Google



terug naar de beginpagina de personages meer over dit stuk

Timon van Athene

timon of athens
William Shakespeare
vertaling : Jan Jonk

Eerste bedrijf
Eerste toneel - De Dichter, de Schilder, de Juwelier, de Koopman en anderen op, door verschillende deuren
DichterGegroet, heer.
Schilder Ik ben blij u wel te zien.
DichterIk heb u lang niet gezien. Hoe gaat de wereld?
SchilderDie loopt af met de tijd.
Dichter Dat weten we.
Maar is er niet iets vreemds, iets buitengewoons
dat nog niet overal anders rondgaat. Zie,
magie der gulheid, uw macht roept hier op
al deze geesten. Maar ik ken die koopman.
SchilderIk beiden: die ander is een juwelier.
KoopmanEen waardig man.
Juwelier Dat is iets wat zeker is.
KoopmanEn zonder weerga, als het ware getraind
in onvermoeibaar en gestadig geven.
Uitmuntend.
Juwelier Ik heb hier een juweel -
KoopmanO, mag ik die zien. Vast voor Heer Timon, niet?
JuwelierWanneer mijn prijs hem aanstaat. Maar wat dat -
Dichter[Terzijde tegen de Schilder] Als wij het slechte prijzen om de winst,
werpt dat een smet op het uitbundig lied
dat graag van het goede zingt.
Koopman[Bekijkt het juweel] Heel mooi van vorm.
JuwelierHoe rijk. En kijk eens wat een zuiver water.
SchilderBent u een gedicht aan het wrochten, of een opdracht
aan de grootvorst.
Dichter Het ontglipte mij zo maar.
Ons dichten is als hars, dat steeds wegvloeit
vanwaar het voedsel krijgt; de vuursteenvlam
vonkt pas bij het slaan; òns edel vuur ontsteekt
zichzelf, en stroomt soms onverwachts terug
vanwaar het heensloeg. Maar wat heeft u daar?
SchilderEen schilderij. Wanneer komt uw boek uit?
DichterGelijk als ik het heb aangeboden, heer.
Mag ik uw doek eens zien?
Schilder Het is heel goed.
DichterJa, nou; en dit hier komt voortreffelijk uit.
SchilderNiet slecht.
Dichter Grandioos. En dan die uitstraling
van die figuur! Wat een mentale kracht
spat uit die ogen! Welk een fantasie
spreekt uit die lip! De woorden bij het gebaar
kan men er zo bij denken.
SchilderJa, het leven is hier aardig nagemaakt.
Bevalt u deze streek?
Dichter Ik zal u zeggen,
een les voor de natuur; het kunstig streven
leeft in die streken, levendiger dan leven.
Enkele senatoren op, die naar binnen gaan, naar Timon.
SchilderWat krijgt die man een hulde.
DichterDe senatoren van Athene, hoe gelukkig.
SchilderKijk, nog meer van hetzelfde.
DichterZie toch die toeloop, die vloedgolf bezoekers.
Ik heb in mijn ruw werk een man geschetst
die door dit ondermaanse wordt omarmd,
omklemd met rijkste gunst. Mijn vrije vaart
stopt nergens speciaal, maar beweegt zich vrij
in een zee van was: geen gericht kwaad
besmeurt één komma van mijn strakke koers,
die als een adelaar vliegt, strak, onverschrokken,
en geen spoor achterlaat.
SchilderHoe moet ik dit begrijpen?
DichterIk zal het u ontsluiten.
U ziet hoe alle rangen, alle geesten,
de gladden en gluiperigen, maar ook
wie ernstig en streng is, geheel ten dienste
willen staan van Timon. Zijn grote rijkdom,
die zijn natuur, zo goed en gul, omkleedt,
verbindt en dwingt tot liefde en opwachting
elk soort hart; van spiegeltronie die vleit
tot Apemantus, die niets liever doet
dan van zichzelf te balen - zelfs hij buigt
de knie voor hem, en keert tevree terug,
verrukt dat Timon naar hem knikte.
SchilderIk heb ze ooit in gesprek gezien.
Dichter Wel, heer,
ik schreef eens van Fortuna op haar troon,
hoog op een mooie heuvel. Aan de voet
staan rijen mensen, van elk soort en slag,
die op de welving van deze aardbol zwoegen
voor meer bezit. En tussen al het volk
met de ogen op die vorstenvrouw gericht
beschrijf ik er één die op heer Timon lijkt;
dìe wenkt Fortuna met haar elpen hand,
en haar gunst maakt elke rivaal ter plekke
tot dienaren en slaven.
Schilder Meesterlijk!
Die troon, Fortuna, en die heuvel, ja,
één man, gewenkt uit heel die rest beneden,
die zijn hoofd buigt tegen de steile berg
op weg naar zijn geluk, zou heel goed passen
in ons geval.
Dichter Maar luister verder, heer:
en iedereen, net nog aan hem gelijk
- misschien wel meer dan hem, volgt ogenblikkelijk
zijn schreden, vult zijn huis met huldeblijk,
stort zijn oor vol vergodend prevelen,
heiligt zelfs zijn stijgbeugel, drinkt door hem
de vrije lucht.
Schilder Maar, maar, wat komt er dan?
DichterAls wispelturige Fortuna dan
haar gunsteling verstoot, laat zijn gevolg,
dat achter hem aan die berg op heeft gezwoegd,
ja, op handen en voeten, hem zo maar zitten,
kijkt er geen om, nu zijn voet niet meer wil.
SchilderZo is het altijd.
Ik heb wel honderden stichtende prenten
die pregnanter dan woorden laten zien
hoe dat Fortuna treffen kan. Maar u
moet Timon voorhouden, hoe het oog van minderen
de voet boven het hoofd gezien heeft.
Trompetgeschal. Heer Timon op; hij richt zich hoffelijk tot smekelingen; ook op een boodschapper van Ventidius, die met hem praat; verder Lucilius en nog wat dienaren.
TimonZit hij gevangen, zegt u?
BoodschapperJa, mijn heer; voor vijf talenten schuld;
en hij zit krap; zijn schuldeisers zijn hard.
Een brief van Uwe Edelheid vraagt hij,
voor wie hem lieten opsluiten, want zonder
eindigt al zijn hoop.
Timon Vriend Ventidius. Wel,
ik ben de man niet die een vriend wegschuift
als die mij nodig heeft. Ik weet dat hij
een heer is die wat hulp zeer wel verdient;
en die krijgt hij: ik betaal, en zet hem vrij.
BoodschapperDaarmee verplicht Uwe Hoogheid hem voor altijd.
TimonGroet hem van mij; ik stuur het geld meteen;
en als hij vrij is, moet hij mij bezoeken.
Wie zwak is moet niet slechts geholpen,
maar ook verder ondersteund. Het beste met u.
BoodschapperIk wens Uwe Edelheid alle geluk. Af
Een oude Athener op
Oude AthenerHeer Timon, hoor mij aan.
Timon Spreek, beste grijsaard.
Oude AthenerJij hebt een dienaar die Lucilius heet.
TimonDat klopt. Wat is er met hem?
Oude AthenerHoogedele Timon, laat hem hierheen komen.
TimonIs hij in het gevolg? Lucilius.
Lucilius Hier, geheel tot uw dienst, Uwe Edelheid.
Oude AthenerDit ventje, Heer Timon, dit creatuur
komt steeds 's avonds bij mij. Ik ben een man
die altijd heel mijn leven heeft gespaard;
mijn goed verdient een hogere erfgenaam
dan een die borden opdient.
Timon Wel, en verder?
Oude AthenerEén dochter heb ik maar, en anders niemand
aan wie ik kan overdragen wat ik bezit.
Ze is mooi en jong, maar oud genoeg als bruid,
geen kosten spaarde ik voor haar opvoeding,
in alles het allerbest. Die knecht van jouw
maakt haar het hof. Ik verzoek je, nobele heer,
verbied hem, met mij, dat hij haar bezoekt;
wat ik zeg, haalt niets uit.
Timon De man is eerzaam.
Oude AthenerEn dus ook hierin eerzaam, Timon.
Zijn eerzaamheid beloont zich met zichzelf;
niet ook nog met mijn dochter.
TimonHoudt zij van hem?
Oude Athener Ze is jong, ontvankelijk;
onze eigen vroegere hartstocht leert ons toch,
hoe licht de jeugd ontvlamt.
Timon[Tegen Lucilius] Houdt u van het meisje?
Lucilius Ja, edele heer, en ze accepteert mijn liefde.
Oude AthenerAls zij zonder mijn toestemming gaat trouwen,
- weest, goden, gij, getuigen -, dan kies ik
mijn erfgenaam uit 's werelds bedelaars,
en krijgt zij helemaal niets.
Timon Wat is haar bruidsschat,
wanneer zij iemand trouwt aan haar gelijk?
Oude AthenerNu drie talenten; en, als ik dood ga, alles.
TimonWel, deze heer heeft me al zo lang gediend.
Om zijn fortuin doe ik wel enige moeite,
zo hoort dat onder mannen. Geef je dochter;
wat u haar geeft, geef ik hem als tegenwicht,
dan weegt hij zwaar als zij.
Oude Athener Mijn nobele heer,
geef mij uw woord als pand, en zij is van hem.
TimonMijn hand op de jouwe, mijn eer als pand.
Lucilius Ik dank u nederig, hoogheid. Nooit zal mij
het geluk of de fortuin iets toewijzen
dat niet aan u te danken is. Af
DichterAanvaard mijn arbeid, lang leve Uwe Hoogheid.
TimonIk dank u; u zult nader van mij horen.
Nee, nog niet weggaan. Wat heeft u daar, vriend?
SchilderEen schilderstuk, dat ik Uwe Hoogheid smeek
om te aanvaarden.
Timon Schilderwerk is welkom.
Een schilderij toont de natuur haast echt;
eerloosheid rommelt met natuurlijkheid;
dat is maar buitenkant; penseelfiguren
zijn dat wat ze lijken. Uw werk bevalt me,
en dat zult u merken. Blijf dus nog even,
u hoort zo meer.
SchilderDe goden hoeden u.
TimonTot ziens dan, waarde heer. Geef mij uw hand;
tot straks bij het diner. Heer, uw juweel
leed onder de schatting.
Juwelier Werd het onderschat?
TimonHet werd overstroomd met de allerhoogste lof.
Moest ik betalen wat het waard zou zijn,
dan was ik helemaal leeggeplukt.
Juwelier Mijn heer,
de prijs is wat de koopman geeft; maar u weet,
dat dit soort waardevols naar eigenaar
op waarde wordt geschat. Geloof me, heer,
als u het draagt wordt het mooier.
Timon Goed gespeeld.
Apemantus op
KoopmanNee, heer, hij spreekt heel doodgewone taal;
zoals hij praat iedereen.
TimonKijk daar dan: willen jullie op je kop?
JuwelierWij kunnen het aan, als u kunt.
Koopman Hij spaart niemand.
TimonGoedemorgen, jij, vriendelijke Apemantus.
ApemantusPas goedemorgen, als ik vriendelijk word,
jij Timons hond bent, en dit ontuig eerlijk.
TimonWat noem je hen ontuig, als je ze niet kent?
ApemantusZijn ze geen Atheners?
TimonJawel.
ApemantusDan laat ik het zo.
JuwelierKent u mij, Apemantus?
ApemantusDat weet je al, ik heb je naam genoemd.
TimonJe bent te trots, Apemantus.
ApemantusOp niets zo erg, dat ik niet als Timon ben.
TimonWaar ga je naar toe?
ApemantusEen eerlijke Athener de hersens inslaan.
TimonMaar daarvoor zul je moeten sterven.
ApemantusJa, als je bij wet voor niets moet sterven.
TimonWat vind je van dit schilderij, Apemantus?
ApemantusVoortreffelijk, omdat het zo onnozel is.
TimonHeeft de schilder het niet goed gemaakt?
ApemantusWie de schilder maakte deed het beter, maar toch is hij maar een vunzig stuk.
SchilderU bent honds cynisch.
ApemantusJouw moeder is van mijn leeftijd. Wat is zij dan, als ik een hond ben?
TimonKom je bij me eten, Apemantus?
ApemantusNee, ik eet niet van grote heren.
TimonAls je dat deed, zou je de dames boos maken.
ApemantusDie eten de heren wèl, zo komen ze aan dikke buiken.
TimonZeker schunnig te nemen.
ApemantusZo neem jij dat op; je krijgt omdat je moeite nam.
TimonWat vind je van dit sieraad, Apemantus?
ApemantusIk houd meer van recht-door-zee, dat kost geen duit.
TimonWat denk je dat het waard is?
ApemantusNiet eens mijn denken. En, Dichter?
DichterEn, Wijsgeer?
ApemantusJe liegt.
DichterBen je dat niet?
ApemantusJa.
DichterDan lieg ik niet.
ApemantusBen jij geen dichter?
DichterJa.
ApemantusDan lieg je. Kijk in je laatste werk, waar je hem als een waardig iemand hebt afgeschilderd.
DichterNiet afgeschilderd, nee, dat is hij.
ApemantusJa, dan is hij jou waardig, en waardig om jou te betalen voor de moeite. Wie graag gevleid wordt, is zijn vleier waardig. Mijn hemel, was ik maar zo'n grote heer.
TimonWat zou je dan doen, Apemantus?
ApemantusNet wat Apemantus nou doet: een hoge heer van harte haten.
TimonWat, jezelf?
ApemantusJa.
TimonWaarom?
ApemantusOmdat ik me niet zo boos kan opblazen om een grote meneer te zijn. Ben jij niet een koopman?
KoopmanJa, Apemantus.
ApemantusIk hoop dat de handel je ruïneert, als de goden dat al niet doen.
KoopmanAls de handel het doet, dan doen de goden het.
ApemantusDe handel is je god, en ik hoop dat jouw god je ruïneert.
Trompetgeschal. Een boodschapper op.
TimonWat is dat voor een signaal?
BoodschapperHet is Alcibiades met wel een groep
van twintig ruiters.
TimonOntvang ze goed; geleid hen hier naar ons. Enkele dienaren af
Kom echt eens bij mij eten. Ga niet weg
voor ik u bedankt heb. Het is fijn u te zien.
Alcibiades op, en dienaren.

Wees welkom, heer.
Apemantus Nou, nou; kijk nou.
Schiet door die soepele leden, jicht, verlam ze.
Zo weinig echte liefde tussen schurken,
en dan die hoffelijkheid! Het mensenras
is tot aap en baviaan verworden.
AlcibiadesU stilt mijn verlangen, heer, en ik voed
mij bij uw aanblik.
Timon U bent welkom, heer.
Voor u vertrek, rest ons nog ruim de tijd
om samen te genieten. Gaat u binnen. Zij gaan af. Apemantus blijft.
Twee heren op
1e HeerHoe laat is het, Apemantus?
ApemantusHet is tijd voor eerlijkheid.
1e HeerDaar is het steeds de tijd voor.
ApemantusDes te vervloekt dat jij hem nooit benut.
2e HeerGa jij naar het feestmaal van Heer Timon toe?
ApemantusJa, om een schurk vol vlees en een dwaas rood van wijn te zien.
2e HeerNou, tot ziens, nou tot ziens.
ApemantusJe bent een dwaas om twee keer tot ziens te zeggen.
2e HeerWaarom, Apemantus?
ApemantusJe had er eentje voor jezelf moeten houden, want ik ben niet van plan jou zoiets te geven.
1e HeerGa jezelf ophangen!
ApemantusNee, ik doe niets van wat je me vraagt. Doe je verzoek aan je vrienden.
2e HeerWeg, ruzie zoekende hond, of ik trap je eruit.
ApemantusIk vlieg al, als een hond, voor de hoeven van ezels. Af
1e HeerZo'n mensenhater. Zullen we maar gaan
en ons aan Timons mildheid laven? Hij
gaat zelfs het hart der goedheid ver te boven.
2e HeerHij stort het uit. Plutus, de god van het goud,
is zijn beheerder slechts. Wat men hem schenkt
beloont hij zevenvoud: geen gift aan hem,
of die komt ruimer terug dan aflossing
plus rente ooit.
1e Heer Geen enkel mens werd ooit
beheerst door een zo nobel hart.
Tweede Heer Lang leve hij in zijn rijkdom. Zullen we?
Ik ga met u mee. Af



Tweede toneel

Luide muziek van pommers. Een groot banket wordt opgediend. Dan komen op: Heer Timon, Atheense Heren en senatoren; Ventidius, die Timon uit de gevangenis heeft bevrijd; Lucullus en Alcibiades. Rentmeesters en serveerders bedienen. Dan komt, op zijn eentje, na de anderen, Apemantus op, nors als altijd.
VentidiusHooggeëerde Timon, het heeft de goden behaagd
de leeftijd van mijn vader te bezien
en hem tot lange vrede op te roepen.
Hij ging gelukkig, en liet mij rijk achter.
Daar ik in dankbaarheid zeer ben verplicht
aan uw ruim hart, geef ik die talenten terug,
verdubbeld met mijn dank en dienstbaarheid,
die mij vrij hielpen zijn.
Timon Geen sprake van,
vriend Ventidius. U leest mijn hart verkeerd;
dat gaf ik altijd vrij; en wie kan zeggen,
dat hij, wanneer hij terugontvangt, echt geeft.
Zo spelen onze beteren; voor ons is het slecht,
wij mogen niet; krom is bij rijken recht.
VentidiusWelk een edel hart!
TimonPlichtplegingen, heren, zijn vooral bedacht
als glans voor koele daden en hol welkom,
om weer berouwde goedheid te herroepen;
bij ware vriendschap zijn ze overbodig.
Ga zitten; meer welkom bent u tot mijn rijkdom
dan mijn rijkdom tot mij.
Eerste Heer Dat hebben wij, heer, altijd al erkend.
ApemantusZozo, erkend, en toch nog niet gehangen?
TimonDag, Apemantus, u bent welkom.
ApemantusNee, heer, u kunt mij toch niet welkom heten.
Nog voor ik hier ben gooit u mij er weer uit.
TimonDat is niet netjes, man, daar spreekt een inborst
die een mens niet past; ik keur het ernstig af.
Men zegt wel: Ira furor brevis est,
maar die man blijft wel heel erg boos.
Zet maar een tafel klaar voor hem alleen,
want van gezelschap is hij niet gediend,
en daarvoor absoluut ook niet geschikt.
ApemantusHet is op jouw risico, Timon, dat ik blijf;
ik kom goed kijken; ik waarschuw je maar vast.
TimonVoor jou ben ik niet bang; je bent een Athener, en daarom welkom. Als ik dan geen macht heb, dan hoop ik, dat wat hier aan eten gegeven wordt jou stil kan krijgen.
ApemantusDat eten van jou kan me de rug op; ik zou erin stikken, want ik zou jou nooit vleien. O jullie, goden! Hoeveel lui eten van Timon, en hij merkt het niet! Het doet me pijn te zien, dat zo velen hun eten soppen in het bloed van één man; en het toppunt van de waanzin is, dat hij dat nog toejuicht ook.
Hoe durft een mens een ander te vertrouwen.
Geen messen mee, is wat ik aanbeveel,
dan blijft het vleesje en het keeltje heel.
Er zijn voorbeelden te over; de kerel die naast iemand zit, die brood met hem deelt, en op zijn gezondheid drinkt uit de beker die rond gaat, dat is de eerste die hem zal vermoorden. En dat is een bewezen feit. Als ik een groot man was, zou ik bij de maaltijd niet durven drinken, want
tegen het gevaar wanneer mijn strot gaat klinken,
moeten de groten met een halsplaat drinken.
TimonMijn heer, van harte, stuur de beker rond.
2e HeerLaat hem maar deze kant uit vloeien, heer.
ApemantusDie kant uit vloeien? Wat een kerel. Hij weet wanneer het eb en vloed is. Al dat 'Gezondheid!' zal jou en jouw bezit nog eens ziek maken, Timon.
Ik heb hier iets dat te zwak is voor de zonde:
braaf water; dat brengt niemand in de knoei.
Dit is gelijk mijn voedsel; een banket
is veel te protserig voor een dankgebed.
Apemantus' dankgebed.
Goden, ik vraag geen gunsten, neen;
ik bid slecht voor mijzelf alleen.
Maak mij toch nimmer zo gestoord
een man te geloven op zijn woord,
of een hoertje dat betraand kijkt,
of een hond die vast in slaap lijkt,
of een beul die mij wel vrijlaat,
of een vriend die mij vast bijstaat.
Amen. Aanvallen, en vlug.
Rijkaards slempen, ik eet kuch. Hij eet en drinkt
Moge het jouw goede hart bekomen, Apemantus.
TimonKapitein Alcibiades, uw hart is nog te velde.
AlcibiadesMijn hart is altijd tot ùw dienst, mijn heer.
TimonU hebt vast liever vijanden voor uw ontbijt dan vrienden bij het middagmaal.
AlcibiadesAlleen als ze vers bloeden, heer, daar kan geen gerecht tegen op; ik zou mijn beste vriend zo'n feest gunnen.
ApemantusWaren al deze vleiers dan maar jouw vijanden, dan zou je ze kunnen doden; en dan mij vragen voor hun eten.
1e HeerMoge ons slechts het geluk ten deel vallen, heer, dat u ons éénmaal iets zou verzoeken dat onze diepste gevoelens voor u op de proef zou stellen, zodat wij blijk zouden kunnen geven van slechts een deel van onze innige toewijding, dan zouden wij ons voor eeuwig gelukkig voelen.
TimonO, twijfel daar niet aan, mijn beste vrienden; maar de goden zelf hebben beschikt, dat ik de hulp van uw vriendschap nog zeer nodig zal hebben; waarom zouden jullie anders vrienden zijn? Wat dragen jullie die beminnelijke titel onder al die duizenden, als ik jullie niet als eersten in mijn hart draag? Ik heb mijzelf meer van jullie verteld, dan dat jullie in alle bescheidenheid over jullie zelf kunnen vertellen; en met dat al aanvaard ik jullie als waardige vrienden. O goden, denk ik, wat voor nut hebben onze vrienden eigenlijk, als die zich voor ons nooit eens nuttig kunnen maken? Ze zouden de meest nutteloze schepselen zijn als we ze nooit konden gebruiken, en zouden haast lijken op zoetklinkende instrumenten die in hun kasten aan de muur hangen en hun klank voor zichzelf houden. Ach, hoe vaak wenste ik niet dat ik veel armer was, dat ik dichter bij jullie kon staan. Wij zijn van geboorte weldoeners; en wat kunnen wij beter of passender het onze noemen dan de rijkdommen van onze vrienden? O, welk een waardevolle gedachte is het te beseffen zo vele gelijkgestemde broeders te hebben die over elkaars rijkdommen kunnen beschikken. O vreugde, ongedaan gemaakt nog voor zij is geboren. Mijn ogen, merk ik, kunnen het water niet meer tegenhouden. Om hun onvermogen te maskeren, drink ik op jullie.
Apemantus Jouw tranen maken dat zíj drinken, Timon.
2e HeerVreugde bracht in onze ogen hetzelfde voort,
en als een kind sprong ze terstond daar op.
ApemantusHa, ha, een bastaardkindje volgens mij.
3e HeerIk verzeker u, heer, u heeft mij zeer geroerd.
ApemantusZeer, zeer. Trompetgeschal achter
Timon Wat is er? Waarom dat geschal?
Dienaar op
DienaarMet uw verlof, heer, er zijn daar enkele dames die dringend toegelaten wensen te worden.
TimonDames? Wat willen zij dan?
DienaarZe hebben een voorloper bij zich, heer, die als taak heeft hun wensen te verwoorden.
TimonLaat ze dan binnen.
Cupido op
CupidoHeil, waarde Timon, en gij allen die zijn gulheid smaakt. De vijf beste zinnen erkennen u als hun patroon, en komen zich rijkelijk laven aan uw ruimhartige boezem.
Gevoel, tast, zijn vol aan uw dis geweest;
zij komen nu dat ook uw oog nog feest.
TimonZe zijn allen welkom; laat ze vriendelijk binnen.
Muziek, een welkomstwijs. Cupido af
LucullusU ziet, hoe u alom bemind bent, heer.
Muziek. Cupido weer op, met een maskerspel met dames als Amazones, met luiten in hun hand, dansend en spelend.
ApemantusHoppetepoe!
Wat een zwaai ijdelheid komt er op ons toe.
Dansen ook nog? Die vrouwen zijn gek.
Zó'n gekte is de glorie van dit leven,
als deze overdaad bij rats en bonen.
Wij maken ons belachelijk door steeds lol,
en ons gevlei is, mannen op te schrokken
en als ze oud zijn dat weer op te spugen
maar dan met giftige haat en nijd.
Wie leeft en lastert niet, of wordt belasterd?
Wie sterft en draagt geen krenking mee naar het graf
gegeven door een vriend?
Ik moet vrezen dat wie nu hier voor mij danst
mij ooit op het hart treedt. Ik hoor dat meer gebeuren.
Voor een ondergaande zon sluit men zijn deuren.
De heren staan van tafel op, met veel plichtplegingen jegens Timon, en als huldeblijk kiest ieder een Amazone, en allen dansen, de mannen met de vrouwen, op een paar mooie melodieën van de pommers, en daarna beëindigt men de dans.
TimonU heeft ons feest zeer opgeluisterd, dames,
en stijl gegeven aan ons groots vermaak,
dat half zo goed niet was, zo gracieus;
u heeft er waarde en luister aan toegevoegd,
en dit, mijn feest, gekozen voor uw kunst.
Ik moet u daar voor danken.
1e DameOnze beste kant neemt u het hoogste op.
ApemantusNou en of, want de slechtste is smerig, en volgens mij te vies om genomen te worden.
TimonDames, er staat wat hapjes klaar voor u.
Wilt u alstublieft aan tafel gaan.
Alle DamesWij danken u hartelijk, heer. Cupido en dames af
Timon Flavius!
RentmeesterWat wenst u?
Timon Breng me dat kleine kistje eens.
RentmeesterJa, heer. [Terzijde] En almaar meer juwelen.
Zijn dispositie wenst geen tegenspraak,
want 'geld op' - zo het kon zei ik het hem recht af -
helpt hem, zo hij wil, van schuld èn vrienden af.
Had mildheid in haar rug ook maar twee ogen,
dan werd die man nooit om zijn hart bedrogen.
1e HeerWaar zijn onze dienaren?
DienaarHier, heer, tot uw dienst.
2e HeerOnze paarden!
De Rentmeester op, met het kistje. Af
Timon Vrienden, nog een enkel woord
met u. Want ik verzoek u, waarde heer,
om mij te eren doordat dit juweel
bij u in waarde stijgt; aanvaard en draag het,
vriend mijn heer.
1e HeerIk ben u al zo verschuldigd door uw gaven -
AllenDat zijn we allen.
Dienaar op
DienaarMijn heer, enkele edelen uit de senaat zijn zojuist van hun paard gestegen om u te bezoeken.
TimonZe zijn allerhartelijkst welkom. Dienaar af
RentmeesterMag ik u uwe edele nederig verzoeken om een kort onderhoud; het betreft u van nabij.
TimonOns van nabij? Dan hoor ik je graag een andere keer. Ik verzoek je, te zorgen dat die mensen goed ontvangen worden.
Rentmeester[Terzijde] Ik zou echt niet weten hoe.
Een tweede dienaar op

Tweede dienaar Als het u behaagt, heer, de edele Lucius
biedt u uit gulle vriendschap als geschenk
vier melkwitte paarden met zilver tuig.
TimonIk aanvaard ze welwillend. Laat de gaven
waardig in ontvangst nemen. Dienaar af
Een derde dienaar op

Wat is uw boodschap?
3e DienaarMet uw welnemen, heer, de hooggeachte edelman Lucullus verzoekt u morgen met hem te gaan jagen, en heeft Uwe Edele twee koppels windhonden gestuurd.
TimonIk ga met hem mee; en neem ze in ontvangst
beloond naar waarde.
Rentmeester[Terzijde] O, waar moet dit heen?
Hij laat ons rijk onthalen, grote giften,
en alle uit een lege schatkist.
Zijn beurs wil hij nooit zien, nooit laat hij mij
hem tonen dat zijn hart een bedelaar is,
en wat hij wil daar kan ik niet aan voldoen.
Zo ver gaan zijn beloften aan zijn beurs voorbij,
dat alles wat hij zegt schuld is; elk woord brengt hem in min:
zo gul is hij dat het hem nu rente kost;
zíj boeken nu zìjn land. Ik hoop dat men mij
hier vriendelijk ontslaat, voor dat ik er uit móet.
Gelukkiger wie geen vriend iets hoeft te geven
dan hen die zelfs zijn vijand voorbij streven.
Mijn hart bloedt voor mijn heer. Af
TimonU doet uzelf veel onrecht, en
verkleint al uw verdiensten veel te zeer.
Hier, vriend, een klein bewijs van onze vriendschap.
2e HeerMet ongemene dank aanvaard ik het.
3e HeerHij is waarlijk de mildheid zelve.
TimonDat doet me er nog even aan denken, heer; pas geleden nog sprak u lovend over die ruin waar ik op reed. Die is nu van u, omdat u hem zo fijn vond.
3e HeerO, ik verzoek u, heer, dat geschenk te mogen weigeren.
TimonGeloof me als ik zeg, heer, dat men pas
juist prijst wanneer men ergens weg van is.
Ik weeg mijn vrienden naar mijn band met hen,
dat zeg ik u zeker. Ik kom bij u langs.
Alle HerenGeen zal ons zo welkom zijn.
TimonAl wat u geeft, - dat ieder mij bezoekt,
raakt mijn hart zo, dat ik nooit voldoende geef:
ik kon mijn vrienden koninkrijken geven,
en nooit ophouden. Alcibiades,
jij bent soldaat, en daarom zelden rijk;
het komt je in gaven toe: want jouw bestaan
is tussen doden; wat jij hebt aan land
is een veld in slagorde.
AlcibiadesDe orde is verstoord, heer.
1e HeerWij allen zijn u zo innig verplicht-
TimonEn ik aan jullie.
2e HeerZo grenzeloos genegen -
TimonDit alles ook aan u. Licht, meer licht.
1e HeerMoge alle geluk, eer en fortuin u steeds vergezellen, heer Timon!
TimonEn steeds zijn vrienden dienend. Allen af, behalve Timon en Apemantus
Apemantus Wat een gedoe,
dat konten omhoog, dat gekwispelstaart.
Zijn die benen van hen het geld wel waard
dat ze krijgen. De vriendschap zit vol prut.
Een vals hart mag geen knipknieën met fut.
De echte sul belegt zijn geld in buigen.
TimonNou Apemantus, als je niet zo mopperde,
zou ik goed voor je kunnen zijn.
ApemantusNee, dat wil ik niet; want als ik ook omgekocht was, zou er niemand over zijn om op jou te kankeren, en dan zou je nog vlugger zondigen. Jij geeft zo lang weg, Timon, dat ik bang ben dat je jezelf binnenkort op papier weg zal geven. Wat moet al dit gefeest, al dit gepronk en al die schone schijn?
TimonJa, als je nou ook nog op de gezelligheid gaat kankeren, dan zweer ik dat ik je helemaal niet meer zie zitten. Vaarwel, en kom de volgende keer maar eens met een ander muziekje.
ApemantusPrima. Jij wil nu niet naar me luisteren; dan ook nooit. Dan doe ik mijn hemel vol advies voor jou op slot.
Wat is de mens toch doof voor raad;
wat luistert hij alleen naar vleierspraat. Af