Google



terug naar de beginpagina de personages meer over dit stuk

Twee heren uit Verona

Two gentlemen of Verona
William Shakespeare
vertaling : Jan Jonk

Eerste Bedrijf
Eerste toneel

Valentijn en Proteus op
ValentijnJouw praten helpt niet, beste Proteus;
wie jong is en maar thuis hangt wordt niet wijs.
Het is dat jouw jeugd door liefde is geketend
aan het zoete lonken van jouw teerbeminde,
anders had ik je zeker meegevraagd
de wonderen van de wereld te gaan zien
in plaats van als een lome lammeling thuis
je jeugd in slap rondhangen te verdoen.
Maar ja, jij bent verliefd; ga door, jij groeit;
net als ik, als mij ooit de liefde boeit.
ProteusZo, ga jij weg? Tot ziens, vriend Valentijn;
denk aan jouw Proteus, als je op je reis
misschien iets heel opmerkelijks tegenkomt.
Wens mij als deelgenoot in jouw geluk,
als het je goed gaat; ben je in gevaar
(als een gevaar jou ooit bedreigen mocht)
beveel jouw nood dan aan mijn vroom gebed,
want voor je bidden zal ik, Valentijn.
ValentijnDus jij bidt voor mij uit een liefdeboek?
ProteusUit een boek dat ik min, bid ik voor jou.
ValentijnDus op een min verhaal van diepe liefde,
hoe dat Leander de Hellespont bedwong.
ProteusEen diep verhaal, van nog veel diepere liefde;
hij zat over zijn enkels in de min.
ValentijnJuist; u nog meer, tot over de oren min,
en toch zwom u nooit in de Hellespont.
ProteusOver de oren? Was mij de oren niet.
ValentijnMoet je hem horen; het is ongehoord.
Proteus Wat?
ValentijnVerliefd; minachten is het loon van smachten,
verlegen van hartenpijn; één vluchtig lachje
van twintig nachten op, moe, eindeloos;
en als je al wint, is het licht zonder zoet;
als je verliest, is zwaar zuchten je winst;
het is even wild zijn wie zijn hoofd verliest,
of het hoofd kwijt, wanneer het wilde wint.
ProteusMet wat u daar zegt, maakt u mij tot dwaas.
ValentijnUit wat u daar zegt, blijkt dat, vrees ik, waar.
ProteusU zet de Liefde een hak: ik ben geen Liefde.
ValentijnLiefde is uw meester, die u geheel beheerst;
en wie het juk moet dragen van zo’n dwaas,
zal nooit door kunnen gaan voor heel erg wijs.
ProteusDe dichter zegt: zoals de zoetste knop
bewoond wordt door de worm, zo knaagt de Liefde
diep in het best bewaakte knopje voort.
ValentijnEn hij zegt ook: zoals de vroegste knop
verteerd wordt door de worm, vóór hij ontluikt,
zo maakt de Liefde wat jong is, al zacht,
nog in de knop al dol, en hij verwelkt,
verliest zijn groen, zodra hij openvouwt,
en al wat hij aan vrucht ooit hopen kon.
Maar wat verspil ik mijn tijd met raad aan jou,
die zich aan heftig minnen heeft verpand?
Nogmaals, tot ziens: mijn vader wacht op mij
daar bij de kade, want hij zwaait mij uit.
ProteusDan loop ik met je mee, toch, Valentijn.
ValentijnNee, Proteus, laat ons hier maar afscheid nemen.
Maar schrijf me in Milaan, hoe het je vergaat
op het mingebied; en wat er verder nog
voor nieuws is hier, sinds dat je vriend vertrok;
ik zal jou ook vaak bezoeken met een brief.
ProteusIk wens je al wat goed is in Milaan.
ValentijnVoor u hetzelfde thuis; en nu, tot ziens. Af
ProteusHij zucht naar eer, ik liefde; hij verlaat
zijn vrienden, om ze meer te eren; ik laat
mijzelf, mijn vrienden, alles, om de liefde;
jij, Julia, hebt mij van mijzelf vervreemd;
zodat ik de studie beu ben, tijd verkwist,
lach om de wereld, raad niet zie als goed,
mij suf pieker, en zwaar ben van gemoed.
Flink op
FlinkDag, heeft u mijn meester gezien, Heer Proteus?
ProteusHij is net weg; vaart zo af naar Milaan.
FlinkDan is hij, tien tegen één, al op het schip,
en ben ik, die hem kwijt raakte, een schaap.
ProteusEr gaat met schapen altijd wel iets mis,
wanneer de herder niet ter plekke is.
FlinkDus u wilt beweren, dat mijn meester een schaapherder is, en ik een schaap?
ProteusJa.
FlinkNou, dan zijn mijn horens zijn horens, of ik nu slaap of wakker ben.
ProteusPrecies het antwoord van een onnozel schaap.
FlinkDus u stelt nog steeds dat ik een schaap ben?
ProteusZeker; en je meester een herder.
FlinkNou, dat kan ik weerleggen met een argument.
ProteusIk maak mij sterk dat ik het tegenovergestelde kan bewijzen.
FlinkDe herder zoekt de schapen, en niet de schapen de herder; maar ik zoek mijn meester, en mijn meester zoekt mij niet: dus ben ik geen schaap.
ProteusDe schapen volgen de herder om het voer, de herder loopt niet achter de schapen aan om eten te krijgen; jij gaat achter je meester aan om je loon, jouw meester volgt jou niet om loon: dus ben jij een schaap.
FlinkNog zo’n bewijs, en ik ga bèè roepen.
ProteusMaar luister eens: heb jij mijn brief aan Julia gegeven?
FlinkJa, meneer; ik, een verloren schaap, heb uw brief gegeven aan haar, een opgedirkt schaap, en zij, een opgedirkt schaap, gaf mij, een verloren schaap, niets voor de moeite.
ProteusDat weitje is te klein voor zo’n groot schapen kuddetje.
FlinkAls wij te weinig wei hebben, zou u ze er altijd nog met een flinke paal van langs kunnen geven.
ProteusNou, daar gaat u toch bepaald verkeerd; ik zou u in een kooi kunnen zetten.
FlinkMaar, meneer, een fooi zou voor mij al genoeg zijn, dat ik uw brief heb weggebracht.
ProteusDat hoort u verkeerd; ik bedoel een kooi, een hok.
FlinkVan kooien tot hokken? Mesjokke, een dief:
drie keer te weinig voor een brief naar uw lief.
ProteusMaar wat heeft ze gezegd?
Flink[Hij knikt eerst] Ja.
ProteusJa-knikker: maar dat is wel raar.
FlinkU vergist zich: ik zei dat ze knikte; en u vroeg mij of ze knikte, en toen zei ik ‘Ja’.
ProteusAls ik dat allemaal optel, kom ik tot ‘Ja-knikker’, en dat is raar.
FlinkNu u de moeite hebt genomen, dat bij elkaar te halen, mag u het voor de moeite houden.
ProteusNee, nee, u mag het houden omdat u de brief hebt besteld.
FlinkZo, ik merk dat ik met u nog heel wat te stellen heb.
ProteusHoezo heb jij nog heel wat met mij te stellen, kerel?
FlinkNou, meneer, zo’n brief bestellen, en dan niets meer voor de moeite krijgen dan ‘Rare Ja-knikker’.
ProteusO, neem mij niet kwalijk, hoor, maar u bent wel gauw op uw teentjes getrapt.
FlinkMaar die halen uw langzame beurs toch niet in.
ProteusKom, kom, voor de dag ermee, wat heeft ze gezegd?
FlinkVoor de dag met uw beurs, dan kunnen geld en goed gelijk worden afgeleverd.
Proteus[Geeft hem geld] Goed, kerel; hier is wat voor de moeite. Wat heeft ze gezegd?
FlinkNou, meneer, ik denk niet, dat u veel hoop op haar moet hebben.
ProteusZo, heb je dat allemaal uit haar gekregen.
FlinkMeneer, ik heb helemaal niets uit haar gekregen; niet eens één dukaat omdat ik uw brief kwam afleveren; en omdat ze zo hard tegen mij was, ik, die toch uw hart bracht, denk ik dat ze tegenover u even hartvochtig zal zijn als u zelf tegen haar praat. Geef alleen stenen als liefdeblijken, want zij is hard als staal.
ProteusWat zei ze dan? Niets?
FlinkNou, niet eens: ‘Dit is voor de moeite’. Dank u zeer, de grootte van uw mildheid kan ik duidelijk herkennen aan dit kwartje; als dank daarvoor kunt u voortaan uw brieven maar beter zelf gaan brengen; en dan ga ik
nu mijn meester de groeten van u doen. Af
ProteusGa maar, red jullie schip van de ondergang,
dat zo, met jou aan boord, niet kan vergaan,
die tot een droge dood aan land bestemd is.
Dan moet ik nu een betere bode sturen;
mijn Julia leest mijn schrijven zeker niet,
als het komt van een zo’n stomme postbode. Af



Tweede toneel

Julia op en Lucetta
JuliaZeg eens, Lucetta, we zijn toch alleen,
jij zag dus graag dat ik verliefd werd, hè?
LucettaJa, jonkvrouw, maar dan niet hals over kop.
JuliaWie uit de fraaie kring van edelen
die mij hier elke dag komen omringen
is volgens jou het meest de liefde waard.
LucettaAls u hun namen noemt, dan zeg ik u
wat ik in al mijn eenvoud van hen denk.
JuliaWat vind jij van de mooie Eglamour?
LucettaHij is elegant, en welbespraakt en fijn;
maar nee, mijn keuze zou hij vast niet zijn.
JuliaDie rijke heer, dan, die Mercatio?
LucettaZijn geld is prima, maar hij zelf, zo-zo.
JuliaEn Proteus dan, die aardige jongeman?
LucettaHoe dwaasverliefd ons hart verleiden kan!
JuliaWaarom zo’n vuur bij het horen van zijn naam?
LucettaPardon, mevrouw, dat is omdat ik me schaam:
ik, een onwaardig schepsel, sta zomaar
met een oordeel over lieve mannen klaar.
JuliaWaarom niet over Proteus, als de rest?
LucettaVan alle goeden, vind ik hem het best.
JuliaEn waarom dan?
LucettaIk heb geen reden dan het waarom van vrouwen:
ik vind hem zo, omdat ik hem zo vind.
LucettaWil jij dat ik mijn hart hem schenken moet?
JuliaAls u uw hart niet weggegooid denkt, ja.
JuliaVan allen heeft hij mij nooit het hof gemaakt.
LucettaToch is juist hij het diepst door min geraakt.
JuliaUit zijn stilzwijgen spreekt een koel gemoed.
LucettaHet stilste vuur brandt met de felste gloed.
JuliaHij mint heel niet wiens min men het minste ziet.
LucettaHij mint het minst wiens min men het meeste ziet.
JuliaAls ik zijn hart eens kende.
LucettaLees dit papier, mevrouw.
Julia‘Aan Julia’: zeg eens, van wie?
LucettaDat zegt de inhoud wel.
JuliaWie heeft jou dat gegeven, kom.
LucettaDe page van Heer Valentijn; van Proteus, volgens mij.
Hij wilde het u zelf geven, maar ik nam het aan;
neem het mij niet kwalijk, als het fout is gegaan
JuliaWel, bij mijn kuisheid, wat een koppelaarster!
Waagt u het, vrijpostige brieven aan te nemen?
Mijn jeugd met fluisterplannen te belagen?
Nou, geloof me, dat is een voortreffelijk ambt,
en u bent daar voortreffelijk voor geschikt.
Pak aan die brief; bezorg hem weer terug,
of ik wil u van zijn leven nooit meer zien.
LucettaEen liefdedaad verdient meer loon dan smaad. Zij laat de brief vallen
JuliaGaat u nou nog?
Lucetta Vraag nu uzelf om raad. Af
JuliaHad ik die brief toch maar gelezen net.
Het zou ongepast zijn, als ik haar terug riep,
en dat liet doen waarvoor ik zo tekeer ging.
Zij weet dat zij me als meisje dwingen moet
die brief te lezen; O, hoe dom van haar.
Want meisjes zeggen, zedig, altijd ‘nee’,
maar willen dat wie vraagt toch ‘ja’ verstaat.
Foei, foei; wat is de liefde nukkig, dwaas,
dat ze, als een lastig kind, de min eerst krabt,
en direct daarna braaf de roede kust.
Hoe vinnig schold ik net Lucetta weg,
als ik haar zo graag hier gehouden had.
Hoe boos liet ik rimpels in mijn voorhoofd toe,
als vreugd in het hart dat tot glimlachen dwong.
Lucetta terug roepen is nu mijn straf,
en voor mijn dwaasheid haar vergeving vragen.
Hé daar, Lucetta!
Lucetta op
Lucetta Wat wenst mejonkvrouw?
JuliaIs het nog geen etenstijd?
Lucetta Was dat maar zo,
dan kon u uw boosheid op uw eten koelen,
en niet op uw dienstmeisje. Ze raapt de brief van Proteus op
JuliaWat hebt u daar voorzichtig opgeraapt?
LucettaO, niets.
JuliaWaarom heb je je dan gebukt?
JuliaOm een papier dat ik had laten vallen.
JuliaEn dat papier is niets?
LucettaNee, niets wat mij betreft.
JuliaLaat het dan liggen voor wie het wel betreft.
LucettaHet ligt niet te liegen van wat het betreft,
tenzij dat het verkeerd wordt uitgelegd.
JuliaEen van uw aanbidders schreef u iets op rijm.
LucettaDat ik het op een wijsje zing, mevrouw;
u componeert toch; geef me maar een wijsje.
JuliaVoor dit soort luchtigheden eigenlijk niet:
maar zing het maar op de wijs van ‘Luchte Liefde’.
LucettaHet is veel te zwaar voor een zo lichte wijs.
JuliaTe zwaar? Heeft het soms een liggende bas?
LucettaJa; en het zou mooi zijn als u die zong
JuliaEn waarom u niet?
Lucetta Ik kom niet zo hoog.
Julia[Neemt de brief] Laat uw liedje eens zien. Wel, wel, jij, heksje.
LucettaNiet van de wijs raken: zo vliegt u eruit. Julia slaat haar
Maar ik vind dat toontje eigenlijk niet leuk.
JuliaO, nee?
LucettaNee, mevrouw, u knijpt teveel.
JuliaU bent te scherp, heksje.
LucettaNou, u bent wel direct;
u stoort de tweeklank door een te schril loopje:
er ontbreekt aan uw lied nog een middenstem.
JuliaDie gaat verloren door al uw gebas.
LucettaIk wou Proteus inderdaad erbij betrekken.
JuliaDie onzin zal mij voortaan niet meer kwellen.
Al dat gedoe met liefde en met eden. Zij verscheurt de brief
Kom, laat die snippers liggen, en verdwijn.
Om mij te ergeren, pikte u ze weg.
LucettaZe houdt zich koel, maar zou bepaald graag zien,
dat zij nog eens met zo’n brief werd geplaagd. Af
Julia[Ze raapt stukjes brief op]
Ach, werd ik maar geplaagd door dèze brief.
Foei, handen, lieve woordjes zo verscheuren;
roofwespenpaar, dat zoete honing vreet,
en het bijenvolkje dat het haalt doorsteekt!
Om het goed te maken kus ik ieder stukje.
Kijk, hier staat: ‘Lieve Julia’: slechte Julia.
Als straf voor jouw ondankbaarheid werp ik
jouw naam hier op de harde grond, en trap
jouw hoogmoed met verachting in het stof.
Hier staat geschreven ‘Min doorwonde Proteus’.
Rust op mijn boezem-bed, arme gekwetste,
totdat jouw wonde helemaal is geheeld;
zo geef ik die door en door de koningskus.
Wel twee, tot drie keer schrijft hij ‘Proteus’ hier:
kalm, beste wind, en blaas geen woordje weg,
tot ik elke letter teruggevonden heb,
behalve mijn eigen naam, die een wervelwind
maar naar een enge uitsteekrots moet dragen
en neergooien in de kolkende zee.
Hier is een regel met zijn naam twee keer:
‘Onzalige Proteus’, ‘Bedroefde Proteus’.
‘Aan lieve Julia’: dat scheur ik maar weg.
Nee, toch maar niet, omdat hij het zo lief
naast zijn zwaarmoedige namen heeft gezet.
Ik vouw ze zo, dat de een de ander raakt:
kus maar, omhels, vecht, doe maar wat je wilt.
Lucetta op
LucettaMevrouw, het eten staat klaar; uw vader wacht.
JuliaLaat ons dan gaan.
LucettaMoeten die snippers hier alles verklappen?
JuliaAls u er iets om geeft, raap ze dan op.
LucettaToen ik ze vallen liet, kreeg ik op mijn kop.
Maar als ze blijven liggen, krijgen ze kou. Ze raapt de snippers op
JuliaIk merk dat u er langzaam iets om geeft.
LucettaAch, ja, mevrouw, u zegt maar wat u ziet;
maar ik zie ook, al lijken mijn ogen dicht
JuliaKom, kom, gaat u nog mee? Beiden af



Derde toneel
Antonio en Panthino op
AntonioZeg eens, Panthino, welk ernstig gesprek
had u straks in het klooster met mijn broer?
PanthinoHet ging over zijn neef Proteus, uw zoon.
AntonioWat zei hij dan?
Panthino Het verbaasde hem, dat u
hem thuis zijn jeugd verdromen laat, terwijl
vele anderen, van mindere faam en stand,
hun zonen voor hun bestwil het huis uit sturen:
de oorlog in, - misschien ligt daar het geluk -,
of eilanden ontdekken, heel ver weg,
of hard studeren aan de universiteit.
Proteus, uw zoon, zei hij, was overal
geschikt voor, hij kon ieder vak wel aan,
en hij vroeg mij er bij u op aan te dringen,
dat hij zijn tijd niet moet verdromen thuis;
als hij ooit oud is zal hij het betreuren,
dat hij toen hij jong was nooit heeft gereisd.
AntonioJij hoeft bij mij niet constant aan te komen,
met waar ik al heel de maand aan denken moet.
Ik weet heel goed dat hij zijn tijd verknoeit,
en dat hij nooit een volmaakt man kan zijn,
wanneer de wereld hem niet mondig maakt.
Ervaring wordt door toewijding bereikt,
die wordt geperfectioneerd door tijd.
Waar stuur ik hem het best, vind je, naar toe?
PanthinoUwe hoogheid weet beslist, denk ik, hoe dat
zijn metgezel, de jonge Valentijn,
zich aan het keizerlijke hof bevindt.
AntonioDat is mij bekend.
PanthinoUwe hoogheid stuurt hem maar het beste daarheen:
hij oefent er het steekspel en toernooien,
hij hoort er hoofse taal, ontmoet de adel,
en zal getuige zijn van alles wat
goed bij zijn jeugd en nobele afkomst past.
AntonioEen goede advies; dat heb jij goed doordacht.
Opdat jij kunt zien, hoezeer het mij bevalt,
wordt het onmiddellijk nu uitgevoerd.
Zo snel als het maar enigszins kan gaan,
stuur ik hem naar het keizerlijke hof.
PanthinoMorgen, met uw verlof, zal Don Alphonso
met andere edelen van hoog aanzien
op weg gaan om de Keizer te begroeten
en hem hun diensten nederig aan te bieden.
AntonioEen goed gezelschap: met hen moet hij mee.
Proteus op

Wel, als geroepen, dan hoort hij ons plan.
Proteus[Terzijde] O, zoete liefde, zoete taal, zoet leven.
Hier is haar hand, waarmee haar hart zich uit;
hier is haar liefdeseed, haar pand van eer.
Als beider vaders met hun toestemming
ons liefdesgeluk toch bezegelden!
O, hemelse Julia!
AntonioWel, wel. Wat leest u daar toch voor een brief?
ProteusMet uw verlof, hoogheid, een enkel woord
van Valentijn, die mij zijn groeten stuurt.
AntonioGeef mij die brief, laat zien welk nieuws hij heeft.
ProteusEr is geen nieuws, heer, enkel dat hij schrijft
hoe goed dat het hem gaat, hoezeer geliefd,
en dagelijks door de Keizer hoog geëerd;
hij wenst mij daar, om zijn geluk te delen.
AntonioEn wat denkt u ten aanzien van zijn wens?
ProteusIk voel me onderworpen aan uwe hoogheids wil,
en niet gebonden aan zijn wens als vriend.
AntonioMijn wil is vrijwel hetzelfde als zijn wens.
Verbaas u niet over mijn plots besluit,
want wat ik wil, dat wil ik, daarmee uit.
Ik heb besloten, dat jij enige tijd
met hem aan het keizerlijke hof zult leven:
het onderhoud dat hij krijgt van zijn vrienden,
diezelfde toelage krijg jij van mij.
Zorg dat je morgen klaar staat om te gaan.
Geen tegenspraak: dit is mijn vast besluit.
ProteusZo snel, heer, kan ik niet reisvaardig zijn;
heeft u misschien een dag of twee respijt?
AntonioAl wat je nodig hebt stuurt men je na.
Niks, blijven, meer; jij moet echt morgen gaan.
Kom mee, Panthino; ziet u erop toe,
dat deze reis met spoed begint. Antonio en Panthino af
ProteusZo bleef ik ver van het vuur, bang om te branden,
en stortte ik me in zee, waar ik verdrink.
Vader mocht van mij Julia’s brief niet zien,
want hij was vast met bezwaren gekomen,
en, kijk nou, met de list die ik verzon,
belemmert hij mijn liefde helemaal.
Wat lijkt de lente van de liefde toch
zo’n dag in april met onzeker weer:
eerst stralend met een prachtig-mooie zon,
en dan allemaal wolken, steeds maar meer.
Panthino op
PanthinoUw vader, Proteus, vraagt of u komen kan.
Hij heeft haast, dus kom alstublieft snel mee.
ProteusAch, ja, mijn hart stemt toe, daar gaan we dan,
al antwoordt het wel duizend keren ‘Nee’. Beiden af