Google



terug naar de beginpagina de personages meer over dit stuk

Wintersprookje

winter's tale
William Shakespeare
vertaling : Jan Jonk

Eerste bedrijf
Eerste toneel
Camillo op en Archidamus
ArchidamusAls u toevallig ooit in Bohemië komt, Camillo, om dezelfde soort redenen als waarvoor ik hier wordt gebruikt, dat zult u, zoals ik al zei, een groot verschil zien tussen ons Bohemië en uw Sicilië.
CamilloIk denk dat de Koning van Sicilië van plan is deze zomer de koning van Bohemië het bezoek te gaan brengen dat hij hem van rechtswege schuldig is.
ArchidamusVoor zover ons onthaal ons voor schut zal zetten, zullen we dat goedmaken met vriendelijkheid: want inderdaad -
CamilloNou, alstublieft -
ArchidamusOch, ik heb het recht zo te spreken want ik weet waar ik het over heb: wij kunnen gewoon niet met dat soort luister - zo buitengewoon - hoe zal ik het zeggen - We zullen u slaapdrankjes geven, dat uw zintuigen (die dan niet te weten komen hoezeer wij tekortschieten) zo niet goed van ons getuigen, dan toch evenmin ons beschuldigen.
CamilloU bent veel te kwistig met uw dank voor wat u van harte wordt geschonken.
ArchidamusGeloof me, ik spreek zoals mijn verstand het mij ingeeft, en zoals mijn eerlijkheid het mij doet uitspreken.
CamilloOnze koning Sicilië kan zich nooit te vriendelijk betonen tegen uw koning Bohemië. Vanaf hun vroegste werden ze samen opgevoed, en er wortelde tussen hen zo’n vriendschap, dat die nu wel tot bloei moet zijn gekomen. Sinds hun positie als hoogwaardigheidsbekleders op rijpere leeftijd en koninklijke verplichtingen hun wegen deden scheiden, is de uitwisseling van geschenken, brieven en vriendschappelijke gezantschappen, in de plaats getreden van persoonlijke ontmoetingen, zodat het leek dat ze samen waren, ook al zagen ze elkaar nooit; ze drukten elkaar de hand, als op grote afstand; en omhelsden elkaar, als het ware vanaf de windbronnen tegenovergesteld op het kompas. De hemel hoede hun vriendschap.
ArchidamusEr is, volgens mij, geen boosheid of kwestie ter wereld ook die dit kan veranderen. Jullie boffen toch mar geweldig met die jonge kroonprins van jullie, Mamillius: het is een edelman met de grootste verwachting die ooit onder mijn aandacht gekomen is.
CamilloIk ben het helemaal met uw goede verwachtingen eens: het is een heerlijk kind; een kind dat de hele natie echt moed geeft en oude harten een hart onder de riem steekt; wie op krukken ging, vóór hij geboren werd, willen nu graag blijven leven om hem nog man te zien.
ArchidamusZouden ze anders liever sterven?
CamilloJa, als ze toch geen ander excuus hadden om in leven te willen blijven.
ArchidamusAls de koning geen zoon had, zouden ze op krukken willen blijven leven tot hij er een had.
Allen af



Tweede toneel

Leontes op, Hermione, Mamillius, Polixenes, Camillo, en bedienden
PolixenesDe herder heeft al negen maal de ster
van het water vol gezien, sinds we onze troon
thuis onbelast lieten. Evenveel tijd
zou het mij kosten, u te danken, broer;
en nog bleven wij bij ons vertrek eeuwig
in uw schuld: en daarom, als bij een nul
op een goede plaats, vermenigvuldig ik
met één ‘Wij danken u’ de duizenden
die eraan voorafgingen.
Leontes Spaar uw dank even,
betaal pas als u gaat.
Polixenes Dat is morgen, heer.
Ik vraag mij angstig af, wat er gebeurt
of zich ontwikkelt nu wij er niet zijn;
een bijtende wind, dat ik zeggen zou:
‘Mijn voorgevoel was juist’. En bovendien
bent u mij vast al beu.
Leontes Wij zijn veel sterker
dan u ons op de proef stelt.
PolixenesIk kan niet blijven.
LeontesNog één klein weekje, dan.
Polixenes Nee, morgen, echt.
LeontesDan delen we het verschil: en ik duld daarbij
geen tegenspraak.
PolixenesNee, dring toch niet zo aan.
Geen tong ter wereld zou mij net zo vlug
overhalen als die van u: en nu ook,
als uw verzoek voor u noodzakelijk was,
al zou ik het moeten weigeren. Staatszaken
slepen mij haast naar huis: als u dat verhindert,
hoewel uit vriendschap, is mij dat een straf;
als ik blijf, is dat u een last; geen van twee kan,
dus, dag, broer.
Leontes Uw tong kwijt, koningin? Spreek.
HermioneIk had willen zwijgen, heer, totdat u hem
een eed onttrokken had dat hij niet kon blijven.
U dringt niet scherp genoeg aan. Zeg hem, ginds,
thuis, is alles goed; dat geruststellende bericht
kwam gisteren binnen: daarmee slaat u hem
zijn beste wapen uit handen.
Leontes Goed zo, Hermione.
HermioneZegt hij, dat hij zijn zoon wil zien, klinkt goed:
laat hem dat dan maar zeggen, laat hem gaan;
als hij er ook nog op zweert, dan blijft hij niet,
maar jagen we hem met spinrokken naar huis.
Toch waag ik het, koninklijke gast, te vragen,
om nog één week. Als u in Bohemië
mijn man onderhoudt, geef ik hem verlof
voor een extra maand voorbij de tijd die al
vastligt voor zijn vertrek; en, echt, Leontes,
bij een vrouw voor haar gemaal loopt mijn liefde
geen tikje achter. Blijft u?
Polixenes Nee, mevrouw.
HermioneAch, toe, u moet.
Polixenes Het kan echt niet, werkelijk.
HermioneEcht niet!
U scheept mij af met een slappe eden; maar,
al zwoer u alle sterren uit hun sfeer,
dan zei ik toch: ‘U gaat niet, heer’. Echt niet,
u mag niet weg: het ‘Echt niet’ van een dame
is sterk als van een man. Wilt u toch gaan?
Dwing mij om u als gevangene hier te houden,
niet als een gast: dan kunt u bij uw vertrek
betalen, zonder bedanken. Wat vindt u?
Mijn gevangene? Of mijn gast? Bij uw ‘Echt niet’,
het wordt één van de twee.
PolixenesDan uw gast, mevrouw:
ik zou u als gevangene iets hebben misdaan;
wat voor mij minder makkelijk was te doen,
dan voor u te bestraffen.
Hermione Geen cipier, dus,
maar aardige gastvrouw. Wat heeft u, als jongen,
zoal uitgehaald samen met mijn man?
Jullie waren best lastig, hè?
Polixenes Mevrouw,
wij waren een stel, dat alleen maar dacht,
dat er morgen een dag kwam als vandaag,
en wij altijd jongens.
Hermione En was mijn man
niet de ergste van jullie?
PolixenesAls tweelinglammetjes stoeiden we in de zon,
en blaatten we naar elkaar: al wat wij ruilden
was onschuld voor onschuld: wij wisten niets
van de leer van het kwaad, en droomden
van niemand slecht. Hadden we zo voortgeleefd,
was onze zwakke geest nooit opgestuwd
door sterker bloed, dan hadden wij de hemel
fier ‘Niet schuldig’ verklaard, behoudens de schuld
ons aangeërfd.
Hermione Dan volgt daaruit, dat u
daarna gestruikeld bent.
Polixenes O, heilige dame,
wij werden voor het eerst toen echt bekoord:
mijn vrouw was in die floddertijd nog kind;
uw schoonheid had de blik nog niet gekruist
van mijn speelkameraad.
Hermione Nee, niet nog meer.
Denk dat niet verder door; direct zegt u nog,
dat uw vrouw en ik duivels zijn. Maar, goed;
het kwaad wat wij u lieten doen, is onze fout,
als u eerst zondigde met ons, met ons
doorging in de fout, zonder een slippertje
met anderen dan ons.
Leontes En, blijft hij al?
HermioneHij blijft, mijn heer.
Leontes Toen ik het vroeg wou hij niet.
Liefste Hermione, met meer succes
heb jij nog nooit gesproken.
Hermione Nooit?
Leontes Eén keer.
HermioneWat? Twee keer iets goeds gezegd? Wanneer dan eerst?
Toe: eerst vol lof, en dan ons vetgemest
als een huisdier: één keer iets goeds, niet geroemd,
stopt duizenden die anders zouden volgen.
Lof is ons loon. U rijdt ons duizend mijl
met één lief kusje, waar we geen stap doen
als u ons afrost. Maar, ter zake nu:
mijn laatste goede daad is, dat hij blijft:
wat was mijn eerste? Er was een ouder zusje,
als ik u goed begrijp? Heet zij soms Gratie?
Nog één keer goed gesproken? Wanneer dan?
Hé, zeg dan! Ik wil het weten.
Leontes Nou, het was, toen
drie bittere maanden zich dood moesten kniezen,
vóór jij mij je blanke hand opende
en mij je liefdehand drukte; toen sprak jij:
‘Eeuwig ben ik van u’.
Hermione Ja, dat is pas Gratie.
Zo ziet u maar: ik heb tweemaal goed gesproken:
eerst won ik voor altijd een trouw echtgenoot,
en nu een vriend, voor even. Zij geeft Polixenes haar hand
Leontes Graag, te graag!
Vriendschap te zeer vermengd, vermengt hun bloed.
Ik heb tremor cordis hier, en mijn hart danst,
maar niet van vreugd - geen vreugd. Onschuldig, ja,
kan dit soort omgang zijn, die op vrijheid duidt
uit hartelijkheid, gulheid, genegenheid,
die de betrokkene siert; dat kan, ja, ja;
maar met handjes spelen, en vingers drukken,
zoals zij nu, en fijn, berekenend lachen,
als voor een spiegel; en dan zuchten, als het ware
het signaal van de hertendood - O, dat soort omgang
is niets voor mijn hart, of voorhoofd. Mamillius,
ben jij het, mijn jongen?
Mamillius Ja, mijn heer.
Leontes Waarachtig:
zo ken ik mijn jongen. Wat! Is je neus vuil?
Ze zeggen dat het net mìjn neus is. Kom, baasje,
we moeten netjes zijn; niet netjes, schoon, baasje;
toch heten stier en vaars en kalf allemaal
hoornvee. - Zitten haar virginaalvingers
nog steeds op zijn palm! - U daar, dartel kalf!
Ben jij mijn kalfje?
Mamillius Als u dat wilt, mijn heer.
LeontesJe mist de ruw behaarde stierenkop
en horens van mij: toch zeggen ze dat wij
als waterdruppels zijn; vrouwen zeggen dat,
(die zeggen alles): maar waren ze vals
als geverfd rouwzwart, als wind, water; vals
als dobbelstenen van wie geen grens kent
tussen mijn en dijn, dan nog is het waar
dat deze jongen op mij lijkt. Kom eens hier,
kijk me eens aan met uw hemelsblauw: boefje!
Mijn schatje, stuk van me! Kan je moeder? - Tja? -
Begeerte! Uw heftigheid raakt in het hart!
U volbrengt wat men onmogelijk dacht,
graaft in de diepste dromen - hoe kan dit? -
werkt samen met wat onwerkelijk is,
maakt wat niet is tot vriend: dan is het heel denkbaar,
dat u zich echt verbindt - dat doet u ook,
(en dat meer dan mag), en ik merk het op,
(en dat maakt mijn hersenen helemaal ziek
en hardt mij het voorhoofd).
Polixenes Wat heeft de koning?
HermioneHij lijkt een beetje in de war.
Polixenes Gaat het, heer?
Alles in orde? Hoe is het, beste broer?
HermioneUw voorhoofd lijkt bezwaard met vele zorgen:
bent u soms ergens kwaad om, heer?
Leontes Nee, echt niet.
Ach, soms verraadt natuur hoe dwaas zij is,
hoe teder, als zij zelfs een tijdverdrijf
voor hardere boezems wordt. Ik zag bij mijn zoon
de lijnen in het gezicht, en ik zag mij terug,
voor drieëntwintig jaar, de benen bloot,
een groen fluwelen buis; mijn dolk met kap,
dat hij zijn meester niet zou bijten, en zo,
als vaak sieraden, te gevaarlijk bleek:
hoezeer, meende ik, leek ik toen op die kern,
dit peultje, deze heer. Mijn beste vriend,
laat u zich ook wel eens beetnemen?
MamilliusNee, heer, dan ga ik vechten.
LeontesO ja? Nou, het allerbeste dan. Mijn broer,
Bent u ook zo dol op uw prins als wij
op die van ons lijken?
Polixenes Als ik thuis ben,
ben ik er voor hem, is hij mijn vreugd, mijn denken:
mijn vijand, dan weer mijn gezworen vriend;
hij volgt mij steeds, mijn vechter, staatsman, alles.
Een julidag maakt hij kort als december;
en met zijn kindergrappen vrolijkt hij
mij op waar het bloed mij dikker wordt.
Leontes Zo’n taak
vervult deze heer: wij trekken ons nu terug,
en laten u wat waardigers. Hermione,
bewijs aan onze broer hoe u ons liefhebt;
geef vrijelijk alles wat wij kunnen bieden:
na jou en mijn wild jongske heeft hij recht
op mijn genegenheid.
Hermione Als u ons zoekt:
wij zijn ginds in de tuin; zullen wij daar wachten?
LeontesDoe toch zoals u wilt: ik vind jullie wel,
je blijft toch op de wereld! [Terzijde] Nou hengel ik,
al merken jullie niet welke lijn ik vier.
Toe maar, toe maar!
Hoe zij de snoet, de mond, ophoudt naar hem!
Zich wapent met de boudheid van een vrouw
naar haar man die haar graag laat! Polixenes af, Hermione en gevolg
Daar gaat ze!
Driedubbeldik gehoornd, tot over de oren.
Speel, jongen, speel; je moeder speelt, en ik
speel ook; maar zo’n schandelijke rol, dat ik ervoor
tot mijn graf uitgejouwd zal worden; spot
en schand zal voor mij luiden. Speel, jongen, speel.
Hoorndragers zijn er altijd geweest, dacht ik,
en menige man, ja, op dit moment,
terwijl ik dit zeg, houdt zijn vrouw bij de arm,
niet wetend dat zijn buur, heer Lachulekker,
haar heeft bevloeid, zijn vijver bevist,
toen hij er niet was; maar, er is toch nog troost,
dat er ook bij anderen sluizen zijn, als hier,
die tegen hun wil opengaan. Als iedereen
met een ontrouwe vrouw wanhoopte, dan hing
één tiende zich op. Er is ook niets dat helpt;
het is als een geile planeet, die verderft zaait,
in de ascendant; en wat een macht, zeker weten,
van oost, west, noord en zuid; conclusie dus:
geen schoot is af te schermen. Reken maar,
dat die de vijand erin en eruit laat,
met pak en zak: ja, duizenden van ons
hebben die kwaal maar voelen hem niet. Wel, jongen?
MamilliusIk lijk op u, zeggen ze.
Leontes Zalige troost.
Wat? Is Camillo daar?
CamilloJa, mijn waarde heer.
LeontesGa maar spelen, Mamillius; jij bent echt. Mamillius af
Camillo, deze hoge gast blijft nog.
CamilloHet kostte u moeite zijn anker te houden:
toen u het uitwierp, kwam het steeds terug.
Leontes Zag je dat?
CamilloHij wou niet blijven toen u het vroeg; hij zei,
belangrijke staatszaken.
Leontes Heb je het gemerkt?
[Terzijde]
Men weet het al; er wordt gefluisterd, gesmoesd,
‘De Koning is je-weet-wel’: het is ver heen,
als ik het eindelijk merk. - Hoe kwam het, Camillo,
dat hij bleef?
Camillo De goede koningin drong aan.
LeontesDe koningin, ja; dat ‘goede’ moest zo zijn,
maar, zoals het nu staat, nu niet. Heeft het vlugge brein
van anderen dat gepakt, maar van jou niet?
Jij bent toch heel vlug van begrip, pakt iets
meer dan gemiddeld snel op: is het alleen
opgemerkt door scherpe geesten? Door wat
zeer knappe koppen? En is minder volk
soms blind voor dit bedrijf? Kom, zeg eens op!
CamilloBedrijf, mijn vorst? Men begrijpt wel, denk ik,
dat de vorst hier nog blijft.
LeontesWat?
Camillo Hier nog blijft.
LeontesJa, maar waarom?
CamilloOm uw wens te voldoen, heer, en op aandrang
van onze lieve vorstin.
Leontes Te voldoen?
Het aandringen van uw vorstin? Voldoen?
Dat is genoeg. Ik heb jou steeds toevertrouwd
wat mij na aan het hart lag, ja, zelfs nog
mijn staatsgeheimen; en, gelijk een priester,
zuiverde jij mij het hart: als boeteling
gereinigd, ging ik van jou weg. Maar wij zijn
bedrogen in jouw rechtschapenheid, bedrogen
in wat slechts schijn is.
Camillo God verhoede dat, heer.
LeontesIk blijf erbij: jij bent niet recht door zee:
of je probeert het, maar je bent een lafaard,
die eerlijkheid verlamt, en tegenhoudt
wat moet gedaan; of ik moet jou eigenlijk zien
als een dienaar die mijn grootst vertrouwen heeft
maar dat beschaamt; ofwel ben jij een dwaas,
die hoog spel spelen ziet, de winst gepakt,
en het als een grap beschouwt.
Camillo Mijn edele heer,
ik ben vast nalatig, en angstig en dwaas;
want niemand is overal zo vlekkeloos in,
dat in de beslommeringen van het leven
zijn vrees, zijn dwaasheid en nalatigheid
zeker ooit blijken. Was ik ooit, mijn heer,
in uw zaken opzettelijk nalatig,
dan was het mijn dwaasheid; speelde ik met opzet
ooit de dwaas, dan was het mijn nalatigheid,
dat ik niet dacht aan de afloop; was ik ooit bang
om iets te doen, omdat ik de uitkomst vreesde,
en waar bij het uitvoeren bleek hoe verkeerd
het niet doorging was geweest, dan was de angst,
die vaak de wijste zelfs besluipt: dat, heer,
is het mogelijk feilen, waar de eerlijkheid
nooit vrij van is. Maar ik verzoek u, hoogheid,
spreek duidelijk, en laat mij mijn vergrijp
in het gezicht zien: als ik het dan loochen,
is het niet van mij.
Leontes Dus niets gezien, Camillo;
(maar dat moet haast wel: vast, of uw ooglens
is doffer dan koekoekshoorn) of gehoord;
(want het gerucht zwijgt niet wanneer men iets
zo duidelijk ziet) of gedacht; (want een man
die dit niet denkt heeft geen denkvermogen)
Is mijn vrouw overspelig? Geef maar toe,
- of anders moet je ook ijskoud ontkennen,
dat je ogen hebt, oren, gedachten, - zeg maar
dat mijn vrouw een slet is, een naam verdient
even ranzig als een volksmeid die het doet
vóór haar trouwbelofte: zeg het, bevestig het.
CamilloAls toch mijn vorstin in mijn bijzijn zo
door het slijk gehaald werd, zou ik onmiddellijk
wraak nemen: God sta me bij, u heeft nog nooit
iets gesproken dat u zo weinig past
als dit; als ik dat herhaalde, was het een zonde
groot als de eerste, als was het waar.
Leontes Is fluisteren niets?
Of leunen wang op wang? Neuzen bij elkaar?
Kussen met tuitlippen? Het galop van lach
afbreken met een zucht (onmiskenbaar teken
van onschuld voorbij)? Voetje vrijen op voet?
Afzonderen in hoekjes? De klok vooruit wensen?
Uren, minuten? Middag, nacht? Ieders oog
grauw blind met staar, alleen dat van hen niet.
Graag ongezien stout zijn? Is dat soms niets?
Nou, dan is de wereld, met alles erin, niets,
de hemel erboven niets, Bohemië niets,
mijn vrouw niets, nee ook niets in al dit niets,
als dit niets is.
Camillo Zoek toch genezing, heer,
van deze ziekelijke waan, en gauw,
want dit is heel gevaarlijk.
LeontesMaar, het is waar.
CamilloNee, nee, mijn heer.
Leontes Toch, ja: u liegt, u liegt:
ik zeg dat je liegt, Camillo, en ik haat je,
ik verklaar je tot een lummel, een stomme slaaf,
jij bent een weifelend opportunist,
die in je blik gelijk goed en kwaad kan zien,
en nijgt tot beide: was mijn vrouws lever
ziek, als haar levenswijs, dan leefde ze
geen zandloper lang meer.
CamilloWie besmet haar dan?
LeontesWie haar aanraakt als haar eigen medaillon,
rond zijn hals, Bohemië; wie, had ik
echt trouwe dienaren rond mij, met ogen
niet alleen gericht op hun eigen voordeel
maar ook waar het om mijn eer gaat, zij zouden aandoen
wat meer gedoe tenietdeed: ja, en jij,
zijn tafelschenker, - die ik uit lager stand
invloed en aanzien heb gegeven, die,
even klaar als hemel en aard elkaar, ziet,
hoe men mij kwetst, - zou een beker kunnen mengen,
die mijn vijand voorgoed de ogen sluit;
dat drankje zou mij opkikkeren.
Camillo Heer,
dat kan ik, en zonder snelwerkend drankje,
maar langzaam slopend, dat er niemand denkt
aan opzet, als vergif: maar ik kan niet geloven,
dat de vorstin zo laag zou zijn gevallen,
zo eerbiedwaardig, boven alles rein.
Ik mag jou nog steeds -
Leontes Val dood, als je daar twijfelt!
Ben ik dan zo in de war, verdwaasd, dat ik
mijzelf die kwelling aandoe; dat ik het rein
en zuivere wit bezoedel van mijn lakens
(zo gehouden door slaap, maar, indien bevlekt,
prikkels, doorns, brandnetels, wespenangels),
het bloed te schand maak van de prins, mijn zoon
(die ik als van mij beschouw, en zo bemin),
zonder goede reden? Zou ik dat doen?
Kan iemand zo dwalen?
Camillo Ik geloof u, heer:
ja, echt; ik zal Bohemië doen verdwijnen;
ten minste als u, hoogheid, als hij weg is,
uw vrouw weer tot u neemt, zoals voorheen,
zeker vanwege uw zoon, en ook zo
aan hof en rijken waar men u kent en eert
roddelpraat tot zwijgen brengt.
Leontes Jouw advies
is precies wat ik me had voorgenomen:
geen enkele smet werp ik hier op haar eer.
CamilloMijn heer,
ga dan; toon uw meest opgeruimd gezicht,
zoals vriendschap op een feest, aan vorst Bohemië,
en aan uw koningin. Als hij van mij,
zijn schenker, nog één heilzaam drankje krijgt,
dan zie mij niet meer als uw dienaar.
Leontes Goed:
doe dat zo, en jij hebt mijn hart al half;
doe het niet, dan breek jij het jouwe.
Camillo Ik doe het, heer.
LeontesIk zal mij vriendelijk voordoen, naar jouw raad. Af
CamilloRampzalige meesteres! Maar ik, ja, ik,
hoe gaat het nu met mij? De goede vorst
moet ik de moorddrank reiken, omdat ik
gehoorzaam ben aan een meester; iemand,
die, met zichzelf overhoop, dat ook wenst
van iedereen om hem heen. Doe ik dit, dan volgt
bevordering. Maar al vond ik voorbeelden
van duizenden die het beter gaat na moord
op een gezalfde vorst, ik deed het niet:
maar nu noch brons, noch steen, noch perkament
er één noemt, zweert zelfs een schurk dit af. Weg
moet ik van dit hof: of ik het doe of niet,
het breek me de nek. Geluksster, sta mij bij!
Hier is vorst Bohemië.
Polixenes op
Polixenes Hoe uiterst vreemd:
mijn gunst loopt volgens mij hier terug. Geen woord!
Ah, dag Camillo.
Camillo Ik groet u, edele heer.
PolixenesNog nieuws aan het hof?
Camillo O, niets bijzonders, heer.
PolixenesDe vorst loopt rond met een gezicht alsof
hij een provincie kwijt is, en een streek,
hem dierbaar als zichzelf; ik sprak hem net
gebruikelijk vriendelijk aan, waarop dat hij,
snel de ogen afwendend, en minachtend
de mondhoeken omlaag, mij ontwijkt, en
zomaar laat staan, - mij afvragend wat er
aan de hand is, dat hij ineens anders doet.
CamilloIk durf het niet te weten, heer.
PolixenesWat, durf niet? Wil niet? Weet wel, maar durft niet?
Wees duidelijk voor mij: zo moet het haast zijn:
want zelf moet u toch weten wat u weet,
dus niet van ‘ik durf niet’. Beste Camillo,
dat uw blik zo anders wordt is net als bij mij,
die ik ook veranderd weet; dus ben ik zelf
het waarom van dit veranderen, als ik merk
dat ik zelf anders ben.
Camillo Er is een kwaal
die enkelen van ons goed ziek maakt, maar
die ik niet noemen kan, en die krijgt men
van u, die gezond bent.
Polixenes Hoezo van mij?
Smeer mij geen blik aan van een basilisk.
Ik heb duizenden bekeken, en mijn blik
bracht velen heil, en niemand dood. Camillo, -
zo waar u een edelman bent, en daarbij
met aantoonbaar verstand, wat onze adel
niet minder siert dan de verheven naam
van onze ouders, wier adel wij erven, -
als u iets weet dat ik eigenlijk zou moeten
horen, dan bezweer ik u, houd het niet verborgen
dat men onwetend blijft.
Camillo Ik mag niet spreken.
PolixenesEen kwaal, en dan van mij, en ik gezond?
Ik wil het weten. Hoor je dat, Camillo?
Ik smeek je, bij alle plichten die een man
van eer erkent, - en daarvan is mijn vraag
zeker niet het minste -, dat jij verklaart,
welk onheil dreigt, naar jij vermoedt, en mij
langzaam besluipt; hoe ver het is, dichtbij;
hoe het afgewend moet worden, als dat kan;
zo niet, hoe men het moet dragen.
Camillo Luister, heer;
daar u, die ik voor uiterst eervol houd,
mij bij mijn eer bezweert. Let op mijn raad,
die u even snel moet opvolgen als ik u
hem geef, of wij zijn allebei verloren,
zeg maar dag.
Polixenes Ga verder, vriend Camillo.
CamilloIk ben aangesteld als wie u vermoorden moet.
PolixenesDoor wie, Camillo?
Camillo Door de vorst.
Polixenes Waarom?
CamilloHij denkt, ja, zweert, als is hij overtuigd,
alsof hij het had gezien, meegewerkt, u
te dwingen, dat u zijn vrouw verboden
had betast.
Polixenes Moge dan mijn beste bloed
één vieze troep worden, koppel mijn naam dan
aan hem die de Beste verraden heeft.
Maak dan mijn welriekende goede naam
tot stank die het doofste neusgat nog raakt
als ik langskom, dat men mij uit de weg gaat,
dat ik meer wordt gehaat dan de grootste pest
waar men van leest of hoort!
Camillo Al overzweer je hem
bij elke hemelster apart, en al
hun invloed, je zou net zo goed de zee
kunnen verbieden dat zij de maan volgt,
als met een eed of argumenten hem
zijn waanbouwwerk doen wankelen, dat stoelt
op zijn overtuiging, en zal voortbestaan
zolang hij leeft.
Polixenes Hoe kon het zover komen?
CamilloDat weet ik niet; maar beter is het te mijden
wat zover kwam, dan vragen waarvandaan.
Als u daarom mijn eerlijkheid vertrouwt
die in deze borst besloten ligt, die u
als pand zult meevoeren, dan weg, vanavond!
Uw volgers fluister ik het plan in het oor:
met tweeën en drieën krijg ik ze de stad uit,
door allerlei achterpoortjes. En ikzelf
stel heel mijn toekomst, die is geruïneerd
door dit verhaal, in uw dienst. Aarzel niet,
want, bij de eer van mijn ouders, ik spreek
de waarheid: en als u eerst bewijs wilt,
ik zeg nergens ja; en u gaat het niet beter
dan iemand door de koning zelf veroordeeld,
die onherroepelijk sterven zal.
Polixenes Ik geloof je:
ik las zijn hart in zijn blik. Geef me je hand,
wees jij mijn gids, en waar jij bent zal steeds
naast mij zijn. Mijn schepen liggen klaar, en
mijn scheepsvolk dacht al twee dagen dat ik
vertrekken zou. Deze achterdocht
is om een verrukkelijk wezen: buitengewoon,
en dus ook groots; en, met zijn persoon machtig,
is het dus ook heftig; en omdat hij denkt
dat hij onteerd is door een man die steeds
zijn vriend was; nou, en daarom moet zijn wraak
ook bitter zijn. Angst overschaduwt mij:
help mij, snel vertrek, breng de koningin
verlichting, deels de reden, maar geenszins
voor zijn ongegronde verdenking! Kom,
ik eer je als een vader, Camillo,
als je mij het leven redt. Wegwezen dan.
CamilloIk heb de beschikking, krachtens mijn ambt,
over alle sleutels van de poorten. Kom,
geven wij toe aan de drang. Kom vlug, heer. Allen af