heel de wereld, en aan hem gaf ik
het beheer over mijn staat, die toentertijd
van alle staten het hoogst in aanzien stond,
met Prospero als Grootvorst, hij, befaamd
om waardigheid, en in de wetenschap
zonder gelijke. Daar wierp ik mij op,
liet de regeringszaken aan mijn broer,
vervreemde van mijn staat, zó was ik vervoerd
door studie van mysteries. Jouw valse oom -
Let jij wel op?
Miranda Met al mijn aandacht, vader.
ProsperoToen hij perfect wist hoe men gunsten geeft,
hoe men ze weigert, wie bevorderd, en
wie al te ver gaand ingetoomd moet worden,
herschiep, vervormde hij wezens ooit van mij,
gaf hun een nieuwe vorm; hij had de sleutel
voor ambt en ambtenaar, zodat de staat
op zijn liedje werd afgestemd; hij was
de klimop die mijn vorstenstam omspon
en mijn groeikracht opzoog. Ben je er wel bij?
MirandaIk luister, heer.
Prospero Je moet wel opletten.
Ik verzuimde al het aardse, wijdde mij
in afzondering aan wat mijn geest verrijkte
met wat zo het niet zo in het verborgene lag
meer waard was dan de gunst des volks, en dat
wekte de boosheid in mijn valse broer.
Ik was als de goede ouder: onbegrensd
was mijn vertrouwen; desalniettemin
ontsproot in hem een valsheid, even groot
als mateloos vertrouwen. Zo aan het hoofd,
beschikkend over wat mijn land opbracht
èn over wat mijn macht vermocht, geloofde
- als hij die zo aanhoudend liegt, dat hij
de waarheid zo in zijn geheugen draait
dat hij zijn eigen leugens zelf gelooft -,
dat hij zelf hertog was; als plaatsvervanger,
bij het uiterlijk vertoon van koningschap,
het vorstenrecht; - dat deed zijn eerzucht groeien -
Luister je wel?
Miranda Wie doof was zou weer horen.
ProsperoHij wenste geen scherm tussen deze rol
en hem die hij speelde; en wil dus alleen
heerser van Napels zijn. Mijn bibliotheek
was voor mij rijk genoeg; en onbekwaam
acht hij mij voor aards bestuur; sluit een pact
- zo dorstig naar macht - met de vorst van Napels,
belooft hem jaarlijks schatting als vazal,
stelt zijn kroon onder die van hem, en dwingt
tot buigen het hertogdom, - O, arm Milaan -
gij, nooit onderworpen, nu geknecht.
Miranda Hemel!
ProsperoHoor nu het verdrag, en de afloop; en zeg mij
of dit een broeder is.
Miranda Het zou een zonde zijn,
als ik niet met eerbied aan uw moeder dacht,
maar ook een edele schoot baart slechte zonen.
ProsperoHet verdrag. Die vorst van Napels, mij van ouds
vijandig, had wel oren naar het verzoek;
hij zou, in ruil voor hulde en eerbetoon
en ik weet niet hoeveel schatting, mij en de mijnen
onmiddellijk verdrijven uit de staat,
en mijn broer het mooie hertogdom Milaan,
met alle titels, overdragen; daarop
- een middernacht, door het lot daarvoor bepaald -,
ontsloot Antonio de poort van Milaan
voor een leger van verraad; en in het stikduister
sleepten de samenzweerders ons toen weg,
mij en jou, almaar huilend.
Miranda O, wat erg.
Ik weet niet meer hoe ik toen heb gehuild,
en huil dus maar opnieuw; wat ik hier hoor
wringt tranen uit mijn ogen.
Prospero Luister verder,
dan kom ik toe aan wat zich voor ons nu
te wachten staat; anders had dit verhaal
geen enkele zin.
MirandaMaar waarom heeft men ons
toen niet gelijk gedood?
Prospero Goed opgemerkt:
Die vraag ligt voor de hand. Men dorst niet, lief,
zo lief had mij mijn volk; men durfde hun zaak
niet zo met bloed te zegelen; maar dekte
hun zo misdadig doel met schonere tint.
Kortom, men sleepte ons haastig op een schip,
en een paar mijl buitengaats bereidden zij
een half verrot stuk wrak, niet opgetuigd,
geen talie, zeil, of mast; waar instinctief
de ratten vluchten: daar laadt men ons in;
de zee verstomt ons steunen; ons gezucht
krijgt van de wind meewarig zuchten terug
dat ons maar weinig deugd deed.
Miranda Welk een last
was ik u toen toch niet.
Prospero Een cherubijn
was je die mij bewaarde. Je glimlachte,
je ziel geheel met hemelkracht doorvloeid,
toen ik de zeeën sierde met puur zout,
zuchtend onder mijn last; dat wekte in mij
weer moed en kracht om aan wat komen zou
het hoofd te bieden.
Miranda Hoe zijn wij geland?
ProsperoGoddelijke voorzienigheid.
Er was wat voedsel en zoet water, dat
een edele Napolitaan, Gonzalo,
de hoofdverantwoordelijke voor het plan,
ons uit menslievendheid meegaf, en ook
staatsiekleding, linnen, en nog veel meer
dat ons van grote dienst was; in zijn goedheid,
wetend hoe graag ik mijn boeken had, gaf hij
banden mee uit mijn eigen bibliotheek die
ik hoger acht heel mijn kroon.
Miranda Hoe graag
zou ik die man eens zien!
ProsperoNu sta ik op:
blijf zitten, hoor ook het eind van het zeeleed aan.
Hier op dit eiland kwamen wij; en hier
heb ik, jouw schoolmeester, je meer geleerd
dan andere prinsessen, met veel meer tijd
voor ijdelheid, maar geen leraar met hart.
MirandaDe hemel danke u. Maar ik vraag u,
want heftig werkt die bij mij na, waarom
u deze zeestorm opriep?
Prospero Dan ook dit.
Wondervreemd genereus heeft de Fortuin
(mijn lieve vrouwe nu) mijn vijanden
naar deze kust gebracht. Mijn zienersblik
ontwaardt mijn zenit, dat nu wordt beheerst
door een goed gesternte; als ik dat niet smeek
om invloed, maar het laat gaan, dan is mijn kans
voorgoed gekeerd. En nu geen vragen meer:
je knikkebolt van slaap, een goede loomheid;
geef er aan toe; je kunt, weet ik, niet anders. Miranda valt in slaap
Schiet op, dienaar, kom hier. Ik ben nu klaar.
Verschijn, mijn Ariël, kom hier.
AriëlGegroet, meester. Dag, grote heer. Ik kom
al wat u wenst vervullen; al is het vliegen,
zwemmen, duiken in het vuur, al is het rijden
op de wolkenwieken; uw machtig woord
is wet voor Ariëls krachten.
Prospero Heb jij, geest,
de storm stipt naar mijn opdracht uitgevoerd?
AriëlTot op het kleinste puntje.
Ik sprong op het koningsschip. Nu op de plecht,
dan in de flank, aan dek, in iedere hut,
vuurde ik ontzetting aan; soms splitste ik me
in heel veel vuurtjes; ik vlamde aan de mast,
de ra's en boegspriet, overal tegelijk,
schoot dan weer tot één flits; de voorloper
van gruwelijk donderbeven was nooit zo
vlug weer uit het zicht; het vuur en het knallen
van zwavelbrekers lijkt machtige Neptunus
te benauwen, zijn trotse golven trillen,
zijn duiveldrietand deinzen.
Prospero Goed zo, geest.
Wie was zo evenwichtig in het tumult
dat hij bij zinnen bleef?
Ariël Geen mens; de koorts
van waanzin voelden zij, ze speelden een klucht
als waren ze wanhopig. De matrozen
plonsden in het zilte schuim, verlieten het schip,
in lichter laaie door mij: 's konings zoon, Ferdinand,
zijn haren overeind, - als riet, niet haar -,
sprong het eerst; hij riep: 'De hel is nu leeg,
hier zijn alle duivels.'
Prospero Braaf zo, mijn geestje.
Dat was toch dicht bij het strand?
Ariël Heel dicht, mijn meester.
ProsperoMaar zijn ze ongedeerd?
Ariël Geen haar gekrenkt;
geen vlekje op hun luchtgevulde kleding,
maar frisser dan zij was; zoals u vroeg,
heb ik ze in groepjes uitgezet op het eiland.
De koningszoon heb ik alleen doen landen;
in een afgelegen hoekje koelt hij nu
de lucht met zuchten, en zo zit hij daar,
zijn armen droef gekruist.
Prospero Het schip van de koning,
de bemanning, wat heb je er mee gedaan,
met de rest van de vloot?
AriëlHet schip van de koning
ligt veilig in de haven, in de diepte
waar u mij ooit wegriep te middernacht
om dauw te halen van de Storm-Bermudas;
het scheepsvolk heb ik in het ruim gegrendeld
en hen - met alle ellende van vandaag -
in slaap getoverd; en de rest van de vloot,
die ik had verstrooid, is alweer bij elkaar,
zeilt op de Middellandse Zee naar huis,
bedroefd op weg naar Napels;
het schip van de koning zag men toch vergaan,
hun vorst omkomen.
Prospero Ariël, jouw taak
heb je stipt uitgevoerd: maar er is nog wat.
Hoe laat is het?
Ariël Het is al middag, heer.
ProsperoMinstens twee glazen. Tussen zes en nu
moeten wij onze tijd zeer goed benutten.
AriëlIs er dan nog meer werk? Nu ik zo moet zwoegen,
mag ik u wel aan uw belofte herinneren,
die nog niet is vervuld.
Prospero Wat nu? Humeurig?
Wat kun jij van mij vragen?
Ariël Heer, mijn vrijheid.
ProsperoVoordat je tijd voorbij is? Nooit.
Ariël Ik smeek u,
vergeet niet hoe goed ik u heb gediend,
geen leugens sprak, geen fout beging, u diende
zonder mopperen, zeuren: u heeft beloofd
mij één jaar kwijt te schelden.
Prospero Jij vergeet
van welk een kwelling ik je heb bevrijd.
Ariël Nee.
ProsperoJawel, en ziet er tegen op je voort
te slepen door diep zout slib,
te snellen langs snijdende noordenwind,
te doen wat ik vraag in de aderen van de aard
wanneer de vorst die vastzet.
Ariël Nee, heer, nee.
ProsperoJe liegt, ellendeling. Je weet toch nog
van Sycorax, de boze heks, die krom liep
van ouderdom en nijd? Ben je haar vergeten?
AriëlNee, heer.
Prospero Ja. Waar was zij geboren? Nou!
AriëlIn Algiers, heer.
Prospero Nee, toch; één keer per maand
moet ik vertellen wat jij bent geweest,
of jij vergeet het. Die heks Sycorax
werd, zoals je weet, om menig ongehoords
en tover die te gruwelijk was voor het oor
verbannen uit Algiers; slechts om één reden
liet men haar leven. Is dat waar of niet?
AriëlJa, heer.
ProsperoDe heks werd, zwanger en met de ogen blauw,
hier op het strand afgezet. En jij, mijn slaaf,
was, zoals je zelf vertelde, toen haar knecht;
en, omdat jij als geest te fijntjes was
voor haar te aards, te afschuwelijk bevel
en al haar aandrang afsloeg, sloot zij jou,
met behulp van middelen met nog veel meer macht,
en in haar onbedwingbare woedebui,
op in een gespleten pijnboom; en jij
zat in die wig gevangen met veel pijn
twaalf jaar lang; en in die tussentijd stierf zij,
liet jou daar maar, die kermde, rusteloos
als de watermolen. Toen was dit eiland -
op de zoon na die zij geworpen had,
een gevlekte heksenwelp - niet gesierd
met mensenwezens.
Ariël Caliban, haar zoon.
ProsperoDat zeg ik, stommeling; die Caliban,
die nu mijn slaaf is. Jij weet zelf het best,
hoe afgemarteld ik je vond; jouw kermen
deed wolven huilen, en drong in het hart
van altijd grimme beren: een marteling,
die bij verdoemden past, die Sycorax
niet meer kon terugdraaien; mijn toverkunst,
heeft, toen ik jou hoorde, deze pijn ontsloten,
en jou eruit gelaten.
Ariël Ik dank je, meester.
ProsperoSputter je weer, dan splijt ik een eikenboom,
zet je in zijn knoestig binnenste vast, tot
jij twaalf winters doorgehuild hebt.
AriëlGenade;
ik zal gehoorzamen aan uw bevel,
en braaf mijn spookdienst doen.
Prospero Goed; en na twee dagen dan
laat ik je vrij.
Ariël Daar spreekt mijn edele meester!
Wat moet ik doen? Zeg het maar; wat moet ik doen?
ProsperoMaak van jezelf een zeenimfje:
Wees niet te zien
dan slechts voor jou en mij; wees onzichtbaar
voor ieder ander oog. Neem die vorm aan,
en kom zo terug; hup; weg,
en vlug een beetje. Ariël af
Ontwaak, mijn hartje, ontwaak! Je hebt goed geslapen;
ontwaak!
Miranda Dat wonderlijk verhaal van u
maakte mij loom.
Prospero Schud af die slaap. Kom mee;
we gaan naar Caliban, mijn slaaf, die nooit
eens naar behoren antwoordt.
Miranda Het is een schurk, heer,
die ik niet graag zie.
Prospero Maar, ja, zoals het nu staat,
kunnen we niet zonder hem: hij maakt ons vuur,
hij haalt ons hout, en doet verschillend werk
voor ons gemak. Hé, hier! Slaaf! Caliban!
Stuk aarde, spreek!
Caliban[Achter het toneel] Er is binnen genoeg hout.
ProsperoKom hier, zeg ik! Je moet wat anders doen;
kom, schildpad! Nog een uur?
Ariël weer op, als een waternimf

Een schitterende verschijning! Vlugge Ariël,
luister in je oor.
Ariël Het zal geschieden, heer. Af
ProsperoVergiftige slaaf, ooit door de duivel zelf
verwekt op jouw vervloekte moeder, hier!
Caliban op
CalibanVervloekter dauw dan ooit mijn moeder streek
met ravenveer uit een dompig moeras
kome over jullie heen. Zuidwester pestwind
overdekke je met blaren.
ProsperoVannacht nog zul je daarvoor krampen krijgen,
pijn in je zij, dat je adem stokt; alven
gaan, zolang ze actief zijn, heel de nacht door,
op jou inwerken; met prikken zo dik
als honingraten, ieder een angelspits
stekender dan bijen.
Caliban Het is etenstijd.
Dit eiland is van mij, door moeder Sycorax,
en jij heb het mij ontnomen. Toen jij kwam,
aaide jij mij, zocht mij steeds op; gaf mij
water met bessen; en jij leerde me
de naam van het grootste en van het kleinere licht
van overdag en 's nachts; ik hield van je toen,
en toonde je al wat het eiland in zich had,
bronnen, zoet en zilt, woest en vruchtbaar land;
vervloekt dat ik dat deed. Sycorax' tover,
pad, tor en vleermuis, kome op jullie neer!
Want ik ben jullie enige onderdaan,
ik, eerst zelf koning, nu in dit spelonk
gestald, terwijl jullie mij weghouden
van de rest van het eiland.
Prospero Liegebeest,
die slaag voelt, en geen goedheid. Ik heb jou eerst
menselijk behandeld, vuil; gaf je een plaats
hier in mijn kluis, totdat je een poging deed
mijn dochter aan te randen.
CalibanOho, oho! Was dat maar eens gelukt!
Jij hield mij tegen; anders had ik dit eiland
met Calibans bevolkt.
Miranda Verfoeide slaaf,
die zich de goedheid niet inprenten liet,
maar enkel slechtheid! Ik had meelij met je,
leerde je met veel moeite spraak, elk uur
bracht ik je iets nieuws bij; toen jij, wildeman,
jezelf nog niet begreep, maar brabbelde
als een stom beest, gaf ik dat wat je wilde
woorden om te uiten. Al leerde je,
toch had jouw slechte aard iets wat voor goeden
onverdraaglijk is; dus was het zeer terecht,
dat jij in deze rots gevangen werd,
die meer dan opsluiting verdiende.
CalibanJullie leerden me taal; mijn voordeel is het,
dat ik vervloeken kan. De pest aan jullie,
jullie en je taal.
Prospero Heksenjong, hup, vort!
Ga brandstof halen; en vlug, is je geraden,
anders krijg je nog meer. Sputter je soms?
Als jij onachtzaam of onwillig doet
wat ik beveel, dan tref ik je met jicht,
met pijn in al je botten, laat ik je brullen,
dat beesten beven om jouw schreeuw.
Caliban Niet doen.
[Terzijde]
Ik moet wel: want zijn kunst heeft zoveel macht,
dat Setebos, mijn moeders god, zou buigen,
hem onderdanig zijn.
Prospero Dus, slaaf, ruk in! Caliban af
Ariël weer op, onzichtbaar, zingend en spelend; daarna Ferdinand
Ariëls lied
Kom hier naar dit geelwit strand,
dans - geef de hand:
revérence, en dan gekust
geeft schuimgolf rust.
Zet uw beste pasje voor,
en 't elfenkoor
bourdont de maat.
[Hier en daar klinkt het refrein]
Ahoe
De waakhond slaat:
[Hier en daar klinkt het refrein]
Ahoe
Hoor ik daar niet
die Kantekleer; zijn hanig lied
roept kukelekukelekoe. [Hier en daar klinkt het refrein]
FerdinandWaar is die muziek toch? In aarde of lucht?
Nu houdt ze op; ze is beslist bestemd
voor een god op het eiland. Zittend op een duin,
in tranen om mijn vaders lot, de koning,
kroop die muziek nabij over de wateren,
en suste met haar zoete melodie
hun woeden en mijn smart: ik ben die gevolgd,
of, ik ben meer aangetrokken. Nu is ze weg.
Nee, ze begint opnieuw.
Ariëls Lied
Vijf vaam ligt uw vader op het wad
zijn gebeente werd koraal
parels waar hij ogen had;
wat vergaat werd helemaal
tot de rijkdommen van de zee,
wondere schatten diep benee.
Nimfen luiden met hun zang
[Refrein:]
Ding-dong
AriëlHoor, klokken luiden, ding, dong, dang
FerdinandDit lied verwijst naar mijn verdronken vader.
Het is niet van stervelingen, en de klank
ontstijgt de aarde.- Nu hoor ik het boven me.
ProsperoHaal op de wimpervoorhang van uw ogen,
en zeg wat je ginds ziet.
Miranda Wat is dat? Een geest?
O hemel, hoe het rondkijkt! Geloof me, heer,
het ziet er heerlijk uit. Maar het is een geest.
ProsperoNee, meisje; het eet en slaapt, en heeft gevoel
net zoals wij. De jongeling die jij ziet
is mee vergaan; en, als hij geen spoor droeg
van smart (die vreet aan schoonheid), zou men hem
knap kunnen noemen; hij is zijn vrienden kwijt,
en zoekt ze overal.
Miranda Ik zou hem iets
goddelijks noemen; want nooit in de natuur
zag ik zoiets nobels.
Prospero[Terzijde] Ik zie, dat het werkt,
zoals ik wil. Goed zo, geest. Jij bent vrij
binnen twee dagen.
Ferdinand Zeker de godin
voor wie die zangen zijn. Staat u mij toe
te vragen of u op dit eiland woont;
en of u mij wilt zeggen hoe ik mij hier
gedragen moet: mijn allereerste vraag,
die ik als laatste stel, is, O u wonder,
of u een meisje bent.
Miranda Geen wonder, heer;
maar zeker een meisje.
Ferdinand O, mijn taalgebruik!
In het land waar men die taal spreekt ben ik de eerste,
was ik toch waar men die spreekt.
ProsperoHoezo, de eerste?
Stel dat de vorst van Napels jou zou horen?
FerdinandHier sta ik, eenzaam, en verbaas mij zeer,
dat ik je over Napels hoor. Hij hoort me;
en daarom huil ik nu: ik ben zelf Napels,
ik zag met eigen ogen - steeds hoog water -
mijn vader schipbreuk lijden.
Miranda O, wat erg.
FerdinandMet zijn gevolg; de Hertog van Milaan
diens edele zoon.
Prospero[Terzijde] De Hertog van Milaan
en zijn veel edeler dochter konden zeggen
dat je ongelijk hebt, als dat nu paste.
Hun blikken kruisten op het eerst gezicht! Ariël,
hiervoor laat ik je vrij. [Tot Ferdinand] Een woordje, vriend;
ik vrees dat u zich overschat. Een woordje.
MirandaWaarom spreekt vader nu zo bars? Dit is
de derde man die ik ooit gezien heb; de eerste
om wie ik zuchten moest: laat deernis sturen
vaders hart als het mijne!
Ferdinand Bent u een maagd,
en is uw hart nog vrij, dan maak ik u
koningin van Napels.
Prospero Stil; luister nog even.
[Terzijde]
Ze zijn voor elkaar gevallen: maar die haast
zal ik lastig maken, want wie te licht wint,
vindt de prijs licht te klein. [Tot Ferdinand] Nog een woord; kom hier
en luister naar me: jij misbruikt de naam
die jou niet toekomt; jij komt als spion
hier naar dit eiland, om het te veroveren,
dat aan mij toebehoort.
Ferdinand Nee, op mijn woord.
MirandaGeen slechtheid kan in zulk een tempel heersen:
wanneer de Boze zo'n mooi huis bezat,
zou Deugd proberen in te wonen.
Prospero Kom jij mee.
Spreek hem niet voor, hij is een verrader. Kom.
Ik sla boeien om je voeten en je hals;
zeewater zul je drinken; eten zul je
stroommossels en verdroogde wortels, doppen
waarin eikels groeiden. Volg mij.
Ferdinand Nee.
Ik verzet mij tegen zo'n onthaal, totdat
mijn vijand sterker blijkt. Hij trekt zijn wapen, maar blijft door betovering onbeweeglijk
Miranda O, vaderlief,
oordeel hem niet te overhaast, want hij is
van adel, en niet laf.
Prospero Wel heb ik ooit,
is mijn voet mijn hoofd? Weg dat zwaard, verrader.
Je dreigt, maar durft niet slaan, zo schuldbewust
is je geweten: laat die vechterspose;
want met mijn staf kan ik je zondermeer
het wapen uit de hand slaan.
Miranda Ik smeek u, vader.
ProsperoWeg! Hang niet aan mijn kleren.
Miranda Heer, heb meelij.
Ik sta voor hem in.
Prospero Stil! Nog een woord,
en ik zal je straffen, nee, je haten. Wat!
Jij neemt het op voor een bedrieger! Poe!
Jij denkt dat er geen zo mooi is als hij,
omdat je alleen hem kent en Caliban.
Dom wicht. Vergeleken bij de meesten is dit
een Caliban, zij engelen bij hem.
MirandaDan koos mijn hart eenvoudig. Ik heb geen eerzucht
een knappere man te zien.
Prospero Komaan, gehoorzaam.
Wees jij weer even slapjes als een baby,
je spieren zonder kracht.
Ferdinand Ja, inderdaad.
Wat ik wil is als in een droom verstard.
Mijn vaders dood, de zwakheid die ik voel,
het vergaan van al mijn vrienden, en die man
die dreigt en waar ik voor buig, dat valt mij licht,
als ik één keer op een dag vanuit de kerker
dit meisje zien mag: alle andere aardhoeken
zijn voor wie vrij zijn; mij is het ruim genoeg
in zo'n gevangenis.
Prospero[Terzijde] Het werkt. [Tot Ferdinand] Kom mee.
[Tot Ariël]
Goed werk, mijn beste Ariël. Volg mij;
Luister naar wat ik verder wil.
Miranda Houd moed;
mijn vader, heer, is zachter van natuur
dan blijkt uit wat hij zegt; het is niet gewoon
wat hij net zei.
Prospero Je zult zo vrij zijn als
de winden in de bergen; maar doe stipt
al wat ik verlang.
AriëlTot in de puntjes, heer.
ProsperoKom, ga mee. Trek geen partij voor hem. Allen af